Home Ritueel gedrag is symboliseren

Ritueel gedrag is symboliseren

Door Jacques de Visscher op 26 februari 2014

Cover van 02-2008
02-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Dat in het rituele gedrag symbolen geen lege vormen zijn die buiten alle werkelijkheid zouden staan, is een uitdaging aan de moderniteit die in natuurwetenschappelijkheid haar hoogste kenniseisen vervuld ziet. In dit artikel nemen we een oud dispuut over de transsubstantiatie of wezensverandering in het ritueel of sacrament van de christelijke avondmaalsviering of eucharistieviering als uitgangspunt. Dit dispuut gaat over de werkelijkheidswaarde van brood en wijn als het lichaam en bloed van Christus. Als we het symbool in zijn oorspronkelijke betekenis van het verbindende nemen en de notie ‘werkelijkheid’ niet uitsluitend aan de criteria van de natuurwetenschappelijkheid onderwerpen, dan kunnen we inzien hoe rituelen, juist omdat ze symboliseren, werkelijkheid op het oog hebben.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Het is natuurlijk maar symbolisch’

Voor Ulrich Zwingli (1484-1531) waren brood en wijn in de christelijke eredienst sléchts symbolen van het lichaam en het bloed van Christus. Maarten Luther (1483-1546) was het daarmee niet eens: hij hield zich aan de gedachte van de presentia realis, die voorhoudt dat het lichaam en het bloed van Christus in de gedaante van brood en wijn waarlijk tegenwoordig zijn. Deze tegenstelling bleek onoverkomelijk en leidde tot een breuk. Velen beschouwen deze breuk als een mijlpaal in de ontvouwing van de moderniteit, want zij is een stap in de onttovering van de rituelen en sacramenten die in de westerse christelijke wereld pas in de tweede helft van de vorige eeuw haar voltooiing schijnt te kennen. In het naïeve geloof – dat ook vaak door even naïeve priesters werd gevoed – hebben velen lang volgehouden dat brood en wijn door de consecratie lichaam en bloed werden, zodat bijvoorbeeld bijten in de hostie neerkwam op bijten in Christus’ lichaam. Hoewel de officiële leer van een aantal kerken steeds heeft onderwezen dat de wezensverandering of transsubstantiatie in de uiterlijke verschijning (species) van brood en wijn plaatsgrijpt, zodat brood en wijn vanuit empirisch oogpunt brood en wijn blijven, en dat Christus’ tegenwoordigheid er een is in de gestalte van brood en wijn, was de naïeve naturalistische opvatting van de transsubstantiatie lange tijd gemeengoed. Tijdens de consecratie zou zich een klein mirakel afspelen, waardoor die wezensverandering als een reële stofwisseling werd gedacht, waarbij brood en wijn alleen nog in een te verwaarlozen schijn brood en wijn waren, maar onder de  oppervlakte echt Christus’ lichaam en bloed. Dat was niet zomaar een geloofsopvatting: het was een objectief feit waarover de wetenschap eigenlijk niets te vertellen had. Deze opvatting over Christus’ tegenwoordigheid is nagenoeg verdwenen. Nauwelijks is er vandaag nog een volwassen man of vrouw die zal beweren dat brood en wijn na het uitvoeren van specifieke handelingen en het uitspreken van geijkte woorden opeens lichaam en bloed worden, nog minder ‘het lichaam en het bloed van Christus’. De moderne mens weet immers dat geen enkel scheikundig onderzoek die metamorfose kan bevestigen. Hij heeft dan ook geen dna-staal van de historische Jezus van Nazareth nodig om vast te stellen dat het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn daarmee geen enkele overeenkomst vertonen.Vele christenen – vooral katholieken – hebben bijgevolg hun naïeve naturalistische opvatting over transsubstantiatie voor een even naïeve en populaire wetenschappelijke mening ingewisseld. Hiermee meenden ze aan de moderniteit tegemoet te komen, een gedachte die nog wordt versterkt door het adagium dat de moderne theologie, ook inzake geloof en zeden, ‘naar de wetenschap’ moet luisteren. Hiermee wordt het ten slotte volstrekt overbodig van de eigenlijke traditionele substantieleer kennis te nemen. Bij wijze van spreken kunnen we nu stellen dat de moderne christenen feitelijk het standpunt van Zwingli hebben overgenomen: ze spreken niet meer van een transsubstantiatie of wezensverandering, maar hebben het over een louter ‘symbolische’ tegenwoordigheid van Christus in de eucharistieviering: ‘natuurlijk gaat het hier niet letterlijk of werkelijk – men bedoelt fysiek – om het lichaam en het bloed van Christus, maar het is alsof dit brood en deze wijn het lichaam en het bloed van Christus zijn geworden. Het is nu in deze symboliek, in het figuurlijk nuttigen van het lichaam en in het figuurlijk drinken van het bloed van de gekruisigde, dat wij als christenen in God zijn verbonden’. Door in deze afgezwakte transsubstantiatievisie de nadruk op het figuurlijke te leggen, blijven gelovigen de wetenschappelijke formulering van de weerlegging ontkrachten en bakenen ze een domein af waar religieus geloof en wetenschappelijke verklaring uit elkaar worden gehouden. Een implicatie hiervan is dat bijvoorbeeld de wetenschapper die in zijn laboratorium bij de wetten van de natuurkunde zweert, op zondag deze wetten tussen haakjes kan plaatsen en het geloof kan aanhangen dat er een werkelijkheid is die voor de wetenschap onbereikbaar is of waarmee de wetenschap niets te maken heeft. Naast de werkelijkheid die object van wetenschap blijft, zou er dus een werkelijkheid zijn die louter figuurlijk is (bedoeld in overdrachtelijke zijn) en waarin we alleen maar kunnen geloven. Of deze tweede werkelijkheid een harde of duurzame werkelijkheid is, zal nu van de vroomheid van de gelovige afhangen. Is deze christen eerder een cultuurchristen dan een vrome gelovige, iemand die zijn adhesie aan de christelijke religie eerder formeel dan existentieel betuigt, dan zal hij het vooral over het louter figuurlijke of symbolische hebben; hij zal misschien ook de zwakke transsubstantiatiegedachte opgeven en het nog alleen – via de herinnering – over Christus’ tegenwoordigheid hebben. Is deze christen vooral gelovig en vroom, dan is die andere werkelijkheid de werkelijkheid van het goddelijke en het heilige, waarvan de rituele en sacramentele figuren levende en wezenlijke expressies zijn.

Als deze houding met haar varianten vandaag het standpunt van de christen zou bepalen, dan heeft Zwingli – globaal genomen en zonder op de historische details in te gaan – met zijn visie van ‘slechts symbolisch’ het van Luther gewonnen – ook in het katholicisme. Op het eerste oog lijkt het er nu op dat dit standpunt met de moderniteit te verzoenen valt. Er blijven echter wel enkele voorwaarden meespelen. Een eerste conditie is dat het techno-sciëntisme de genoemde moderniteit en haar wereldbeeld niet volledig mag domineren en dat de moderne mens, om het met Kant te zeggen, op een bepaald ogenblik de kennis moet opheffen om voor het geloven plaats te maken. Een tweede conditie sluit daarbij aan en luidt dat de geloofsovertuiging primeert, in de zin dat er een werkelijkheid is waarover de wetenschap dient te zwijgen, omdat ze in deze aangelegenheid incompetent zou zijn. Bovendien zou deze werkelijkheid wel een materialiteit, een aardse of wereldse gestalte kennen zoals we die aantreffen in kosmische gegevens, ‘geïnspireerde’ artistieke expressies en heilig genoemde geschriften die de cultuur als tekenen van het ‘Andere’ opvat. Het gaat dan om fenomenen die naast een voor de hand liggende betekenis en verklaring ook een figuurlijke, raadselachtige of verborgen betekenis krijgen – soms zegt men dan ook dat hun betekenis uitsluitend symbolisch is. Deze figuren die in de religieuze geloofsovertuigingen het primaat van de werkelijkheidswaarde krijgen, verwijzen in dit perspectief naar het goddelijke en het sacrale. Ze bemiddelen tussen het aardse of immanente en het hemelse of transcendente en treden zelfs correctief op. Zij leren dat het aardse, dat slechts seculier of wereldlijk zou zijn, niet de hele werkelijkheid omvat en dat er een andere werkelijkheid is die aan de eigenmachtigheid van de stervelingen ontsnapt. Ze onthullen dat het hemelse of het transcendente het aardse en het immanente overschrijdt en dat dit hemelse betekenend en oriënterend werkt, zodat het aardse vanuit die andere werkelijkheid betekenis en zin ontvangt.

Wat we hier hebben geschetst is schematisch de ontologisch-theologische structuur van een beleving van en een betrokkenheid op twee werelden, waarvan de ene – de immanente wereld – kenbaar en beheersbaar is, en de andere – de transcendente wereld – onkenbaar en ongrijpbaar. Naarmate nu het vertrouwen in de technowetenschappelijke kenbaarheid van de werkelijkheid toeneemt, verzwakt meestal het geloof in de waarde van de transcendente wereld. Voor mensen die, zonder goed te weten waarom, geen integraal materialistisch leven willen leiden, is het opgeven van de religieuze traditie geen aantrekkelijk alternatief. Ze willen hun kinderen toch nog laten dopen; als ze trouwen is een kerkelijke ceremonie het aantrekkelijkst en een niet-kerkelijke uitvaart voor hun ouders vinden ze maarniets. Kortom, ze weten zich nog in een beschaving gesitueerd waarin ze niet volledig met de religieuze gebruiken wensen te breken. Veel geloof is daarmee niet verbonden, wat ook niet nodig lijkt als de betekenis van de rituelen en sacramenten alleen nog ‘louter symbolisch’ is en aldus een min of meer esthetische en weinig engagerende adhesiebetuiging. De moderne religieuze mens die zich ‘uit gewoonte’ bij een kerkelijke traditie aangesloten voelt, houdt daarom van een keurig huwelijksfeest of van een mooie eucharistieviering. Of we nu in de werkelijkheid van dit sacrament dienen te geloven…? ‘Ach ja, als je het symbolisch ziet…,’zo luidt het vage antwoord, ‘Echt “werkelijk” is dit omzetten van brood en wijn in het lichaam en het bloed van Christus natuurlijk niet, wel “louter symbolisch” en in die zin wel mooi; die “symboliek” moeten we niet opgeven, anders wordt alles zo plat.’ Met geloof in het heilige, het transcendente en in de christelijke verhalen heeft dit alles niets meer te maken, integendeel. Hier werkt zelfs een symboolopvatting die haaks staat op ‘werkelijkheid’ en die bijgevolg het geloof overbodig maakt.

Als de werkelijkheidswaarde in het ritueel of sacrament van de transsubstantiatie verdwijnt, dan blijft bij het behoud van de plechtige handeling alleen nog de vorm over die, louter seculier geworden, object van esthetische waardering wordt. Rituelen krijgen dan de allure van een schouwspel. We houden van de vormelijke verfijning van een ‘eucharistieviering’ bij een huwelijksfeest of een begrafenis waar we naar mooi uitgevoerde gezangen kunnen luisteren (met teksten waarin we niet hoeven te geloven), van het decorum (een eeuwenoude Romaanse of Gotische kerk) kunnen genieten, de fraaie uitspraak van de celebrant bij het opzeggen van de gebeden kunnen waarderen en een eloquent sermoen of ontroerende homilie krijgen aangeboden. Het symbool dat ‘maar een symbool’ is en tot een esthetische vorm wordt herleid, analoog met een ballet- of mime-uitvoering waarvan we het verhaal niet hoeven kennen, houdt natuurlijk op symbolisch te zijn. 

Symbool en werkelijkheid

In de moderne receptie van rituelen heeft het symbool een metamorfose ondergaan. Het maakt geen aanspraak meer op werkelijkheid, waardoor het ritueel ook zijn werkelijkheidsaanspraak heeft verloren. Concreet voor de eucharistie betekent dit dat er geen transsubstantiatie plaatsgrijpt. De celebrant spreekt nog wel de woorden uit die naar de evangelieteksten verwijzen: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam (…). Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt’ (Mc. 14: 22-23; zie ook Mtt. 26:26-29, Lc. 22:14-20), maar de al genoemde moderne gelovige neemt dit niet aan voor een geldige werkelijkheid. Hij zegt dat het hier om ‘louter symbolische’ woorden gaat, om metaforen – ‘bij wijze van spreken’.

Is het einde van het ritueel in zicht als het onderliggende verhaal en de symboliserende handelingen slechts mooie vormen zijn zonder een inhoud die iets concreets met ons bestaan zou te maken hebben? Is het voortaan zo dat rituelen pas dan aanvaardbare plechtige handelingen zijn als er tussen symbool en werkelijkheid geen enkel verband meer is?

In de traditionele religieuze symboolopvatting is het symbool geen figuurlijk teken dat naar een andere, een eerste of letterlijke werkelijkheid verwijst. Symbolisch is wat verbindt. Het woord symbool komt van het Griekse sum-balloo, bijeen werpen. Zien we in religie de werkzaamheid van religare (Latijn voor aan-binden), dan horen in de sfeer van de verering symbool en religie samen. Dan is in deze context het symbolische de verbondenheid met het heilige, het/ de Allerhoogste, het Ultieme of het goddelijke en bijgevolg met wat ons in de nabijheid van de werkelijkheid bij uitstek brengt of zelfs voor ons werkelijkheid sticht. In die zin heeft het ritueel het symbolische op het oog. Het bevat, tegen de achtergrond van een mythe of religieus funderingsverhaal, een reeks handelingen en woorden die naar een oorspronkelijke handeling verwijzen door die op zo’n wijze te herhalen dat ze aan de eisen van de overlevering van een oergebeurtenis beantwoordt. Deze geijkte herhalingen stellen de oorspronkelijkheid opnieuw tegenwoordig opdat de participanten steeds opnieuw aan die oorspronkelijkheid deelachtig zouden kunnen zijn. Nemen we als voorbeeld het ritueel van de eucharistieviering, dan zien we hierin een verwijzing naar het oorspronkelijke instellingsverhaal – bekend uit de vier evangelies – waarbij Jezus van Nazareth, die tegelijk als Messias wordt aanvaard, enkele dagen (op ‘Witte Donderdag’) voor het joodse paasfeest stichtende woorden bij stichtende handelingen uitspreekt die de navolgers voortaan zullen moeten hernemen willen ze verder aan hun geloofsgemeenschap gestalte geven. Het brood dat wordt gebroken en met de leden van de tafelgemeenschap wordt gedeeld, be-lichaamt voortaan die heilige boodschap van de liefde. Hetzelfde geldt voor de wijn die de gelovigen samen delen en drinken: het is het bloed van deze levende gemeenschap. Brood en wijn zijn de noodzakelijke zinnebeelden die naar het Symbolische of het Verbindende verwijzen. Als zinnebeelden ontlenen ze immers hun betekenis en substantie (wezen, zelfstandigheid) aan het Symbolische. In dit perspectief hebben ze niets meer (of zeker niet in de eerste plaats iets) te maken met de seculiere producten van de bakker en van de wijnboer. In de consecratie of heiliging is het brood niet ‘als het ware’ het lichaam (en intussen nog altijd brood) en is de wijn ook niet ‘als het ware’ het bloed (en intussen nog altijd het gealcoholiseerde druivensap), maar zijn zij naar de betekenis van het ritueel het lichaam en het bloed  van diegene die op zijn beurt die ultieme en verheven werkelijkheid belichaamt waardoor hij Gods zoon wordt genoemd en waaraan de leden van de gemeenschap participeren. Hier kunnen we begrijpen dat de religieuze gemeenschap van een transsubstantiatie of ‘eigenheidsverandering’ gewaagt, maar dan uiteraard niet gemeten naar een of andere stofanalyse zoals we die in een scheikundig laboratorium zouden uitvoeren. Het symbool verliest trouwens elke betekenis en zin als we voor de bepaling van zijn werkelijkheid uitsluitend een beroep doen op de natuurwetenschappelijke objectiviteits- en oorzakelijkheidsopvatting en dit concept als eerste en laatste criterium nemen. De werkelijkheid van het symbool is van een andere orde en het is een misvatting te menen dat die realiteit haar wortels in een ‘letterlijke’ of stoffelijke (materialistische) betekenis zou hebben. Religieus en zinnebeeldig uitgedrukt: niet de aarde, maar de hemel is de bron van de symbolische betekenissen en het is die hemel die de transsubstantiatie of (spirituele) wezensverandering bewerkstelligt. Wat de gelovigen nu rond de tafel vieren – vandaar ‘Avondmaalsviering’ in de protestantse kerken –, is dat zij die hemelse werkelijkheid nabij zijn of eraan deelnemen, dat zij zich daardoor gered weten en bovendien verlost van al wat al te aards is en wel eens verbrekend – dia-bolisch – zou kunnen zijn. Tenslotte is er niet alleen de verbondenheid (communio) met diegenen die bij deze tafelgemeenschap aanwezig zijn, maar ook met de goddelijke/heilige/ hemelse presentie via de gaven van lichaam en bloed van Christus (corpus mysticum). De gelovige gemeenschap (ecclesia of kerk) noemt deze viering ook eucharistieviering, omdat eucharistia dankbaarheid wil zeggen – dankbaarheid voor het aanbod van het liefdesverbond met het ultieme of met het Allerhoogste, een verbond dat exemplarisch voor de menselijke verhoudingen dient te zijn. In dit verband brengen we de aansporing of opdracht van Jezus aan de tafelgenotenter herinnering: ‘Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg’ (Joh. 15:9-14).

Het weefsel van het symbool

Het symbool staat niet op zichzelf zoals deze – weliswaar heel summiere – uiteenzetting over de rituele en sacramentele inbedding van het symbolische van brood en wijn/lichaam en bloed laat zien. Willen we de betekenis van het symbool goed verstaan, dan zien we het niet als een teken dat naar ‘iets anders’ verwijst. Het is ook geen figuurlijke variante van een betekenis die in een overdrachtelijke procedure is gevormd. Wat het symbool openbaart, is de metafysische en ontologische eigenheid, de substantie van het verbindende. In de sfeer van de devotie en verering en van het heilige is het symbool religieus of zelfs godsdienstig, omdat het de gelovige met het heilige, het transcendente, het goddelijke verbindt of Gods nabijheid tegenwoordig stelt. Dit brengt met zich mee dat het symbolische niet buiten elke bemiddeling van andere vormen – zoals beelden, handelingen en verhalen – is te benaderen. Daarbij gaat het soms om een heel complex van vormen, zoals het ritueel dat door een verhaal wordt gedragen en dat van allerlei beelden, formuleringen, ‘natuurelementen’ (zoals aarde en lucht, vuur en water) en voorwerpen (bekers, schalen, gewaden, lepels, messen en tafels) gebruikmaakt. De belangrijkste bemiddelingen zijn beelden en woorden. De beelden noemen we de zinnebeelden wanneer ze als visuele gestalten uitdrukking geven aan of verwijzen naar het verbindende. De bas-reliëfuitbeelding van Christus met de open ontvangende armen in het centrale timpaan van de Maria Magdalenabasiliek in het Bourgondische Vézelay is als zinnebeeld exemplarisch, omdat het naar het symbolische verwijst of, anders geformuleerd, het verbindende evoceert. Dit is trouwens de draagwijdte van het religieuze icoon: het beeld dat het heilige en het mysterie nabij is en vertegenwoordigt zonder het zelf te zijn. De bemiddelende woorden zijn metaforen en metonymieën. De religieuze of geïnspireerde taal ontvouwt overdrachtelijke procedures of analogieën waardoor deze taal vormen uit wereldse domeinen ontleent en ze in de sacrale sfeer van een nieuwe betekenis voorziet. De woorden ‘dit is mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’ zijn de bekende metaforen uit het eucharistieritueel die ons naar het symbolische leiden. Op die manier creëren zinnebeelden en metaforen een openheid waardoor de werkelijkheid van het heilige of van het goddelijke voor de gelovige toegankelijk wordt. Op die manier ook kunnen we begrijpen hoe ritueel gedrag de weg naar het symbool baant. Metaforisch kunnen we dan stellen dat zich via geijkte historische handelingen en woorden een weg banen naar het heilige een symboliserende activiteit is: een verbindende activiteit die naar de kern van het Symbool leidt. Deze kern is dan – uiteraard voor de gelovige – het Verbond.

Tegen deze achtergrond is er geen kloof meer tussen beeld of metafoor en werkelijkheid, integendeel: beeld en metafoor zijn symboliserend als ze naar het Symbolische voeren en het Symbolische is de werkelijkheid bij uitstek. Dit is de werkelijkheid waarvan en waarvoor de vrome gelovige leeft, een werkelijkheid die met het Symbolische samenvalt en van figuren gebruikmaakt.

Nu betwijfelen we het dat er een onoverkomelijke tegenstelling bestaat tussen de stellingen die we met Zwingli en Luther associëren. Beide gezichtspunten vooronderstellen elkaar als we symbool in zijn etymologische betekenis behouden en als we met werkelijkheid niet de moderne wetenschappelijk bepaalde objectiviteit verbinden. Binnen de religieuze denksfeer zijn ‘natuur’ en ‘werkelijkheid’ van lichaam en bloed geen biologische of fysiologische begrippen, maar – filosofisch gesproken – metafysische en spirituele fenomenen.

Symboliserende kunst

Het ritueel is geen esthetisch kunstwerk dat gemaakt wordt om werelds en zinnelijk van zijn vormelijkheid te genieten. Maar ook niet alle schilderijen en sculpturen, films en opera’s zijn louter esthetische objecten die ons tot een belangeloos welbehagen aanzetten. In het operagebouw kunnen we bijvoorbeeld ‘Die Zauberflöte’ van Mozart bekijken en beluisteren omwille van de adembenemende acteursprestaties en de mooie gezangen zonder veel belang en geloof te hechten aan het libretto. Die esthetiserende houding laten we nu achter ons wanneer het libretto een existentiële draagwijdte krijgt en wanneer die opera bijgevolg voor ons een complex geheel van auditieve en visuele zinnebeelden wordt die ons op hun beurt naar het symbool, naar het verbindende van de wijsheid voeren. Dit Gesamtkunstwerk is dan tegelijk artistiek, esthetisch, filosofisch en religieus en niet uitsluitend een eenmalige beleving tijdens een onvergetelijke avond. Voor de vrome vrijmetselaar bijvoorbeeld is het zelfs niet meer belangrijk dat ‘Die Zauberflöte’ een werk van Mozart is of dat René Jacobs de uitvoering leidt. Voor hem kan die opera een deel van zijn leven uitdrukken of kan naar dit werk luisteren een zinnebeeldig hernemen zijn van zijn rituele initiatie. Ook hier kunnen we gewagen van de symboliserende werkzaamheid van het kunstwerk.

Het zijn daartegenover niet de incoherente, raadselachtige of vreemde poëtische en picturale vormen die we als symbolisch ervaren. De zogenaamde ‘symbolische schilderkunst’ is vaak weinig of helemaal niet symbolisch; soms dompelt ze ons alleen maar in het Unheimliche. Er zijn schilders die in die stijl werken. Ze nemen niet zelden de picturale virtuositeit van de grote gotische en vroegrenaissancistische schilders zoals Van Eyck of Van der Weyden over, maar ontwrichten daarbij de oorspronkelijke oriëntatie van deze grootmeesters. Er is een ‘symbolisme’ of een ‘surrealisme’ dat zinnebeeldig het antisymbolische (het diabolische dus) vertolkt en alle mogelijke zin voor het heilige omkeert in het vooruitzicht dat ‘sacer’ ook en misschien zelfs vooral het woord is om het verdoemde aan te duiden. Zin wordt dan waanzin of weerzin, omdat onderliggend aan onze geordende wereld van de redelijkheid het wanstaltige van het chaotische of van de onbeheersbare natuur werkzaam zou zijn, zoals ons bewustzijn eveneens het wilde driftleven van het onbewuste zou verhullen. Deze antisymboliek wil ontmaskeren. Er zijn liefhebbers van die artistieke producties, ze zeggen dat alleen deze kunst de werkelijkheid bij uitstek toont, zoals de antieke tragedies ons herinneren aan ons echte lot, onze condition humaine.

De beleving van en de deelname aan het Symbolische via religie en integrale kunstervaringen, ook via allerlei volksfeesten die uit de geschiedenis van een land zijn voortgesproten, zijn manifestaties van de cultuurintegrerende werking van religie en kunst. Zij voeden de culturele historische identiteit van de leden van een gemeenschap. Vervreemding en eenzaamheid daarentegen ontstaan wanneer mensen zich in hun particulariteit voelen opgesloten en als het ware buiten de stroom van de traditie vallen. Het individualisme wordt dan een klacht. De gemeenschappelijke beleving, herinnering en participatie zijn nu karakteristieken waardoor het ritueel en het traditionele kunstwerk de gedeelde identiteit van de leden van een gemeenschap bevestigen of herstellen. Het is dus niet toevallig dat het ritueel in beginsel altijd in een feest uitmondt en dat een kunstwerk, dat een geïntegreerde plaats in onze levensloop heeft gekregen, een bron van vreugde is telkens we ons met een authentiek kunstwerk inlaten. Daarom ontwricht de Symboliek van ritueel en kunst de gedachte dat het bestaan zinloos zou zijn.