Home Ricoeur: meester van het vertrouwen

Ricoeur: meester van het vertrouwen

Op 19 mei overleed de Franse filosoof Paul Ricoeur. Hij werd 92 jaar. Zijn vriend en bibliograaf pater Vansina, de Leuvense filosoof  Samuel IJsseling en junior-onderzoeker Gert-Jan van der Heiden over zijn erfenis: ‘Ricoeur biedt de filosofie van de hoop’.

Door Meike Oosterwijk op 28 juni 2005

06-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

25 boeken liet hij na, en meer dan 3000 artikelen. Als antwoord op de vraag hoe hij toch zo een enorme hoeveelheid tekst kon produceren kreeg pater Vansina van zijn oude vriend Ricoeur een verbaasde blik. Voor Ricoeur was die productiviteit normaal. ‘Opmerkelijk’, noemt Vansine zijn vriend. Ook Ricoeurs wijze van schrijven trof hem. De vele dialogen die hij voerde met Foucault, Derrida, Deleuze en met de angelsaksische filosofie. ‘De taalfilosofie was voor hem een omweg – hij hield van omwegen – om uiteindelijk iets te kunnen zeggen over de mens.’

Het handelen en het lijden waren twee van zijn belangrijke filosofische thema’s. En dat lijden kende hij zelf van nabij. ‘Ricoeur was wees’, vertelt Vansina. ‘Zijn zus stierf aan tuberculose. Hoewel hij, omdat hij eigenlijk pacifist was, pas na hevige twijfel in dienst was getreden,  heeft hij tijdens de Tweede Wereldoorlog vijf jaar in Duitsland gevangen gezeten. Zijn zoon pleegde zelfmoord, door zich in Parijs van de derde verdieping te storten. Daar had hij enorme schuldgevoelens over. Op het laatst van zijn leven was hij afgetakeld. Hij had een oog verloren aan de trombose, lezen was moeilijk, en hij was bang voor de dood: “j’ai peur de la peur”, zei hij.’

Plagiaat

‘Ricoeur had niet de extravagantie van Foucault en Deleuze’, vertelt IJsseling. ‘Hij was ernstig man, diep gelovig protestant, en een beetje droevig, door alles wat hij had meegemaakt. In 1967 heb ik colleges bij hem gevolgd in Parijs. Als docent was hij nauwkeurig. Auteurs gaf hij eerst alle krediet, om pas daarna vragen te stellen naar de consequenties van hun denken.’

‘Eind jaren zestig werd hij in Parijs verguisd’, vervolgt IJsseling. De onrust van de studentenopstanden smeulde nog na in de stad. Ricoeur was in die tijd rector van de Parijse universiteit van Nanterre. Linkse studenten zagen hem als een vertegenwoordiger van het ancien régime. Zijn colleges werden verstoord, en een student leegde een vuilnisbak over zijn hoofd. Na een harde inval van de politie, vertrok hij naar Leuven, om drie jaar later door te reizen naar Chigaco. Op zijn filosofische arbeid werd Ricoeur zwaar aangevallen door de filosoof Lacan. Hij beschuldigde Ricoeur van plagiaat. Pas toen de mode van het deconstructivisme voorbij was, werd hij in Parijs in ere hersteld.

School heeft hij nooit gemaakt. IJsseling: ‘Daar heb je een bepaalde eenzijdigheid voor nodig. Maar hij wilde voortdurend verschillende opvattingen verzoenen, Foucault, Deleuze, Derrida, Levinas en de neurowetenschappen. Hij vertegenwoordigt de oecumene van de filosofie. Dat is zijn kracht, maar misschien ook zijn zwakte. Want door die belezenheid heeft hij niet een hele sterke eigen gedachte naar voren kunnen drukken.’

Van der Heiden: ‘Gewoon maar met een spannende these op de proppen komen, daar was hij wars van. Hij liet altijd zien hoeveel kanten er aan een probleem kleven. Hij was enorm erudiet, academisch integer.’ Van der Heiden bestudeert Ricoeur voor zijn promotie-onderzoek. ‘Zijn boek Temps et Récit wekte mijn interesse. Daarin ontvouwt hij zijn ideeën over narrativiteit: hoe kun je verhalen over jezelf ontwikkelen en hoe kun je daaraan je identiteit ontlenen? Via het verhaal kun je afstand nemen van je leven en van je handelen. Door de ruimte van die afstand, kun je over je leven nadenken en er verantwoordelijkheid voor nemen.’

Die verhalen kunnen over het eigen leven gaan, maar ook over dat van anderen. Bijvoorbeeld het verhaal van Raskolnikov, het hoofdpersonage uit Dostojewski’s Schuld en boete (Misdaad en Straf). Van der Heiden: ‘Raskolnikov begint met het idee dat echte grote geesten zelf kunnen beslissen wat ze doen. Dat ze zo krachtig zijn, dat ze hun wil aan de wereld kunnen opleggen. Napoleon is zijn voorbeeld. Vanuit die gedachte pleegt Raskolnikov een moord. Maar dan wordt hij overvallen door zijn eigen daad; de gevolgen van zijn handelen had hij niet voorzien. Hij lijdt. Daarmee stuit hij op de grenzen van zijn vermogen om zijn wil aan de wereld op te leggen.’ IJsseling beaamt het belang van dergelijke verhalen voor het ontstaan van het schuldbewustzijn: ‘Schuld en vergeving worden ons pas duidelijk uit dit soort verhalen. Voor Ricoeur was de ethiek zeer belangrijk.’

Geblesseerd bewustzijn

‘Hoe kan, en hoe moet ik handelen? Hoe kan ik een zelf worden? Dát is het doel van zijn filosofie’, zegt Van der Heiden. ‘De vraag naar het menselijk zelf omvat zijn hele oeuvre. Het zelf is volgens hem niet voor zichzelf doorzichtig, het kan niet goed op zichzelf vertrouwen, en het loopt voortdurend tegen grenzen aan. Grenzen van het onbewuste, van de maatschappij en van het lichaam.’ Van Descartes neemt Ricoeur het begrip cogito (het bewustzijn) over, maar hij verwijst hiermee niet naar een transparant en zelfstandig bewustzijn. Ricoeur spreekt van een cogito blessé; een gekwetst cogito, een bewustzijn met een blessure. Van der Heiden: ‘Voor Ricoeur gaat het niet om bewust-zijn, maar om bewust-worden. Het onbewuste, de maatschappij en het lichaam stellen grenzen. Het zelf kan zich bewust worden van die grenzen, en zich ermee verhouden. Door de verhouding met de grenzen kan het meer zichzelf worden. Want pas als je weet hoe je kunt handelen, dan kun je verantwoording nemen voor je daden. Verhalen zijn daar bij uitstek het hulpmiddel voor.’

Maar Raskolnikov dacht meer zichzelf te worden door Napoleon als voorbeeld te nemen. Dat je door een verhaal zondermeer jezelf wordt, gaat dus niet zomaar op. Van der Heiden legt uit dat de mens volgens Ricoeur heel goed in staat is om zichzelf te corrigeren. ‘Ricoeur muntte de term “Meesters van het wantrouwen” voor Nietzsche, Marx en Freud. Maar zelf wordt hij helemaal niet geleid door wantrouwen. Hij is eerder goedgelovig. Hij heeft een basaal vertrouwen dat het uiteindelijk wel goed zal komen.’ Een verkeerde interpretatie over jezelf houdt nooit lang stand, aldus Van der Heijden: ‘Je stuit vanzelf wel op een grens.’ IJsseling beaamt dat: ‘Ricoeur biedt de filosofie van de hoop, van het vertrouwen’.

Zijn opvattingen over narrativiteit paste Ricoeur ook toe op zijn eigen geblesseerde ego. In een interview zei hij eens: ‘In zekere zin ben ik een personage in een bepaalde hoeveelheid verhaallijnen. Het probleem is erachter te komen wat mijn plaats is in deze verhalen, en vooral voor welke handelingen ik mij verantwoordelijk moet houden – voor welke consequenties, en voor welke niet. Mijn leven is altijd ook een biografie. Ik ben steeds verplicht te interpreteren wat me is overkomen, wat er gebeurt.’