Home Relatie-anarchie. Hoe wij zonder het kerngezin beter voor elkaar kunnen zorgen

Relatie-anarchie. Hoe wij zonder het kerngezin beter voor elkaar kunnen zorgen

Zodra we zorg als arbeid bekijken, zien we dat het huwelijk, het kerngezin en andere liefdesverhoudingen een centrale rol vervullen in de economie. Volgens Sophie Jossi-Silverstein is relatie-anarchie essentieel voor de hervorming van liefdes- en zorgrelaties en de samenleving als geheel.

Door Sophie Jossi-Silverstein op 23 februari 2022

Relatie-anarchie. Hoe wij zonder het kerngezin beter voor elkaar kunnen zorgen
Cover van Wijsgerig Perspectief nr 1/2022
Wijsgerig Perspectief nr 1/2022 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Al in het jaar 1914 verzette de anarchistische activist en auteur Emma Goldman zich tegen het instituut van het huwelijk. Haar kritiek luidde dat het huwelijk vrouwen onderwerpt aan mannen, precies zoals het kapitalisme arbeiders onderwerpt aan de belangen van de bezittende klasse. Het huwelijk is het tegenovergestelde van liefde:

Liefde, het sterkste en diepste element in alle leven, de brenger van hoop, van vreugde, van verrukking; liefde, de uitdager van alle wetten, van alle conventies; liefde, de meest vrije, meest machtige vormgever van het menselijk lot; hoe kan zo’n alles roerende kracht synoniem zijn met zo’n miezerige, uit Staat en Kerk ontsproten uitwas als het huwelijk?
(Goldman 1914)

Je zou kunnen zeggen dat Goldmans kritiek vandaag de dag niet meer standhoudt. Het huwelijk is sindsdien grondig veranderd en geëvolueerd van een hoofdzakelijk economisch instituut (een arrangement om geld of land te verwerven) tot een praktijk die juist beleefd en gearticuleerd wordt in termen van het soort romantische liefde dat Goldman ophemelt. Verder is het verband dat zij legt tussen de verhouding tussen man en vrouw en de uitbuiting van arbeiders door het kapitalisme, vandaag de dag minder vanzelfsprekend: vrouwen werken buitenshuis, en mannen doen de afwas. Breder gesproken is de manier waarop wij als samenleving zorgverantwoordelijkheden organiseren volledig veranderd sinds de dagen van de huisvrouw die aan het aanrecht gekluisterd is. We zien een regenboog van nieuwe gezinsvormen die vaste grond onder de voeten vinden. Niet alleen de openstelling van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht in vele landen, maar ook de wettelijke erkenning van alternatieve adoptie- en ouderschapsregelingen, hebben beetje bij beetje een vruchtbare bodem gecreëerd voor gezinnen die niet beginnen en eindigen met het huwelijk tussen een vrouw en een man.

Ik zou echter willen opperen dat het niet zo simpel is. Ondanks onze hedendaagse afstand tot die ouderwetse ‘huwelijkseconomie’ – of misschien dankzij die afstand – is de vraag hoe wij economieën van arbeid, zorg en liefde vormgeven des te pregnanter. Waar het huwelijk in aanzien verloren heeft blijft bijvoorbeeld het gezin, dat eromheen geconstrueerd is, een referentiekader. Het relatief recente fenomeen van relatie-anarchie problematiseert onder andere precies dat overblijvende primaat van het gezin, en biedt een lens waardoorheen we kritisch kunnen kijken naar onze hedendaagse aannames rond liefde en zorg. Zodra we onze liefdesrelaties onder zo’n scherpe loep bekijken, raken we bovendien onvermijdelijk aan wijdere sociale problematieken. Zoals we zullen zien is het gezin, net als het huwelijk, verstrengeld met bepaalde vormen van ongelijkheid en sociale verwaarlozing. In dit essay wil ik u met enkele sprongen meenemen door de lange twintigste eeuw sinds Goldmans uitspraken over liefde, het huwelijk, het kerngezin, en zorg, richting een perspectief dat past bij de eenentwintigste eeuw.

De huishoudelijke productiemethode

Het gezin werd in de negentiende en twintigste eeuw langzaam maar zeker de hoeksteen van het opkomende kapitalisme, aangezien de arbeidskracht er gereproduceerd werd: de arbeider werd er gevoed, gewassen en verzorgd, en er werden kinderen – nieuwe arbeiders – geproduceerd. Tegelijkertijd werd het bij uitstek de plek waarin we liefde en zorg verwachten te vinden. Generaties socialistische feministen hebben daarom het gezin als studieobject centraal gesteld. In 1976, in haar artikel What is Socialist Feminism?, keerde Barbara Ehrenreich zich tegen het economische determinisme van de ‘mechanistische Marxisten’, voor wie het gezinsleven politiek irrelevant was. De uitbuiting die thuis plaatsvond, was volgens deze Marxisten als onbetaalde en dus non-economische arbeid niet fundamenteel genoeg. Deze was hoogstens van secundair belang, en misschien zelfs een schadelijke ‘afleiding’ van een ‘fundamentelere’ politieke agenda. Het socialistisch feminisme vocht voor een breder perspectief. Deze feministische analyses van het gezinsleven zouden bepalend worden voor het begrijpen van de sociale relaties die het kapitalisme begeleiden en ondersteunen.

De in 1884 door Friedrich Engels gepubliceerde tekst De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat bleek nuttig voor het socialistisch feministisch project. De tekst biedt een van de eerste verreikende analyses van hoe het burgerlijke kerngezin onder het kapitalisme de onderdrukking van de vrouw institutionaliseert. Engels stelt dat patriarchale onderdrukking tot stand kwam en wortelschoot tijdens de historische overgang naar het kapitalisme. Bestaande matriarchale maatschappelijke verhoudingen werden daarbij verdrukt.

Engels’ lezing gaat echter al gauw mank. Vrouwenonderdrukking is volgens hem bovenal een effect van het opkomende kapitalisme. In die optiek zou het met vrouwenonderdrukking dan ook vanzelf gedaan zijn, zolang het kapitalisme maar omvergeworpen wordt. Met Engels blijven we met andere woorden binnen wat Ehrenreich ‘mechanistisch Marxisme’ noemt: het karakter en de kwaliteit van menselijke verhoudingen zijn slechts secundaire effecten van de productiemethode van een samenleving. Ze als zodanig bestuderen zou een schadelijke afleiding zijn.

Vrouwen worden uitgebuit door hun huishoudelijke plichten.

Tegen zulke tendensen in hebben socialistische feministen geprobeerd om een plek te verwerven binnen de kritiek op het kapitalisme. Christine Delphy, auteur binnen de Franse traditie van het materialistisch feminisme, populariseerde de term ‘de huishoudelijke productiemethode’: net zoals mannelijke fabriekswerkers uitgebuit worden in een productiemethode buitenshuis, worden vrouwen binnenshuis uitgebuit door hun huishoudelijke plichten. Met dat vertrekpunt zijn er echter evengoed een aantal problemen. Huishoudtaken in een huwelijk zijn natuurlijk niet zomaar hetzelfde als werken voor een loon. En als we brede parallellen trekken tussen patriarchaat en kapitalisme (en in het verlengde daarvan, tussen bijvoorbeeld racisme en kapitalisme), doen we daarmee dan wel recht aan de meer complexe gelaagdheden van onderdrukking?
Een aantal jaar vóór Kimberlé Crenshaws analyse van de juridische aspecten van ‘intersectionaliteit’ legde Angela Davis in Women, Race and Class (1981) al uit hoe uitbuiting onder het kapitalisme nooit eendimensionaal is. Niet alle vrouwen zijn getrouwd met mannen, of überhaupt getrouwd; veel vrouwen werken voor andere vrouwen; en dat in zowel de huishoudelijke sfeer als in het bedrijfsleven, waar men bijvoorbeeld beduidende verschillen begint te zien tussen de posities van witte vrouwen en niet-witte vrouwen in de arbeidersklasse.

Reproductieve arbeid

In plaats van simplistische verbanden te trekken langs identitaire lijnen, is het daarom misschien beter om te kijken naar hoe al deze verschillende vormen van arbeid – betaald dan wel onbetaald – concreet georganiseerd worden binnen het kapitalisme. Met andere woorden, om op klassiek Marxistische wijze de arbeider als arbeider op de voorgrond te plaatsen, maar dan met een breder begrip van ‘arbeid’. Precies deze intentie was zichtbaar in een onlangs opnieuw opgevatte discussie, vooral in de Engelstalige wereld, rondom de theorie van ‘reproductieve arbeid’, ofwel, om het Engelstalig discours te volgen, ‘sociale reproductie theorie’ of SRT (Social Reproduction Theory).

Maar wat is ‘reproductieve arbeid’ precies? Uit de vertaalkwestie valt al op te maken dat het concept meerduidig is. Waar Marx zelf simpelweg sprak van Reproduktion van de arbeidskracht voegt het Engelstalige discours de prefix social toe, waardoor we na kunnen gaan denken over het verband tussen concrete, reproductieve zorgarbeid en de reproductie van ‘het sociale’ in bredere zin.

Sociale reproductie is ten eerste het zorgende werk dat nodig is om de arbeidskracht te verversen. Dit is arbeid die geen goederen produceert, maar die maaltijden op tafel en glimlachen op gezichten brengt. We moeten deze arbeid echter breder zien dan alleen in de huishoudelijke sfeer. Het is arbeid die overal plaatsvindt: binnens- en buitenshuis; betaald en onbetaald; voor de eigen en voor andermans kinderen. Er zijn ziekenhuizen en scholen, naschoolse opvang en leercentra voor volwassenen, grootouders die op de kinderen passen op woensdagmiddag, en betaalde thuiszorg. Dit is een domein van ‘arbeid’ waarin we niet produceren, maar herbronnen en zorg voor elkaar uitvoeren. Breder genomen gaat reproductieve arbeid dus over het in stand houden en verzorgen van de verhoudingen tussen mensen, en over de emotionele arbeid die dat vereist. Tegelijk is sociale reproductie ook juist het domein waarin de rolpatronen en de levensvormen waarin het kapitalisme floreert, in stand gehouden en gereproduceerd worden.

Zulke reproductieve arbeid wordt in economische analyses doorgaans miskend, en die miskenning weerspiegelt hoe onze economieën zulke arbeid vaak onbetaald of structureel onderbetaald laten. Volgens Nancy Fraser schuilt hierin een fundamentele paradox van het kapitalistisch systeem. Het is afhankelijk van reproductieve arbeid om de productieve arbeid mogelijk en leefbaar te maken, maar tegelijk put het die reproductieve arbeidskracht structureel uit. Het hedendaagse kapitalisme vraagt vrouwen om zowel reproductieve als productieve rollen te vervullen. Het bezuinigt waar het kan op het zorgstelsel, en verarmt sociale opvangnetwerken en zorgrollen die geen kapitaal accumuleren. Volgens Fraser leidt dit tot een ‘crisis van zorg’ (waarbij ‘zorg’ breed opgevat moet worden) en die uiteindelijk het kapitalisme zelf in crisis zal storten.

In de inleiding van de bundel Social Reproduction Theory: Remapping Class, Recentering Oppression (2017) duidt Tithi Bhattacharya daarom op het aanhoudende belang van het gezin. Hoewel reproductieve arbeid nagenoeg overal plaatsvindt, vormt het gezin in zekere zin het centrum van deze informele economie en geldt het als de plek bij uitstek, waar wij onvoorwaardelijk zorgen en verzorgd worden. Het gezin zou een veilige haven moeten zijn als de samenleving zelf geen vangnet meer biedt: een veilig toevluchtsoord in een harteloze wereld. Dit is vandaag de dag des te meer het geval, nu we meer en meer een beroep doen op onze informele netwerken om niet afhankelijk te worden van een uitgeholde welvaartsstaat.

We zien echter dat het gezin, zeker onder de druk die er vandaag de dag op gelegd wordt, niet zelden daarin faalt of juist zelf een onveilige plek wordt. We kunnen ons de vraag stellen: kan en moet het kerngezin de rol van een veilig toevluchtsoord wel vervullen? Zouden we, in plaats van het gezin te zien als een warme haard in een ongenaakbare wereld van uitbuiting, niet beter kunnen beginnen met die omgeving zelf minder harteloos te maken?

Relatie-anarchie

Dat is precies waar relatie-anarchie relevant wordt. Het concept lijkt het eerst opgedoken te zijn in 2006, in The Short Instructional Manifesto for Relationship Anarchy van Andie Nordgren. Dit manifest zet een aantal principes uiteen om voorbij vooringenomen regels, afbakeningen en dominante ideeën over relaties te denken, en iedere individuele relatie als zodanig op waarde te schatten. Romantische en seksuele liefde zijn bijvoorbeeld niet inherent belangrijker dan andere relatievormen, zoals vriendschap. Het doel van relatie-anarchistische kritiek is om de nadruk op het romantische koppel weg te nemen, en meer nadruk te leggen op een aantal andere zaken: vrienden, hobby’s, werk, of politieke engagementen. Het manifest claimt: ‘Relatie-anarchie bevraagt het idee dat liefde een schaars goed is, dat slechts van waarde is zolang we het tot een koppel beperken.’ De hoop is als volgt: als we al deze vormen van ons tot elkaar verhouden op waarde schatten, en niet als secundair aan het getrouwde koppel beschouwen, dan gaan we richting een wereld waarin liefde en zorg overvloedig aanwezige levensmiddelen worden.

De inzet is hier om een zekere hiërarchie in relaties te bevragen – vandaar het ‘anarchisme’. Relatie-anarchie nodigt ons uit om de ‘relatie-roltrap’ te vermijden, een term die ik tegenkwam in Het Monogame Drama (2015) van Simone van Saarloos. De conventionele blik ziet relaties als een soort roltrap: er zijn duidelijke regels voor een eerste date, een tweede, en een derde, een verwachtingspatroon voor verloving, huwelijk (en zelfs voor scheiding). Aldoor hebben we min of meer uitgestippelde noties over wat voor verantwoordelijkheden en verplichtingen zouden mogen gelden. Het zou een beetje vreemd zijn om met iemand, met wie je op twee dates bent geweest, mee naar de Eerste Hulp te gaan – maar het zou behoorlijk vreemd zijn om dat niet te doen met iemand met wie je twee jaar getrouwd bent. Het is vanzelfsprekender dat de echtgenote of echtgenoot dat doet dan bijvoorbeeld een vriendin met wie je van tijd tot tijd iets drinkt en wat roddelt.

Zodra je echter van die roltrap afstapt gaat er – zo stelt relatie-anarchie voor – een wereld van mogelijkheden open. Het idee is mogelijkerwijs méér commitment en niet minder – je kunt je toewijden aan wie dan ook in je leven, in welke hoedanigheid dan ook. Dit idee is ergens een Trojaans paard: wat in eerste instantie misschien klinkt als een oproep tot ongebreidelde vrije liefde (alhoewel ook daar niet per se iets mis mee is) is vooral een oproep tot zoiets als vrije zorg. Je toewijdingen bewust kiezen gaat over meer dan dat eerste, overweldigende moment van verliefd worden: het gaat om het zorgvuldig vormgeven daarvan, op een duurzame manier. Het gaat over hoe je gaat blijven zorgen voor elkaar – of niet. Een ander, belangrijk principe is: de éne verwachting impliceert niet noodzakelijk de andere. Dat je samenwoont betekent bijvoorbeeld niet dat je seks hebt, en dat je seks hebt betekent niet dat je op een gegeven moment gaat samenwonen. Zo kun je je uiteindelijk een netwerk van relaties voorstellen waarin je samenwoont en een kind opvoedt met een goede vriend die je primaire logistieke levenspartner is, terwijl je je romantische interesses liever daarbuiten verkent, ver weg van je financiële organisatie en het afwasrooster.

Liefde en politiek

Om naar de kern van dit essay terug te keren: deze verschillende relatiemogelijkheden kun je zien als verschillende manieren om reproductieve, zorgende arbeid te organiseren. En daarmee begint het privédomein van intieme relaties aan het politieke te raken. Relatie-anarchie belicht de heersende verwachtingspatronen over zorg in onze samenleving, en politiseert zo onze reproductieve arbeidsverhoudingen.

Volgens de Duitse anarchist Gustav Landauer bestaat maatschappelijke verandering uit het vervangen van hiërarchische verhoudingen – bijvoorbeeld tussen man en vrouw of tussen staat en burger – door gelijkwaardige en coöperatieve sociale verhoudingen. Intieme relaties kunnen bijvoorbeeld de vorm van non-monogamie of polyamorie aannemen, maar dat hoeft niet per se. Relatie-anarchie bouwt een reproductieve economie van zorgrelaties op vanuit een veelheid van mogelijke liefhebbende relaties, in plaats van de samenleving en de economie rondom het gezin te bouwen. Zo kunnen we beginnen aan het tegemoetkomen van elkaars noden en verlangens op andere, niet-normatieve manieren, en aan de herdefinitie van rollen en patronen die nodig is om reproductieve arbeid te herverdelen.

In Against the Couple-Form (2012), een explosief essay van het feministische collectief Clémence X. Clementine and Associates from the Infinite Venom Girl Gang, geven de schrijvers radicale uitdrukking aan relatie-anarchie. Zij verklaren dat romantische liefde politiek passé is: ‘We moeten afzien van het idee dat romantische relaties een weg zijn richting een betere wereld dan deze.’ In de weigering om de interpersoonlijke horizon te beknotten, en in de verschillende vormen van toewijding die dat vereist, schuilt een betere weg vooruit. Om elkaar geven is, net als verliefd worden, overweldigend. Als we haar zorgvuldig en gezamenlijk vormgeven kan die overweldiging een politieke kracht worden. Waar het tweede golf feminisme ons in de jaren ’70 en ’80 bijbracht dat onderdrukking zich ook manifesteert in onze persoonlijke relaties – met de slogan the personal is political – zien we hier de andere kant van die medaille. Relatie-anarchie stelt voor dat we de manieren waarop wij leven, zorgen en liefhebben gaan zien als het gereedschap waarmee we een betere wereld moeten creëren.

Liefde en zorg bestaan niet alleen in romantische relaties.

Maar wat verandert er nou echt zodra we op een boerderij gaan wonen met onze vijf hechtste vrienden en een paar kippen, in plaats van ‘eindelijk volwassen te worden’ en te trouwen? Wat hebben onze relaties nu te maken met ‘revolutie’? Komen we hiermee niet juist vooral tegemoet aan een wankelende welvaartsstaat die niets liever heeft dan dat we ons in zelfvoorzienende, geatomiseerde ‘bubbels’ terugtrekken? Het antwoord, hoe onbevredigend ook, is ja en nee. Als we ons afsplitsen in onze eigen privédomeinen, ook al zijn die dan gevuld met meer mensen dan in het klassieke gezin, dan zal dat misschien amper een sociaal kantelpunt teweegbrengen. Maar het expliciet maken en bevragen van hoe zorgarbeid uitgevoerd wordt, hoe de verantwoordelijkheid daarvoor verdeeld wordt, en hoe hier specifieke relaties en rollen uit volgen, is een stap in de richting van verandering.

Het huwelijk voorbij, voor iedereen

Moeten we hierom nu het gezin als instituut verwerpen? We zijn ver verwijderd van het onderdrukkende huwelijk uit Goldmans tijd. Wat ooit het exclusieve speelveld van het heteroseksuele koppel was, is almaar inclusiever geworden. Europese campagnes om het huwelijk open te stellen voor paren van hetzelfde geslacht, zoals het onlangs gewonnen referendum in Zwitserland dat in juli 2022 geratificeerd wordt, pleiten voor Ehe für alle – het huwelijk voor iedereen.

Helaas ligt het probleem juist in het feit dat de instituten van het huwelijk en het gezin dat eromheen geconstrueerd is, überhaupt nooit voor iedereen bedoeld waren, en dat wellicht ook nooit zullen zijn. Hoewel hedendaagse verdedigingen van het traditionele gezin en familiewaarden zich baseren op een universele, primordiale of natuurlijke voorkeur voor monogame gezinsstichting, is het getrouwde, monogame burgergezin een product van relatief moderne ideeën en institutionele contexten en van zorgvuldig geconstrueerd beleid. In haar inmiddels klassieke intersectionele analyse Punks, Bulldaggers, and Welfare Queens (1997) laat politicoloog Cathy Cohen zien hoe het kerngezin een veelheid van overlappende uitsluitingen creëert. Het is nooit alleen maar non-normatieve seksualiteit die onderdrukt wordt door de culturele hegemonie van het monogame huwelijk, een instelling die historisch gecodeerd is als wit. Afro-Amerikanen hadden zowel tijdens als na de slavernij geen toegang tot het huwelijk en hun gezinnen werden tot laat in de twintigste eeuw niet erkend als legitiem. Berucht in dit opzicht is het Moynihanrapport uit 1965 uit de Verenigde Staten, waarin huishoudens met één vrouw aan het hoofd gepresenteerd werden als bewijs dat ‘het n****gezin in de stedelijke getto’s aan het afbrokkelen is’. Alle onlust die deze gemeenschappen meemaakten ‘kunnen teruggeleid worden tot deze zwakte in gezinsstructuur’. In de praktijk waren vele van die problemen het resultaat van racistisch beleid dat Afro-Amerikaanse gemeenschappen langzaam uitputte, en dat door het Moynihanrapport alleen maar zou verergeren. Het rapport miskende bovendien dat deze huishoudens vaak ingebed waren in solide zorgverhoudingen binnen de gemeenschap. Maar omdat ze niet aan de norm van het beschaafde witte gezin voldeden werden ze het doelwit van minachtend en racistisch beleid dat ongetrouwde, zwarte en arme vrouwen demoniseerde.

Nieuwe relatievormen zijn nog maar het begin.

Tegelijkertijd breken er, hoewel alternatieve gezinsstructuren nog steeds controversieel zijn, positieve representaties van door. Artikelen over polyamoureuze gezinnen en constellaties van volwassenen in meerdere romantische relaties die samen kinderen opvoeden, duiken de laatste jaren op in de modeartikelen en lifestyle rubrieken van The New York Times en The Guardian. Vaak wijzen zulke artikelen op onderzoek dat – niet zonder reden – aantoont dat zulke gezinsconstructies niet bepaald slechter zijn voor kinderen dan monogame kerngezinnen. De aanwezigheid van een veelheid aan liefhebbende volwassenen kan zelfs voordelen hebben.

Zulke artikelen presenteren evenwel meestal witte families uit de midden- of hogere middenklasse. Terwijl dat niet per se representatief is voor de daadwerkelijke demografie van alternatieve zorgconstellaties, is die verhoogde zichtbaarheid ook niet geheel zonder reden. Het construeren van zulke gezinnen-buiten-de-norm kost tijd en geld, en vereist zowel financieel als sociaal-cultureel kapitaal, of toegang tot zwangerschapstechnologieën, waarbij men vaak moet reizen om restrictieve wetgeving te omzeilen. Bovendien moet de wettelijke bescherming die het gangbare huwelijk met één enkele handtekening verzekert, gezocht worden in gecompliceerde, alternatieve legale arrangementen.

Het is ook opgemerkt dat de normen rondom communicatie en emotionele intelligentie in gemeenschappen die zich met relatie-anarchie en non-monogamie bezighouden, de neiging hebben om klasse-onderscheiden te versterken. Terwijl het ‘juiste’ (lees: academisch getinte) vocabulaire dat in zo’n setting vereist is voor de open en oprechte communicatie in theorie het doel van non-hiërarchie dient, kan ze in de praktijk een barrière tot deelname vormen. Dit alles creëert een scherpe kloof tussen degenen wiens alternatieve zorgmodellen in een goed daglicht komen te staan en als progressief gerepresenteerd kunnen worden in de media, en diegenen die op verschillende manieren als afwijkend worden gezien.

Hoe dat ook moge zijn, zulke mediatisering zou zelfs maar een enkele generatie terug onmogelijk zijn geweest. Dat toont aan dat sommige van de veranderingen die ik hier bepleit reeds onderweg zijn. Desalniettemin horen mensen die buiten gangbare relatienormen om leven, bijvoorbeeld in een polyamoureuze setting, vaak nog dingen als ‘Oh, dat zou ik nooit kunnen doen, ik zou te jaloers worden’, of ‘Dat lijkt me erg onpraktisch’. En vaak is het ook onpraktisch en moeilijk, doordat we in een wereld leven die hiërarchisch georganiseerd is. De mate van comfort waarmee we zorgdragen voor elkaar wordt gereserveerd voor specifieke culturele en legale vormen, waaronder ten eerste het huwelijk. Dat is ook waarom ‘het huwelijk voor iedereen’ bijval vindt, en waarom zulke campagnes vaak de nadruk leggen op het feit dat de mensen die ervoor vechten simpelweg willen wat ‘iedereen al heeft’. Wie zou er niet een makkelijker leven willen? Wie zou het iemand anders niet gunnen?

Dit is waar relatie-anarchie wellicht een meer genuanceerd antwoord kan bieden. In plaats van te zeggen dat de strijd voor ‘het huwelijk voor iedereen’ goed of slecht is, stipt relatie-anarchie aan dat het huwelijk niet genoeg is, wie er dan ook in geïncludeerd moge worden. Relatie-anarchie dwingt ons om te vragen waarom het huwelijk de makkelijkste weg is om zorg voor elkaar te dragen. Waarom wordt het makkelijker om een kind op te voeden na het tekenen van een huwelijkscontract? Waarom wordt het moeilijker om duurzame, zorgdragende relaties te construeren en te onderhouden, naarmate je verder afstaat van het witte, gegoede, heteroseksuele, monogame en romantisch getrouwde middenklassengezin?

Vanuit dit perspectief wordt het doel niet alleen om het instituut van het kerngezin te veranderen, bijvoorbeeld door het open te stellen voor meer mensen, maar om de verhouding tussen het gezin en de rest van de maatschappij te veranderen. Relatie-anarchie laat zien hoe onze gezinnen en andere relatievormen ingebed zijn in een complex sociaal, economisch en legaal weefsel. Het éne aspect veranderen zonder het andere is ontoereikend. We moeten transformaties in hoe we leven en liefhebben leren zien als verstrengeld met vele andere strijden, die in het standaarddebat over gelijkheid-voor-het-huwelijk meestal niet aan bod komen. En als we Nancy Frasers analyse serieus nemen, dan raakt dit hervormen van onze reproductieve arbeidsverhoudingen direct aan die van de productieve economie. Beter nog: het nodigt ons uit om de scheidslijnen tussen ‘reproductieve’ en ‘productieve’ economieën te bevragen, en naar een duurzamere, minder op uitbuiting gebaseerde constellatie toe te werken.

Als anarchisme het vervangen van hiërarchische relaties door non-hiërarchische is, zoals Landauer claimt, kunnen we beginnen met het veranderen van de hiërarchie van comfort die het kerngezinmodel vooralsnog oplegt. Simpelweg het huwelijk weigeren zal amper het patriarchaat, racisme, of het kapitalisme raken. Maar vanuit relatie-anarchie bezien zou het een begin kunnen zijn van het bouwen van een betere wereld, en van de weigering om die van vandaag te reproduceren.

Literatuurlijst

  • Bhattacharya, T. (2017), Introduction: mapping social reproduction theory. In: T. Bhattacharya (red.), Social reproduction theory: remapping class, recentering oppression. Londen: Pluto Press.
  • Cohen, C. (1997), Punks, bulldaggers, and welfare queens. In: GLQ, vol. 3 nr. 4: 437–465.
  • Davis, A. (1983), Women, race, and class. New York: Vintage Books.
  • Ehrenreich, B. (1976), What is socialist feminism? In: Working papers on socialism & feminism. Chicago: New American Movement
  • Engels, F. (1884), De oorsprong van het gezin, van het particuliere eigendom en van de staat. Amsterdam: Uitgeverij Pegasus.
  • Fraser, N. (2017), Crisis of care? On the social-reproductive contradictions of contemporary capitalism. In: T. Bhattacharya (red.), Social reproduction theory: remapping class, recentering oppression. Londen: Pluto Press.
  • Goldman, E. (1914), Marriage and love. New York: Mother Earth Publishing.
  • Nordgren, A. (2006), The short instructional manifesto for relationship anarchy. Beschikbaar op www.theanarchistlibrary.org.
  • Van Saarloos, S. (2015), Het monogame drama. Pleidooi voor multi-intimiteit. Amsterdam: De Bezige Bij.
  • Clémence X. Clementine and Associates from the Infinite Venom Girl Gang (2012), Against the couple-form. In: LIES Journal, vol. 1. Beschikbaar op www.liesjournal.net

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.