Home Politiek van vernedering

Politiek van vernedering

Door Sjaak Koenis op 25 november 2001

09-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

De joodse denker Avishai Margalit weet hoe gevaarlijk het is als een samenleving mensen categorisch buitensluit. Maar streven naar rechtvaardigheid is niet voldoende om vernedering, wrok en frustratie tegen te gaan. Een staat moet fatsoenlijk zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


‘Vernedering’ en ‘respect’ zijn concepten met een grote emotionele mobilisatiekracht. Ze sluiten naadloos aan bij de roep om erkenning van wat een individu of groep als zijn identiteit beschouwt. Dit maatschappelijk verschijnsel lijkt kenmerkend te zijn voor de laatmoderne tijd waarin wij leven. De traditionele emancipatiepolitiek van religieuze en politieke gezindten, die in ons land verbonden is met de opbouw en vestiging van de verzorgingsmaatschappij, heeft plaatsgemaakt voor wat Anthony Giddens de betrokkenheid bij ‘levenspolitieke kwesties’ heeft genoemd. Dit zijn maatschappelijke vraagstukken die te maken hebben met de risico’s en gevaren van moderne technologie en globalisering, met de vormgeving van lichaam en cultuur, en met de erkenning van culturele en subculturele identiteit. Dit betekent niet dat mensen nu allemaal gelijk zijn geworden, of dat het rijk van de vrijheid is aangebroken, of dat de verzorgingssamenleving onomstreden is. Het betekent wel dat erkenning en respect – en de tegenpolen hiervan: miskenning en vernedering – heel belangrijk zijn geworden in de politiek.
Filosofen als Axel Honneth en Charles Taylor stellen dat de ‘politiek van erkenning’ al veel langer de motor van maatschappelijke veranderingen is. De arbeidersbeweging, het feminisme, de homobeweging, de strijd tegen koloniale onderdrukking; in al deze gevallen gaat het om erkenning en respect. Dit mag dan zo zijn, maar nieuw is toch dat politieke verlangens en ervaringen verwoord worden in het vocabulaire van ‘erkenning van identiteit’, en dat de overheid de belangrijkste aangesprokene is. De ervaring van vernedering en respectloze behandeling is waarschijnlijk zo oud als de mens zelf, maar in het publieke debat krijgen respect en erkenning pas de laatste jaren hoge prioriteit. Hieraan wordt bijgedragen door sociale bewegingen; door migrantengroepen die om respect voor hun cultuur vragen; Molukkers die zich vernederd voelen door de Nederlandse regering; andere repatrianten uit Nederlands-Indië, die begrip willen voor hun lijden in de Japanse kampen; de Nederlandse soldaten die moesten vechten in een vuile oorlog; de joden die de oorlog overleefden om te ontdekken dat ze niet welkom en vaak zelfs bestolen waren. A1 deze groepen vragen om erkenning en respect. Dat doen overigens ook revanchistische groepen zoals taxichauffeurs, semi-criminele organisaties als de Hells Angels, of religieuze fundamentalisten die de opvoering van controversiële toneelstukken zoals Aisja en de vrouwen van Medina onmogelijk maken. Op het breukvlak van de oude en de nieuwe eeuw zijn vraagstukken van respect en erkenning misschien wel de politieke kwesties bij uitstek geworden.

De fatsoenlijke samenleving van Margalit is er niet een waar een premie staat op slachtofferschap. Het is een samenleving waarin geen instituties zijn die mensen vernederen


Hoewel velen zich vernederd en slachtoffer voelen en zoeken naar erkenning en respect, dreigt het gevaar dat politieke discussies hierover ontaarden in lippendienst en het doelloos verplaatsen van lucht. Van dit gevaar is Avishai Margalit zich bewust bij het schrijven van zijn in 1996 verschenen The Decent Society. Zijn fatsoenlijke samenleving is er niet een waar politieke correctheid tot kunst is verheven, of waar een premie staat op slachtofferschap. En het is zeker geen maatschappij van fatsoensrakkers. Het is een samenleving waarin geen instituties zijn die mensen vernederen. Wat bedoelt Margalit met vernedering? Waarom is het voorkomen van vernedering belangrijker dan het stimuleren van respect? Waarom zouden mensen zich vernederd voelen? Hoe verhoudt een fatsoenlijke samenleving zich tot een beschaafde en rechtvaardige? Deze vragen staan centraal in de politieke filosofie van Margalit.

Intifada
In het voorwoord van The Decent Society schrijft Margalit dat hij al veel langer bezig is met de kwestie van de fatsoenlijke samenleving. In een gesprek over Rawls’ theorie van rechtvaardigheid had zijn leermeester en vriend Sidney Morgenbesser opgemerkt dat het urgente probleem niet de rechtvaardige maar de fatsoenlijke samenleving is. Deze stelling maakt grote indruk op Margalit en blijft hem jarenlang bezighouden. Hoe belangrijk eer en vernedering in het leven van mensen kunnen zijn, leert hij niet alleen uit zijn onderzoek naar de Holocaust, maar ook door gesprekken met Palestijnen uit de bezette gebieden in de dagen van de Eerste Intifada, en met nieuwe joodse immigranten uit de voormalige communistische landen. De complexe geschiedenis van het joodse volk en het politieke conflict tussen Israël en de Palestijnen vormen voor deze Israëlische filosoof de achtergrond waartegen zijn ideeën over respect en vernedering zijn gerijpt.
Ondanks de heldere stijl waarin The Decent Society geschreven is, is het geen eenvoudig boek. Veel toegankelijker zijn de essays die Margalit sinds ruim tien jaar voor de New York Review of Books schrijft over politiek en cultuur in Israël. Uit deze essays blijkt hoezeer deze als analytisch filosoof opgeleide denker steeds betrokken is geweest bij de alledaagse (en minder alledaagse) politiek van Israël. Deze betrokkenheid werd ook gevoed door het gezin waarin Margalit is opgegroeid. ‘We hadden’, zo schrijft hij in het voorwoord van de boekuitgave van deze essays (Views in Review, Politics and Culture in the State of the Jews (1998) ‘politiek als ontbijt, lunch en avondeten.’ En met politiek bedoelt hij dan niet alleen politieke ideeën en idealen, wat men bij een filosoof misschien zou verwachten, maar ook de politieke praktijk van alledag die gekenmerkt wordt door intriges en machtsstrijd tussen leiders en groepen. Zo schrijft Margalit uitvoerig over vrijwel alle belangrijke politieke leiders van Israël zoals Ariël Sharon, Yitzhak Shamir, Menachem Begin, Yitzhak Rabin, Shimon Peres, Benjamin Netanyahu en Ehud Barak Wat opvalt is hoe belangrijk het leger in Israël tot op de dag van vandaag is: vrijwel al deze leiders hebben vanuit een toppositie in het leger de sprong naar de politiek gemaakt en ontlenen een belangrijk deel van hun gezag aan hun prestaties in het leger. Dat niet iedere geslaagde legercommandant een geslaagd politicus genoemd kan worden, maakt Margalit op subtiele wijze duidelijk in een artikel over Barak.

De vernedering zit niet louter in het grote politieke onrecht, maar vooral in de alledaagse beledigingen en pesterijen



De voor de thematiek van respect en vernedering interessantste essays gaan over de lotgevallen van oriëntaalse joden en de Palestijnen. In Ehud Barak and the Penance of the Labor Party vraagt Margalit zich af waarom oriëntaalse joden, die in de jaren vijftig en zestig massaal naar Israël emigreren, zo’n enorme afkeer krijgen van de Arbeiderspartij. De vernedering die zij voelen houdt niet alleen verband met de neerbuigende manier waarop deze joden door de uit Midden- en Oost-Europa afkomstige leiders van de Arbeiderspartij werden bejegend; de toenmalige regering van de Arbeiderspartij onderwierp hen bijvoorbeeld aan ontsmetting met DDT. Het heeft volgens Margalit ook te maken met de huisvestingspolitiek voor deze immigranten. Ze worden in de eerste fase van de immigratie in doorgangskampen ondergebracht en daarna definitief gehuisvest in ontwikkelingssteden als Netivot en Ofakim. Met name Marokkaanse joden komen in deze steden terecht waar ze veroordeeld zijn tot een armzalig leven met weinig uitzicht op verbetering. Ook onder Jemenitische joden leeft veel wrok. Zij geloven dat honderden van hun baby’s in de jaren vijftig gestolen zijn om geadopteerd te worden door de voormalige Europese (Asjkenazische) joden. Dit gebeurde volgens de slachtoffers met medeweten en actieve ondersteuning van door de Arbeiderspartij gecontroleerde staatsinstellingen, politie, rechtbanken en ziekenhuizen. Yigal Amir, de moordenaar van Rabin, komt niet toevallig uit de Jemenitische gemeenschap. Ook al deze negatieve ervaringen zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van zoiets als een oriëntaalse identiteit, die gedeeld wordt door uiteenlopende groepen joden uit Jemen, Marokko, Irak en van elders. Ze delen niet dezelfde herkomst – behalve dat geen van hen een Asjkenazische (lees in de Israëlische context: westerse) achtergrond heeft – maar wel dezelfde ervaringen in Israël. De gedeelde negatieve ervaringen leiden tot een negatieve identiteitsvorming die gebaseerd is op afkeer van de Arbeiderspartij en ook op de afkeer van de voorstanders van een vredespolitiek. Zij worden gezien als vrienden van de Arabieren. Deze coalitievorming brengt mede in 1977 de Likud partij aan de macht onder leiding van Menachem Begin. Sinds die tijd heeft de Arbeiderspartij de absolute macht in Israël niet meer terug kunnen winnen, maar dat betekent niet dat ze alle macht heeft verloren. Zij heeft volgens Margalit het vermogen behouden om te beledigen: van elite met werkelijke macht wordt de Arbeiderspartij in de eerste plaats een prestige-elite, die met name bij oriëntaalse joden veel wrok blijft oproepen. Deze wrok is volgens Margalit geen botte haat maar een morele emotie; een gevoel van verontwaardiging over wat als onrecht is ervaren. Het zijn vooral zulke morele emoties die Margalit in The Decent Society in begrippen wil vangen. Daarmee wil hij zich niet als woordvoerder van deze oriëntaalse joden opwerpen. Of hun verontwaardiging terecht is, is natuurlijk geen onbelangrijke kwestie, maar doorslaggevend is dat ze hun verleden en actuele positie op een bepaalde manier begrijpen.

Paternalisme
De geschiedenis van de Palestijnen is ook doordesemd met wrok en frustraties. Op dit moment beleven we de Tweede Intifada, die in vergelijking met de Eerste Intifada waar Margalit in zijn essay Understanding the Intifada over schrijft, meer op een burgeroorlog dan op een opstand lijkt. Het essentiële punt is volgens Margalit dat het verhaal van de bezetting en opstand er een is van vernedering en eer. Het is een politiek conflict tussen deugden en ondeugden, niet tussen belangen. Hij citeert de Israëlische schrijver David Grossman die nog voor het uitbreken van de Eerste Intifada door de bezette gebieden reist om Palestijnen te interviewen. ‘Waarom’, zo vraagt hij aan een Palestijnse advocaat, ‘is het zo gemakkelijk om jullie eronder te houden? Hoe is het mogelijk dat wij bijna zonder een centje pijn meer dan anderhalf miljoen Arabieren onder de duim houden?’ De advocaat antwoordt dat het geen moeite kost om een gemeenschap onder de duim te houden die zo gewend is aan paternalisme dat de mensen niet eens meer vragen wie de orders geeft. ‘We accepteren autoriteit zo vanzelfsprekend dat we niet eens meer de vernedering en schaamte herkennen die dit met zich meebrengt.’ Volgens Margalit heeft deze advocaat gelijk wat betreft de acceptatie van autoriteit, maar niet met zijn veronderstelling dat mensen die onderdrukt worden zich niet ten diepste vernederd kunnen blijven voelen. Met name de jongere Palestijnen, die in de Israëlische samenleving zijn opgegroeid en Hebreeuws spreken, kunnen volgens Margalit vernedering herkennen als ze eraan onderworpen worden. Zij vergelijken zich veel meer met Israëlische leeftijdgenoten dan met Arabische jongeren. De Israëlische bezetting is volgens Margalit ten diepste vernederend: niet alleen de leden van de diverse Palestijnse organisaties zijn vijanden, maar elke Palestijn. De vernedering zit ook niet louter in het grote politieke onrecht, maar vooral in de alledaagse beledigingen en pesterijen. ‘Waarom’, zo citeert de eerder genoemde Grossman een Palestijn, ‘moeten ze me bij een wegblokkade vernederen voor de ogen van mijn kinderen die kunnen zien hoe de soldaten hun vader uitlachen en dwingen om uit de auto te gaan?’

Binnenkort verschijnt Fatsoen als maatstaf, een bundel over het werk van Avishai Margalit, bij uitg. Boom