Home Politiek op de Tempelberg

Politiek op de Tempelberg

Door Leon Heuts op 22 januari 2013

06-2002 Filosofie magazine Lees het magazine

De Israëlische filosoof Moshe Halbertal is een vriend van de Palestijnen, maar vindt dat Arafat weg moet. De Palestijnse leider misbruikt de religieuze wanen van fanatici en maakt zich daarmee schuldig aan het grootste politieke kwaad: de vermenging van religie en politiek. Een gesprek over de grens tussen God en mens, de diepe verbondenheid van islam en jodendom en laffe Europese intellectuelen. “Afarat ain’t Mandela”.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In een auto, op weg van het groene Brabantse dorp Oisterwijk – nabij Tilburg –  naar Schiphol, schetst Moshe Halbertal de afstanden. De strook mediterrane land waar Israëli’s en Palestijnen decennialang een even onmogelijke als gedwongen pas de deux uitvoeren, meet afstanden die niet groter zijn dan die tussen Tilburg en Amsterdam. “Een terrorist die ergens in de Palestijnse gebieden ‘s ochtends zijn bed uitstapt, kan ‘s middags dood en verderf zaaien in Tel Aviv.”

Moshe Halbertal doceert filosofie en joodse gedachtegoed aan de Hebrew University in Jeruzalem en is verbonden aan het Shalom Hartman Institute dat streeft naar wederzijds begrip tussen de joodse en andere religies. Deze ochtend zit hij, voordat hij naar Schiphol vertrekt, in de salon van het Oisterwijks hotel De Swaen. Vóór de salon wandelt een internationale elite van denkers en schrijvers de straat op, tussen de ochtendwinkelaars. Michael Ignatieff, John Coetzee, Mario Vargas Llosa, Daniel Goldhagen, Leszek Kolakowski, als laatste Roger Scruton – in beige jas en met rollende samsonite – stappen in de bus die hen naar Schiphol zal brengen. Eén dag eerder spraken en discussieerden ze over het kwaad, dit jaar het thema van de Nexus-conferentie op de Tilburgse universiteit.

Een thema dat het veelvuldig geprezen cultureel instituut Nexus ligt. Het instituut presenteert zich ondermeer als hoeder van klassieke idealen, de geestelijke aristocratie. Hoe nodig en nobel ook, is een zekere cultuurpessimistische trek daarbij al even klassiek. Vanaf Plato voelt de verheven geest zich in zijn streven naar zedelijkheid en wijsheid voortdurend bedreigd door het kwaad, in de vorm van opkomende massacultuur, geestelijke vervlakking of – nu uiterst actueel – extremisme.

Moshe Halbertal is, gegeven de last van het zware thema, een prettige verschijning op de conferentie. Hij bespreekt het boek Job, zegt tegen het publiek dat hij het in het Hebreeuws gaat voorlezen. En ziet ervan af met de woorden: “Dat zou pas echt het ultieme kwaad zijn”. Desondanks kan juist hij – docerend in Jeruzalem, in een land dat bijna wekelijks, soms dagelijks,  zucht onder zelfmoordaanslagen – niet uit onder de ontwrichtende werking van het kwaad. “Het lijden van Job laat zien wat er met mensen gebeurt die voortdurend met het kwaad worden geconfronteerd. Zij raken verbitterd en cynisch en slepen elkaar in hun wantrouwen mee in een oneindige geweldsspiraal.” Ook kritische denkers zijn in Israël onlosmakelijk verbonden met een propaganda-oorlog, zegt Halbertal de volgende dag.  Dat geldt ook voor hem, geeft hij toe. Ook al is hij een ‘friend of the Palestinians’ en vindt hij een zelfstandige Palestijnse staat – mét de grenzen van voor 1967 – een absolute noodzaak. In de voortdurend gemobiliseerde staat Israël is ook hij een ‘soldier’ die waarschuwt Israël niet te veel te tarten. Hij spreekt in ‘wij’ en ’zij’ – de Arabieren. Het land heeft de militaire macht om heel hard terug te slaan tegen diegenen die zijn soevereiniteit bedreigt. En dat is terecht. “Alleen door onze militaire kracht bestaan wij nog. Als wij zwak zijn, zijn we binnen in één dag vernietigd. Dat is de waarheid.”  Maar los van alle propaganda meent hij op grond van rationaliteit en juist omdat hij het streven van het Palestijnse volk naar zelfstandigheid onderschrijft – alleen al uit eigenbelang – felle kritiek te kunnen geven op Arafat. Zijn conclusie: “Hij moet weg.”
 
Halbertal vestigt zich als één van Israëls meest vooraanstaande intellectuelen met het boek Idolatry (1992), dat hij schreef met de invloedrijke politieke denker Avishai Margalit. Het ultieme politieke kwaad is volgens Halbertal een politiek leider die zichzelf goddelijke kwaliteiten toedicht, en daarmee een afgod wordt. Politiek en religie vormen een gevaarlijk cocktail als een politicus verlossingspolitiek gaat bedrijven. “Iedere samenleving kent een distributieprobleem – hoe de beschikbare goederen eerlijk te verdelen onder de burgers? Diverse ideologieën geven verschillende oplossingen. Liberalen zeggen ‘laat het over aan de markt’, socialisten leggen de nadruk op een herverdelende overheid. Die oplossingen zijn nooit zaligmakend, maar voorkomen de ergste onrechtvaardigheid. Een politicus die daarentegen een absolute oplossing pretendeert te hebben, die meent dat hij die distributieproblemen voor altijd zal voorkomen, overstijgt de menselijke mogelijkheden. Hij waant zich God. Daar begint de afgoderij.”

Het is niet toevallig dat met name de twintigste eeuw politieke systemen kent die uit een dergelijke zelfoverschatting zijn voortgekomen. “Hoewel het Nietzsche absoluut niet valt te verwijten”, meent Halbertal dat Nietzsches aankondiging van de dood van God – de ‘ontmaskering’ van het monotheïsme als levensvijandig – daartoe de deur opende. “Monotheïsme kan gewelddadig en intolerant zijn, zoals Nietzsche heeft aangetoond. Maar het heeft één voordeel: bij een monotheïstische godsdienst is de scheidslijn tussen mens en God ondoordringbaar. Een mens die deze lijn desondanks probeert te overschrijden en daarmee Godgelijk probeert te zijn, begaat een zware zonde. Dat leert een lange bijbelse traditie, die start bij de verdrijving uit het Paradijs. Politieke systemen als het fascisme en het marxisme pretendeerden verlossing op aarde mogelijk te maken door alle distributieproblemen voorgoed op te lossen. Hitler deed dat door een oorlogseconomie te scheppen, waarin geen werkeloosheid meer bestond, en dwong daarnaast absolute verbondenheid en loyaliteit van de burger aan de staat af. Het marxisme creëerde een fantasie van ongelimiteerde bronnen. Het probleem is dat dergelijke regimes door die fantasieën ongelooflijk wreed zijn. In hun streven een utopie te verwezenlijken is het toelaatbaar mensen te offeren.”
 
Offeren – een woord met een januskop. Het kan waardevol zijn binnen duidelijk afgebakende liturgie. Als politiek en religie door elkaar gaan lopen, is het echter dodelijk. In Israël offeren religieuze fanatici hun eigen leven en maken daarbij vele slachtoffers. Palestijnse zelfmoordenaars denken Allah’s wil te verwezenlijken – een religieuze waan terwijl de strijd tussen Israëli’s enerzijds en Palestijnen en Arabische staten anderzijds eigenlijk een zuiver politieke aangelegenheid is. Halbertal: “Het gaat ten eerste om een grensconflict tussen ons en Arabische staten als Syrië, Egypte en Jordanië. Ten tweede is er een conflict tussen Israëli’s en Palestijnen over land. Dat zijn politieke issues, die door onderhandelingen en compromissen zijn op te lossen. De feiten tonen dat aan: er is een vredesverdrag met Egypte en Jordanië. We onderhandelen met de Syriërs over de Golanhoogte. Ons geschil met de  Palestijnen willen we geleidelijk oplossen door bijvoorbeeld de Oslo-akkoorden. Er zat schot in het oplossen van beide conflicten.” Maar dan doemt een derde conflict op. Voor politici onoplosbaar, want het gaat hier om religieuze symbolen: de Tempelberg en de heilige stad Jeruzalem. Halbertal: “Over het religieuze valt geen politieke compromis te bereiken. Het religieuze is ondeelbaar. Wat nu gebeurt is dat hierdoor alles in het religieuze wordt getrokken. De grens tussen politiek en religie wordt overschreden – met desastreuze gevolgen.”
Politieke leiders overschrijden de grens uit louter instrumentele overwegingen. Ze misbruiken daarmee het religieuze – het ultieme politieke kwaad. Sharon maakt er zich schuldig aan; zijn provocerend bezoek twee jaar geleden aan de Tempelberg – door moslims vereerd als het Haram el Sharif (het nobele heiligdom) – is een duidelijk voorbeeld. Maar Halbertal richt zijn pijlen voornamelijk op Arafat. “Arafat is er zeer gedreven in om het islamitisch fundamentalisme als een werktuig tegen de Israëli’s te hanteren. De overheid van iedere staat zou het monopolie op geweld moeten hebben, om anarchie te voorkomen, maar Arafat weigert dat te doen. Hij laat ruimte voor religieuze groeperingen als Hamas en Jihad en opent zo, als het hem uitkomt, Pandora’s doos. Maar hij begrijpt niet dat hij daardoor een apocalyptische macht ontketend die hij zelf niet in de hand heeft. Het religieuze werktuig groeit uit tot een monster dat het conflict gaat beheersen. Uiteindelijk draait alles alleen nog maar om religie.”
 
De logica van de religieuze fundamentalist is dat als een plaats heilig voor hem is, de plek zelf ook van hem is. Maar volgens Halbertal kan je op het heilige geen territoriale aanspraken maken. Een oplossing over het gebruik van heilige plaatsen zou niet door politieke, maar religieuze leiders moeten worden gezocht. “Helaas is er nauwelijks dialoog tussen joodse – en moslimleiders. We missen hier een grote kans. Nu misbruiken politieke leiders fanatici. Daarmee snijden ze zichzelf in de vingers. Fanatici willen geen twee-statenoplossing, ze willen sowieso geen staten. Ze willen één islamitische staat – of anders zelfmoord en het vernietigen van zoveel mogelijk joden.”
Halbertals kritiek op Arafat is bitter. “Hij is een pyromaan – hij speelt met vuur. Iemand die chaos creëert uit puur strategische motieven. Ik zou geen enkele morele wroeging hebben als hij werd verjaagd. Hij verdient het, onder andere, omdat hij voortdurend bezig is Israël te provoceren. Door religieuze fanatici niet aan te pakken, hoopt hij op militaire interventies in de Palestijnse gebieden, zodat de internationale opinie op zijn hand zou zijn. Hij heeft belang bij het in stand houden van het conflict. Hij wil geen enkel compromis aanvaarden, denk maar aan zijn weigering Baraks verregaande vredesvoorstel in Camp David te aanvaarden. Hij dacht dat Barak zwak was, en dat hij alles kon bereiken, ook het onmogelijke zoals het recht van terugkeer van Palestijnen uit de vluchtelingenkampen. De zwakte van Israël bleek volgens hem ook uit de terugtrekking uit Libanon. In zijn hart minacht Arafat de democratie. Volgens hem zijn democratieën verdeeld , verwend en materialistisch.” En dat terwijl de ware bondgenoot van de Palestijnen de goede wil van de Israëli’s is, aldus Halbertal. “Natuurlijk hebben ook wij grote fouten gemaakt. De nederzettingenpolitiek is er daar één van. Het kiezen van havik Sharon een andere. Toch blijkt uit polls dat een grote meerderheid van de Israëli’s bereid is tot grote compromissen om vrede te bereiken, zoals voorgesteld in het recente Saoedisch vredesplan. Maar zolang Palestijnse machthebbers geen serieuze poging ondernemen om iets te doen aan de zelfmoordaanslagen, zal Sharon de volgende verkiezingen winnen met 80 procent of meer. Er zal nooit een compromis worden bereikt onder de druk van terroristen. Palestijnen hebben daarmee de Israëlische opinie geheel in handen. Israël zal een gematigd leider kiezen als de Israëli’s merken dat Palestijnse politici het geweld proberen te bezweren. Het wordt nog wranger omdat óók een meerderheid van de Palestijnen bereid is tot het sluiten van compromissen in ruil voor vrede en een zelfstandige staat. Ook als die vrede onrechtvaardig is, omdat bijvoorbeeld wordt afgezien van het recht op terugkeer. Maar men vertrouwt de ander niet. Daardoor neemt het geweld van de minderheid apocalyptische vormen aan, terwijl de meerderheid vrede wil.”
 
De patstelling zou ondermeer moeten worden doorbroken door intellectuelen, beaamt Halbertal, maar die laten het afweten. “We zijn getuige van een intellectueel bankroet.” Israëlische intellectuelen zoeken geen contact met Palestijnse denkers, terwijl die laatsten uitsluitend in de rol van slachtoffer kruipen, in plaats van de moed te hebben toe te geven hoeveel macht de Palestijnen hebben op de Israëlische publieke opinie. Of ze sluiten zich aan bij het Arabische visioen dat Israël de machtige kolonisator is – en de strook land die ze bezetten de open wond van de Arabische ziel is. Maar Halbertals kritiek spaart ook de “linkse Europese elite” niet. Men veroordeelt Israël zonder op de hoogte zijn van de feiten. Men zegt dat Israël zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden. Halbertal: “Bij de laatste bezetting van Jenin vielen vijftig Palestijnse doden, en dat waren allemaal strijders. Geloof me, als we willen is Jenin binnen een minuut vernietigd. We doen het niet, het zou een oorlogsmisdaad zijn. Hoeveel Westeuropese democratieën zouden hetzelfde geduld opbrengen als zij iedere dag te maken zouden hebben met aanslagen die het leven kost aan vrouwen en kinderen? Terwijl ze weten vanuit welke plek de terroristen opereren? Ik weet wat Frankrijk op zijn geweten heeft tijdens de Algerijnse oorlog.  Maar Arafat is voor de Europese elite een held, overigens ook omdat Sharon zo stom is het symbool van zijn macht – zijn paleis – aan te vallen. De Palestijnse vlag die Gretta Duisenberg aan het balkon van haar huis hing is wat dat betreft illustratief. Ik vind het prima dat ze die vlag daar neer hangt, maar hang er een Israëlische vlag naast. Dat zou pas echt een statement zijn. Maar dit is de blinde vlek van veel Europeanen. In plaats van te eisen dat Arafat zijn kaarten open legt en de zelfmoordaanslagen daadwerkelijk bestrijdt, noemen ze hem een martelaar. Geloof me, Arafat ain’t Mandela.”
 
Schiphol, de gate van El Al, uit veiligheidsoverwegingen achteraan het vliegveld. Halbertal mijmert over de overeenkomsten tussen de islam en het jodendom. Hij praat over de historische wortels van zijn denken: het werk van Maimonides, de middeleeuwse joodse filosoof en schriftgeleerde. “Maimonides was er zeer beducht op dat de mens zichzelf geen goddelijke pretenties toeschrijft. Met name het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan God is daarbij een grove overschrijding van de grens tussen mens en God. Dat is pure narcisme. De mens aanbidt zichzelf”, aldus Halbertal. Dergelijke narcistische fantasieën beheersen het Israëlisch-Palestijns conflict. Zelfmoordenaars blazen zich op in een drukke bus, omdat ze ervan overtuigd zijn te handelen volgens God’s wil.
En dat terwijl ook binnen de islam het  principieel onmogelijk is om God te vangen in woord en – met name – beeld.  “Het is bijna ironisch te noemen”, zegt Halbertal, “dat het jodendom en de islam op vele punten innig met elkaar zijn verweven.” Je ziet dat in een gedeelde opvatting over het esthetische – in moskeeën en synagogen staat de leegte boven het symbool,  het symbool boven het beeld.  Het is daarom zo onvoorstelbaar tragisch, aldus Halbertal, dat het conflict tussen Palstijnen en Israëli’s een religieuze oorlog is geworden. “The saddest part of all is that we are both worshipping the same God.”