Home Mens en techniek Petran Kockelkoren: ‘Techniek is zo mythisch als maar kan’
Mens en techniek

Petran Kockelkoren: ‘Techniek is zo mythisch als maar kan’

Door Maurice van Turnhout op 26 juni 2019

Petran Kockelkoren: ‘Techniek is zo mythisch als maar kan’
07-2019 Filosofie magazine Lees het magazine


Beeld: Merijn Doomernik

Hoe rationeel je de wereld ook aanharkt, achter je rug schieten de mythen als onkruid uit de grond, betoogt filosoof en cultureel antropoloog Petran Kockelkoren. Ook nu nog. En dat is maar goed ook, want we kunnen niet zonder.

Het interieur van de woning van Petran Kockelkoren, gelegen aan een achttiende-eeuws hof in hartje Utrecht, oogt als dat van een mythisch pakhuis. Planken en vitrinekasten puilen uit van ­verzamelde archeologische vondsten. Kockelkoren wijst op dansende Ganesha’s uit India, hemelschijven van jade uit China, een beeldje van Gretchen uit de Faust-mythe. ‘Die zijn hier ondersteunend aanwezig als ik aan het werk ben.’

Uit een van de vitrinekasten trekt hij een zwaard. ‘Perzisch, eerste millennium vóór Christus. Het is van brons gemaakt, heel broos materiaal dus. In films over de oudheid laten ze acteurs altijd schermen met dit soort zwaarden, maar dat is totale onzin. Die zwaarden zijn niet gemaakt om mee te schermen, maar om mee te steken!’

Kockelkoren demonstreert de beweging en priemt met het wapen in het luchtledige. ‘Dit zwaard overleeft ons allemaal. Ik vind het geweldig om het vast te houden, maar in de tijdsdimensie van dat zwaard ben ik niet meer dan een vlieg die er eventjes op gaat zitten.’
Volgens Kockelkoren (1949, Roermond) is de mythe in ons technologische tijdperk gematerialiseerd. Nieuwe mythen liggen niet zozeer besloten in verhalen, maar in appa­raten, werktuigen – dingen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Veel van de artefacten in het huis herken ik als illustraties uit Kockelkorens boek Ganesha in Silicon Valley, waarin Kockelkoren – met emeritaat als bijzonder hoogleraar kunst en techniek aan de Universiteit Twente en voormalig lector aan de kunstacademie AKI ArtEZ – zijn visie op mythen uitwerkt.

Naast archeologica bewaart hij ook kisten vol fantasy- en sciencefictionfilms, ooit lesmateriaal voor zijn colleges. Meeslepende filmverhalen als Star Wars en Lord of the Rings, over helden die zichzelf ontdekken tijdens een heroïsche reis, begeleid door wijze leermeesters, tegengewerkt door duivelse magiërs, ­reikend naar een mythische prijs aan de horizon.

Daar plaatst Kockelkoren wel een voetnoot bij: ‘Eigenlijk zijn die films nog steeds varianten van het Gilgamesj-epos, een verhaal uit het Mesopotamië van 2100 voor Christus. Zelf wil ik mythen liever actualiseren, en niet serviel dat oude idioom van goed-tegen-kwaad herhalen. Dat laat ik over aan Amerikaanse presidenten als Bush en Trump, met hun archaïsche oorlogstaal.’

Wat verstaat u eigenlijk onder mythen?
‘Het zijn rasters waardoor we naar de werkelijkheid kijken. Het rationeel-wetenschappelijke raster ordent de wereld in objectieve categorieën, en verklaart zo bijvoorbeeld onweer als natuurverschijnsel. Het mythische raster bekijkt de wereld in termen van familieverwantschappen. Als het dondert en bliksemt moet daar een persoon achter zitten, dat is dan Thor die met zijn hamer smijt. Beide wereldbeelden hebben bestaansrecht, je hebt ze allebei nodig. Het rationele wereldbeeld helpt je om de trein te halen, om de wereld min of meer beheersbaar te houden. Het mythische wereldbeeld helpt je om de wereld bewoonbaar te maken.’

Wie een lans breekt voor mythen wordt snel verkeerd begrepen. Kockelkoren vreest dat Ganesha in Silicon Valley vanwege de titel bij de New Age-boekhandel belandt. ‘De meeste mensen die een rehabilitatie van mythen bepleiten, zijn neoreligieus gemotiveerd. Ze willen terug naar wichelarij en heksenceremonies. Ze idealiseren een tribale wereld die we zogenaamd zijn verloren, maar die nooit anders heeft bestaan dan in mythische projecties.’

En mythische projecties houden ons sowieso in de ban, benadrukt Kockelkoren. We denken wel dat we mythen na de Verlichting veilig hebben opgesloten in het domein van de fictie, maar dat is een misvatting: ‘Mythen zijn in een andere gedaante ondergedoken. Door mythen te ontkennen en de wereld netjes op te delen in ratio en emotie lijkt het alsof we de wereld keurig aanharken, maar achter onze rug tieren mythen weliger dan ooit tevoren. Juist binnen het domein van techniek en wetenschap. Zoals wetenschaps­filosoof Bruno Latour zegt: wij zijn nooit modern geweest. Techniek is zo mythisch als maar kan, daarom kun je mythen ook niet inzetten als een soort gezuiverd alternatief voor techniek.’

Een relatief nieuwe mythische figuur is volgens Kockelkoren de cyborg, de fysieke versmelting van mens en machine. Deze figuur kennen we van desolate toekomstvisioenen als de film Blade Runner, maar in een tijdperk van exponentiële technologie komt de cyborg verontrustend dichtbij. In haar Cyborg Manifesto (1985) betoogde sociologe Donna Haraway dat de cyborg reeds onder ons is, omdat mensen tal van protheses hebben ingelijfd.

Kockelkoren: ‘Een cyborg is een hybride van biologie en technologie. Daar komt de mythe van pas, want een van de functies van mythen is het domesticeren van hybriden, van dingen die niet in gangbare categorieën zijn in te delen. Haraway wil aantonen dat de cyborg niet past in oude mythische verlossingsverhalen over de oorsprong van het leven en het einde der tijden. De cyborg wordt immers niet geboren, wordt niet ziek, sterft niet. Alle mythische en religieuze verhalen waarmee mensen zich eeuwenlang hebben gevoed zijn er niet meer op van toepassing.’

De cyborg is dus een mythische figuur waar geen mythe omheen kan bestaan?
‘Ja, maar in de praktijk geven oude mythen zich niet zo snel gewonnen. In de film The Matrix wordt de god van de techniek bestreden door een messiasfiguur: The One. Daardoor ontstaat een rare mengvorm van de cyborgmythe met ­christelijke verlossingsverhalen. Het thema van verlossing blijkt dus moeilijk te vermijden, het zit diep verankerd in ons collectieve bewustzijn.’

U schrijft dat postmoderne filosofie voor u als een bevrijding voelde, omdat de grote verhalen werden gedeconstrueerd. Als het zo bevrijdend is om mythen door te prikken, waarom wil u ze dan toch actualiseren?
‘Het postmodernisme gaf een mandaat om alles op losse schroeven te zetten, om je eigen wereld te creëren. Dat werkte bevrijdend, maar het is wel zaak om kritisch te ­blijven. Ik heb een broertje dood aan de opluistering van de wereld door New Age, waarin iedereen zijn eigen toko aan geloofswaarheden runt. Je moet proberen tussen de ­kritische ontluistering en de kritiekloze opluistering door te varen.’

Soms zijn mythen nuttig om gemeenschappen bij elkaar te houden. Wanneer verliezen ze hun nut?
‘Het gaat niet om nut, het gaat erom wat je met mythen legitimeert. Mensen geloven graag wat hen goed uitkomt, dat wist Julius Caesar al. Bij de Griekse opgravingen aan het begin van de twintigste eeuw ontstond er bijvoorbeeld een strijd tussen de archeologen Arthur John Evans en Heinrich Schliemann. De Brit Evans vond dat de Duitser Schliemann met zijn uitleg van de Trojaanse helden de Duitse oorlogs­inspanning legitimeerde. Als reactie verzon Evans een vreedzame Minoïsche vrouwencultuur waarin prinsessen en priesteressen met ontblote borsten door paleistuinen dwaalden en fluit speelden. Achteraf gezien stoelen beide verhalen op romantische onzin, maar die verschillende opvattingen over de bronnen van de cultuur werden wel schaakstukken in een Europese legitimatiecrisis. Zo’n mytheduiding bevat een waarschuwing: we hebben nieuwe mythen nodig om met techniek om te gaan, maar realiseer je wel dat mythen vaak zijn gebruikt om eigen superioriteitswaan te ondersteunen. Uiteindelijk blijft het fantasie, projectie. Desalniettemin kunnen we ons nooit helemaal bevrijden van die projecties. We worden er altijd – soms tegen wil en dank – door geleid.’

In zijn boek waarschuwt Kockelkoren dat mythen nooit moeten worden opgevat als geloofsartikelen. ‘Je hoeft niet in mythen te gelóven, mythen moet je dóén, door een serie rituelen te herhalen.’


Beeld: Merijn Doomernik

De fotorubriek van The Guardian lijkt die ochtend Kockelkorens idee te bevestigen: ik zie een foto van de ­coureurshelm van wijlen Niki Lauda die als een totem op zijn doodskist is geplaatst, en eentje van paus Franciscus die de Harley-Davidson van een christelijke biker signeert.

‘Natuurlijk gelooft de paus niet in een Harley-Davidson’, becommentarieert Kockelkoren. ‘Dat is ook helemaal niet nodig. Hij kan namelijk een ritueel verzinnen waarbij hij die motorfiets betrekt, en waarmee hij de techniek herbergzaam maakt.’

Waarom is techniek het domein bij uitstek van nieuwe mythen?
‘Klassieke techniekfilosofen als Heidegger, Ellul en Mumford stellen techniek voor als een moloch, die ons dreigt te reduceren tot radertjes in een machine. Techniek is voor hen een nivellerende macht, die alle culturele verschillen doet verdwijnen wanneer je het over de aardbol exporteert. Volgens deze filosofen heeft techniek zijn eigen logica: zodra je een bliksemafleider op je dak zet is het niet meer nodig om Thor aan te roepen. Dat klopt volgens mij niet, want we hebben zowel Thor als de bliksemafleider nodig. Uit de praktijk blijkt dat techniek overal ter wereld wordt verbonden met lokale religieuze en rituele tradities, door oude mythen opnieuw te mobiliseren. Op de eerste media-biënnale van Sjanghai zag ik in 2004 hoe mediakunst met millennia-oude Chinese esthetische tradities wordt verbonden. Daardoor is die mediakunst heel anders dan in Europa of de Verenigde Staten. Technische innovatie slaat in verschillende culturele contexten dus ook andere wegen in. Dankzij de onuitroeibare mythologische component zal de technologische cultuur juist steeds méér culturele verscheidenheid gaan vertonen, in tegenstelling tot wat Heidegger, Ellul en Mumford dachten.’

Ondanks uw vertrouwen in die culturele verscheidenheid roept u in uw boek op tot verzet tegen de molochkanten van techniek.
‘Verzet vind ik een problematische term. Je blijft als mens toch altijd tot aan je middel bevroren in de materiële wereld van techniek. Techniek is geen moloch, maar je moet er wel voortdurend kritisch op reflecteren. Ik denk mee met hoe techniek op ons inwerkt, maar ik wil me er niet klakkeloos tegen verzetten. Daarin volg ik de ambivalente filosofie van Michel Foucault. Hij beschouwde techniek als een vorm van empowerment. Van de ene kant dreig je door techniek te ­worden opgeslokt, maar het stelt je ook in staat om jezelf te maken tot wie je bent.’

Zodra je doorhebt hoe de macht van techniek werkt, kun je het voor je eigen doeleinden gebruiken – zoiets?
‘Nou ja, je kunt erop meeliften. Je gebruikt een soort culturele judo, je buigt mee met de krachten die je besturen om ze te kunnen beïnvloeden. Kijk, het verwezenlijken van jezelf, dat heb je mede te danken aan alle apparaten die dat voor jou faciliteren. Zonder die dingen kunnen wij ons ­helemaal niet meer profileren.’

Dus social media influencers, die hun eigen stukje internet afbakenen, hebben Foucault heel goed begrepen!
‘Ja, ze geven zichzelf vorm terwijl ze tentakels blijven van iets wat groter is dan zij zelf.’

De succesvolste ondernemers van Silicon Valley, zoals Steve Jobs en Elon Musk, zijn niet vies van een cultus rond hun persoon. Scheppen zij daarmee nieuwe mythen als machtslegitimatie?
‘Zeker, daarom moeten zulke verhalen ook worden bekritiseerd. Wat legitimeren ze, wat spelden ze je op de mouw? De wetenschap presenteerde zichzelf in de twintigste eeuw als een zelfreinigend instituut. In het typisch moderne wereldbeeld bestond de scheiding in zuivere wetenschap en toegepaste wetenschap; techniek was onder­gebracht in die laatste categorie. In de laatste decennia is dat onderscheid sterk in twijfel getrokken, onder andere door Bruno Latour. Er is veeleer een hybride van techniek en wetenschap ontstaan. Daarom kunnen de tycoons van Silicon Valley zich ook als een soort tovenaars presenteren, die door hun veronderstelde genialiteit macht hebben verworven.’
 
U pleit voor een esthetische houding tegenover techniek in plaats van een ethische. Waarom is dat beter?
​‘Sinds de Verlichting veronderstelt ethiek autonome zelfbeschikking en rationele zelfverantwoording van ­mensen, zodat ze bijvoorbeeld tegenover een rechtbank kunnen verklaren waarom ze iets wel of niet gedaan ­hebben. Ethiek is een metareflectie op je eigen handelen, het veronderstelt dat je eerst voor jezelf de illusie van een ruiter in het zadel hebt geholpen, die vervolgens kan verantwoorden waar hij heen gestuurd heeft. Die illusoire ruiter is een typisch westers construct: mensen moeten zichzelf eerst ethisch profileren tot verantwoordelijke individuen, daarna kunnen ze eens kijken wat voor hoed daarbij past. In de praktijk werkt het precies andersom. Om die ruiter te installeren ben je altijd afhankelijk van materiële voorwaarden: technieken, apparaten en instanties die je moet inlijven om überhaupt te kunnen leven. Die voorwaarden zijn van esthetische aard, want ze spelen zich af op zintuiglijk, lichamelijk, disciplinerend niveau. Dat gaat allemaal vooraf aan ethiek.’

In den beginne was er de zwarte coltrui, pas daarna kwam Steve Jobs?
‘Precies, het is op de eerste plaats een esthetisch verhaal. Steve Jobs moest op esthetisch vlak flink worstelen vóórdat hij zich ethisch kon profileren als een machtige ondernemer die aan liefdadigheid doet.’

In techniek is de mythe gematerialiseerd, voegt Kockelkoren toe. ‘Techniek is niet zomaar toegepaste wetenschap, het is een piste waar ­dingen op elkaar botsen en met elkaar strijden. Dáár voltrekken zich alle veranderingen in perceptie, dáár worden de zintuigen opnieuw gedisciplineerd. De mythische waarde die we daaraan hechten, dát is de toepassing. Toen in 1860 de fonograaf was uitgevonden, konden voor het eerst menselijke stemmen worden opgenomen en afgespeeld. Mensen vielen van hun stoel toen ze ineens de stem van een overledene hoorden. Na de uitvinding van de fotografie was het korte tijd een rage om doden te foto­gra­feren, die werden dan keurig rechtgezet en aangekleed. Van meet af aan was technologie een gestolde droom. Eerst werden de vergankelijkheid van de menselijke stem en het menselijke beeld vereeuwigd. En nu zoekt de medische wetenschap naar de genetische sleutel om het ­verouderingsproces op te heffen en ons letterlijk onsterfelijk te maken. Volgens mij moet je door die mythische bril naar techniek kijken, dat maakt de wereld een stuk boeiender.’

In welk opzicht?
‘Techniek is het mythische strijdtoneel waarop mensen zich verder evolueren. Dat is toch ongelooflijk rijk en ­interessant?’

Maar het blijft dus een strijd. Een mythische strijd.
‘Vaak wel hè. Dat komt omdat de mythe in dienst staat van de machts­legitimatie. Als filosoof pleit ik voor “filosofictie”, voor de culturele rijkdom van mythen. Maar ik moet ook ­machtsaanspraken kritisch tegen het licht houden.’