Home Paradoxen en filterbubbels

Paradoxen en filterbubbels

Door Max van den Broek op 15 juni 2020

Paradoxen en filterbubbels
02-2020 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Filterbubbels zijn niet nieuw, maar verwant aan oude kennisparadoxen. Max van den broek laat zien dat de paradox van Meno en de dogmatisme paradox, in uitvergrote vorm, inzicht geven in de effecten van filterbubbels. En wil je de bubbel doen barsten, dan kan het scepticisme een uitkomst bieden.

Dankzij technologieën zoals Google en sociale media hebben mensen meer informatie ter beschikking dan ooit tevoren. Helaas hebben deze technologieën ook een schaduwzijde: separatie en polarisatie van het publieke debat. Een bijproduct van het beschikbaar maken van relevante informatie die bij onze persoonlijke interesses aansluit, is dat informatie waar we niet bekend mee (willen) zijn voor ons wordt weggefilterd. Hierdoor ontstaan wat we filterbubbels zouden kunnen noemen: kleine hoekjes in de grote informatieruimte waar we, zonder gestoord te worden door andere opvattingen of waarden dan de onze, onszelf van onze meningen kunnen verzekeren, met informatie die in ons eigen straatje past.

Kennis is minder absoluut dan in de paradox wordt geschetst

Het effect van deze filterbubbels is nog onduidelijk en zal zich op den duur uitkristalliseren. Tot die tijd verzetten onderzoekers van allerlei disciplines zwaar werk om greep te krijgen op dit fenomeen. De filosoof kan aan dit onderzoek bijdragen door de onderliggende principes van het fenomeen te bestuderen. Bijvoorbeeld door kenmerken van filterbubbels, zoals grote zekerheid in meningen en gebrek aan bewijs tegen deze meningen, uit te vergroten tot hun logische extremen. Wat ik in dit essay zal doen is op basis van deze zojuist beschreven kenmerken, de filterbubbels opblazen in extremis. Ik zal betogen dat filterbubbels in hun extreme vorm een manifestatie zijn van twee bekende problemen in de filosofische traditie: Meno’s paradox en de dogmatisme paradox.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Meno’s paradox is bedacht door Plato en stelt dat je nooit het antwoord op een vraag kunt leren. Plato onderscheidt twee mogelijkheden in zijn argument: je kent het antwoord op een vraag al of je kent het antwoord nog niet. Als je het antwoord op een vraag al kent, dan kun je dit antwoord natuurlijk niet meer leren, want je kent het al. Als je het antwoord nog niet kent, dan kun je het antwoord volgens Plato nog steeds niet leren. Want waar ga je dat antwoord zoeken? Als je het antwoord echt nog niet kent, dan heb je volgens Plato ook geen enkel idee waar je het zoeken moet. Zelfs als je toevalligerwijs het antwoord tegenkwam, hoe zou je dan kunnen weten dat dit inderdaad het goede antwoord is? Als je het antwoord nog niet kende, dan kun je het ook niet herkennen als je het tegenkomt.

Iedere reactie op Meno’s paradox begint met op te merken dat kennis minder absoluut is dan in de paradox wordt geschetst. In de paradox wordt namelijk aangenomen dat kennis in twee categorieën uiteenvalt: iemand weet iets wel of niet. In werkelijkheid kent kennis veel meer gradaties en variaties.

Neem iemand die niet meer weet wat de hoofdstad van Saudi-Arabië is, maar nog wel weet dat het Abu Dhabi of Riyad is. Vervolgens vertelt een geloofwaardige bron hem of haar dat de hoofdstad van Saudi-Arabië Riyad is. In het dagelijks leven vinden we het niet problematisch om te zeggen dat die persoon niet wist wat de hoofdstad van Saudi-Arabië is, maar het goede antwoord wel kon herkennen, vanwege zijn of haar partiële kennis van het antwoord. Of neem iemand die geen enkel idee heeft wat de hoofdstad van Saudi-Arabië is, maar op Wikipedia weet te vinden dat het Riyad is. Volgens Plato kan de persoon deze informatie niet op waarde schatten, omdat hij of zij geen idee heeft of Riyad inderdaad de hoofdstad is. Maar in werkelijkheid kan iemand zulke informatie natuurlijk wel op waarde schatten, omdat hij of zij de autoriteit van Wikipedia op waarde kan schatten. In de praktijk bouwen wij vaak voort op vertrouwen in experts, in plaats van op onze eigen parate kennis.

Plato’s vervolgvraag zou zijn: hoe kan iemand weten of Wikipedia een betrouwbare autoriteit is? Het antwoord hierop is dat iemand kennis kan hebben van vele hoofdsteden, en kan controleren of Wikipedia betrouwbaar is over dit type informatie. Maar Plato zou aanhouden: hoe heeft die persoon kennis verworven over al die andere hoofdsteden? Zo leidt Plato ons naar de vraag: hoe komt iemand aan zijn eerste kennis? Neem een pasgeboren kind dat nog helemaal niets weet, het heeft nog helemaal geen partiële kennis om op te bouwen. Deze baby bevindt zich in een scenario dat net zo zwart-wit is als de geschetste situatie in Meno’s paradox. Ogenschijnlijk kan zij nooit iets te weten komen, omdat zij van geen enkele binnenkomende informatie kan verifiëren of die correct is.

We hoeven alleen aan te nemen dat partiële kennis aangeboren is

Partiële kennis

Een mogelijke uitweg uit deze paradox is te ontkennen dat zo’n totaal onwetende baby kan bestaan. Deze oplossing neemt aan dat mensen geen tabula rasa, maar een tabula inscriptia zijn. Oftewel, dat sommige kennis vanaf het eerste begin aanwezig moet zijn. Plato zelf stelde ook zoiets voor als oplossing voor zijn eigen paradox, deze oplossing noemde hij de doctrine van herinneringen. Samengevat stelt Plato dat wij volledige kennis over de Ideeën hebben omdat onze zielen zelf ooit in de Ideeënwereld leefden. Sinds onze ziel in ons lichaam terecht is gekomen, hebben we deze kennis niet meer snel paraat, maar diep van binnen weten we alles nog. Iedere keer dat wij iets ‘leren’, leren we volgens Plato daarom niet echt iets nieuws, maar herinneren we ons iets wat we eigenlijk al wisten.

Plato’s doctrine van herinneringen wordt tegenwoordig door niemand aangehangen. Dit komt niet alleen omdat Plato’s metafysica niet meer wordt aangehangen, maar ook omdat zijn oplossing onnodig sterke aannames maakt over welke kennis aangeboren is. Plato neemt namelijk aan dat alle kennis aangeboren is. Als we aannemen dat partiële kennis een oplossing biedt voor Meno’s paradox, zoals besproken in de vorige sectie, hoeven we alleen aan te nemen dat partiële kennis aangeboren is.

Ook wil ik opmerken dat de toestand waarin een persoon nog geen enkele kennis heeft, omdat hij of zij net geboren is, slechts de extreme versie is van een algemener fenomeen. Het algemenere fenomeen is dat een persoon soms met een feit wordt geconfronteerd, zonder dat deze persoon enige partiële kennis heeft om dit feit te verifiëren of te falsifiëren. In de toestand van net geboren zijn, geldt dit voor alle feiten. Maar ook bij individuen die reeds ontwikkelde kennis hebben komt dit voort. Bijvoorbeeld wanneer iemand begint te leren in een kennisdomein waar hij of zij nog niks van afweet.

Een sprekende illustratie hiervan is het op zoek gaan naar ‘de ware liefde’, een voorbeeld dat ik heb besproken in mijn boekje Alledaagse Paradoxen. Met ‘op zoek gaan naar de ware’, bedoel ik hier dat iemand op zoek is naar de ene speciale persoon op aarde om diens leven mee te delen. Mensen in een zoektocht naar de ware, ervaren vaak dat zij eigenlijk geen idee hebben hoe zij de ware kunnen vinden. Ze weten namelijk niet van tevoren wat voor eigenschappen de ware heeft, dus het is moeilijk de ware gericht te zoeken. Bovendien kunnen ze, als ze eenmaal een potentiële kandidaat hebben gevonden, moeilijk controleren of diegene de ware is. Ze hebben namelijk niemand die dit voor ze kan verifiëren en ze hebben zelf geen lijstje met eigenschappen die ze af kunnen vinken ter controle.

Om deze problematiek op te lossen, is de mythe ontstaan van liefde op het eerste gezicht. Onderbouwingen op basis van partiële kennis worden vervangen door een ingeving (‘ik wist het gewoon’) als partiële kennis niet beschikbaar is. Ingevingen bieden een fundament om verdere kennis op voort te bouwen. Twee andere noemenswaardige vormen van ingevingen zijn goddelijke ingevingen en roepingen. Beide hebben doorgaans betrekking op grote en impactvolle levensvragen, zoals wat het doel is van het leven. Bij goddelijke ingevingen ervaren mensen vaak dat hun levensdoel religieus moet zijn, terwijl seculieren een roeping kunnen ervaren om bijvoorbeeld muzikant of profvoetballer te worden. Dat ingevingen vaak nodig zijn om een antwoord te geven op de vraag ‘wat moet ik doen met mijn leven?’, suggereert dat mensen geen antwoord op deze vraag kunnen geven met partiële kennis.

Paradoxen in extremen

Filterbubbels zijn een verwerkelijking van Meno’s paradox, versterkt door algoritmen van Google en Facebook. Stel dat je het antwoord zoekt op een vraag waar je je normaliter niet mee bezig houdt en waar je geen affiniteit mee hebt. Volgens Meno’s paradox weet je dan niet eens hoe je dit antwoord moet zoeken; je weet niet welke onderwerpen je moet googelen of wie je moet volgen op Twitter. Filterbubbels zorgen ervoor dat, zelfs als je wel weet in welke richting je het antwoord moet zoeken, je in plaats daarvan toch weer de bekende richting op wordt gestuurd. Als je bijvoorbeeld zelf radicaal tegen Zwarte Piet bent, en niet buiten je eigen filterbubbel informatie kunt inwinnen – bijvoorbeeld omdat de zoekresultaten van Google je alleen maar gelijkgestemde opvattingen geven – dan lukt het je niet om je te verdiepen in een ander perspectief.

Er vanuit gaan dat je eigen kennis onfeilbaar is, stop de kennisontwikkeling

Filterbubbels die gecreëerd worden door onder andere het zoekalgoritme van Google, versterken dus het onderliggende principe van Meno’s paradox: als je het antwoord op een vraag niet weet, kun je het antwoord ook niet zoeken. Een filterbubbel is zo gemaakt dat je het overal al mee eens bent, en daardoor leer je niks nieuws. Als je iets zocht wat je nog niet wist, zou je niet eens weten hoe je daar moet komen, omdat de algoritmen je ervan afschermen. Meno’s paradox heeft daarom betrekking op wat gebeurt binnenin een filterbubbel.

Het tweede onderliggende principe van filterbubbels, extreme zekerheid in meningen, leidt tot de dogmatisme paradox. De dogmatisme paradox is bedacht door Saul Kripke en gaat erover dat je nooit kennis kunt kwijtraken. Stel dat Henk weet dat A waar is. Dan weet Henk ook dat al het bewijs tegen A misleidend is, want het is bewijs tegen een ware stelling. Henk weet dat hij al het bewijs tegen A af moet schrijven als misleidend. Als Henk dit doet, dan kan hij natuurlijk zijn kennis van A nooit verliezen. En dit geldt niet alleen voor A, maar voor al Henks kennis, dus Henk kan nooit kennis verliezen.

Net als bij Meno’s paradox geldt ook voor de dogmatisme paradox dat kennis complexer is dan de paradox doet voorkomen. Wat de paradox vooral achterwege laat is dat individuen dingen meer of minder zeker kunnen weten. De paradox is alleen van toepassing als iemand absoluut zeker is van zijn overtuiging. Dat wil zeggen, dat iemand zijn rechtvaardiging voor een overtuiging sterker acht dan enig mogelijk tegenbewijs. We zouden de dogmatisme paradox kunnen opvatten als een argument voor een gematigde vorm van scepticisme. Verzanden in de dogmatisme paradox is onwenselijk, omdat het ertoe leidt dat alle tegenargumenten ongezien worden verworpen. Ervan uitgaan dat je eigen kennis onfeilbaar is, stopt de kennisontwikkeling. Daarom is het onwenselijk om kennis voor absoluut zeker te houden.

Filterbubbels leiden op twee manieren tot extreme zekerheid in overtuigingen. Ten eerste zorgen filterbubbels ervoor dat we vooral informatie te zien krijgen die onze overtuigingen ondersteunt. We verzamelen positief bewijs voor onze overtuigingen en worden er logischerwijs steeds zekerder van. Ten tweede zorgen filterbubbels, door deze positieve feedbackloop, ervoor dat tegengestelde standpunten steeds extremer worden en dus meer van elkaar gaan verschillen. Daardoor verschillen de alternatieve standpunten die we wel te zien krijgen heel sterk van de onze. Als ik van mening ben dat we stevig beleid moeten voeren om de klimaatdoelen van Parijs te behalen, krijg ik bijvoorbeeld eerder Twitterberichten te zien van klimaatontkenners, dan van middenstemmers die wel klimaatbeleid willen voeren maar prijsbewuster zijn dan ik. Hierdoor krijg ik het idee dat het ontkennen van klimaatverandering het enige alternatief op mijn standpunt en word ik steeds stelliger in mijn overtuiging.

Meno’s paradox en de dogmatisme paradox treden op wanneer mensen absolute epistemische posities innemen. Dat wil zeggen, als ze menen dingen helemaal zeker te weten, of juist totaal geen reden kunnen vinden om iets voor waar te houden. Filterbubbels duwen ons in de richting van deze extremen door ons homogene informatie te geven. Hierdoor worden onze opvattingen steeds minder genuanceerd. Informatie van binnen onze bubbel wordt steeds minder informatief, omdat we deze al door en door kennen. Informatie van buiten onze bubbel nemen we niet meer op, omdat we deze niet op waarde kunnen schatten, of omdat deze conflicteert met opvattingen waar we zeker van zijn. Dit alles leidt tot een vermindering in kennisontwikkeling.

Filterbubbels doen barsten

Er zijn twee manieren die filterbubbels kunnen doen barsten. Deze oplossingen worden gevonden in de oplossingen voor Meno’s paradox en de dogmatisme paradox: partiële kennis en gematigd scepticisme. Met partiële kennis kunnen individuen informatie over zaken van buiten hun bubbel weer op waarde schatten, waardoor ze er wel kennis van kunnen nemen. En met een gezonde dosis scepticisme jegens de eigen opvattingen, kan zelfs informatie die conflicteert met de eigen overtuigingen geleerd worden.

Filterbubbels duwen ons in de richting van extremen

Filterbubbels zorgen ervoor dat de onbekende informatie die ons bereikt voornamelijk de extreme standpunten zijn waar we het volledig mee oneens zijn. Dit maakt het erg onwaarschijnlijk dat deze informatie ons van mening zal doen veranderen; waarschijnlijk worden we alleen maar zekerder van ons eigen standpunt. We kunnen dit probleem omzeilen door beter te luisteren naar de gematigde middenstem.

Al lijkt het door Google en sociale media vaak alsof er slechts twee extreme standpunten zijn, er zijn ook heel veel mensen die er een gematigde mening op nahouden. Deze silent majority heeft een genuanceerde mening ergens tussen de extremen in. De huidige Denker des vaderlands, Daan Roovers, heeft deze ‘gematigde middenstem’ verkozen tot het centrale thema van haar denker-des-vaderlandschap. Zij betoogt dat het gematigde midden nog steeds veruit de grootste groep Nederlanders vertegenwoordigt, maar dat de gematigde middenstem volledig is weggevallen door nieuwe technologieën en het huidige mediaklimaat.

Partiële kennis kan helpen om de middenstem te bereiken. Denk bijvoorbeeld aan de discussie over mansplaining en het patriarchaat. In deze discussie ben ik totaal niet thuis, ik ken de begrippen niet en weet niet wat ze betekenen. Het wordt dus erg lastig om mij, met gebruik van deze terminologie, te overtuigen van de disproportionele invloed van mannen in de samenleving. Een makkelijkere manier, met veel meer kans van slagen, is mij te wijzen op de gender pay gap. Daarvan weet ik wel wat het betekent. Als iemand mij aan de hand van dit begrip uitlegt dat er nog steeds erg veel ongelijkheid is, kan ik deze informatie veel beter op waarde schatten en mijn standpunt hierover veranderen. Mijn partiële kennis van het gender pay gap zorgt ervoor dat ik nieuwe kennis kan opdoen over ongelijkheid. Omdat de overtuigingen van de gematigde middenstem deels overeenkomen met de mijne, kan ik veel meer van deze middenstem leren, dan van extreme overtuigingen.

Zoals eerder besproken, kan de dogmatisme paradox aanleiding geven voor een gematigde vorm van scepticisme. Als niemand absoluut zeker is van zijn overtuigingen, oftewel als niemand zijn overtuigingen als dogma’s verkondigt, dan treedt de dogmatisme paradox niet op. Op eenzelfde manier verzwakt scepticisme ook het pijnpunt van Meno’s paradox. Meno’s paradox stelt dat we nooit kennis kunnen verkrijgen. Zoals besproken is deze stelling vooral overtuigend als we ‘kennis’ opvatten als absoluut zekere kennis. Als we daarentegen een gematigd scepticisme aannemen, dan zien we deze stelling niet zozeer als probleem, maar eerder als uitdrukking van een simpele waarheid: zekere kennis bestaat niet.

Scepticisme

Scepticisme kan dus een oplossing bieden voor de paradoxen die we in dit essay hebben besproken. Er resteert echter nog een beroemde en belangrijke objectie tegen scepticisme, namelijk dat het een onhoudbare positie zou zijn, of zelfs een zichzelf weerleggende positie. Volgens deze objectie kan een persoon per definitie nooit weten dat scepticisme waar is, omdat scepticisme het bestaan van zekere kennis ontkent. Maar daarop bestaat een antwoord: iemand kan best verkondigen dat scepticisme waar is, zonder dat zeker te weten. Het is geheel coherent om te stellen dat je niks zeker weet, ook niet dat zekere kennis onmogelijk is. Dit is zelfs geen absurde positie om in het dagelijks leven aan te houden.

Juist van de gematigde middenstem kun je leren

Deze reactie op de objectie tegen scepticisme is mogelijk, omdat ik niet heb betoogd dat scepticisme waar is, maar slechts dat het wenselijk is. Traditionele sceptische argumenten betogen dat we daadwerkelijk sceptici moeten zijn. Daardoor kunnen tegenstanders het argument van sceptici tegen hen keren. Als het argument van sceptici overtuigend is, dan hebben zij tenslotte bewezen dat scepticisme waar is, en dan zouden we dus ook zeker moeten weten dat het waar is. Alleen de voorgaande bespreking van Meno’s paradox en de dogmatisme paradox laat helemaal niet zien dat scepticisme waar is, alleen maar dat het wenselijk is. Daarom stuiten we hier niet op hetzelfde probleem.

Kortom, als je filterbubbels uitvergroot tot hun logische extremen levert dat een bekend gezicht op. De problemen van filterbubbels zijn niet nieuw, maar verwant aan oude kennisparadoxen. Ook een medicijn tegen deze kwaal brengt ons bij een eeuwenoud filosofisch beginsel: om filterbubbels te doen barsten, is een gematigd scepticisme nodig.

Max van den Broek behaalde zijn Master of Logic aan de Universiteit van Amsterdam en schreef Alledaagse Paradoxen over het bestaan van filosofische paradoxen in het dagelijks leven.

 

Alledaagse paradoxen

Max van den Broek

ISVW Uitgevers

96 blz. | € 13,00

Bestel het boek hier.