Home Over het theater in Kierkegaards oeuvre

Over het theater in Kierkegaards oeuvre

Door Wout van Tongeren op 15 oktober 2013

Cover van 02-2013
02-2013 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Kierkegaard hield van het theater: gretig bezocht hij de voorstellingen in de Kopenhaagse schouwburg. Veel toneelstukken zag hij daar meer dan eens. Als die liefhebberij geen weerslag had gegeven in Kierkegaards teksten, zou een hedendaagse lezer haar gerust kunnen negeren. Maar het werk is doordesemd van referenties aan toneelstukken, opera’s, zangers en acteurs. Hoe verhouden die verwijzingen zich tot de verdere inhoud van het werk? Zijn ze slechts het spoor van een persoonlijke gril, of hebben ze meer te betekenen?

De merkwaardige voorliefde voor een lichtzinnige kunstvorm

In eerste instantie lijken de verwijzingen naar de toneelkunst weinig wezenlijks toe te voegen aan Kierkegaards werk. Misschien staan ze zelfs op gespannen voet met ernstige thema’s als individualiteit en geloof die doorheen het oeuvre van groot belang zijn. Precies omdat Kierkegaard – in eigen persoon of bij monde van een van zijn talrijke pseudoniemen – zijn lezers vaak oproept tot het maken van een geheel zelfstandige, overtuigde keuze voor een van ethiek of geloof doordrongen leven, is het merkwaardig dat hij tegelijkertijd zo vaak verwijst naar het theater, destijds misschien wel de lichtzinnigste aller kunsten. Anders dan tegenwoordig was de negentiende-eeuwse schouwburg namelijk de plaats bij uitstek voor spectaculair en massaal vermaak. Experimenteel, kleinschalig toneel is een twintigste-eeuwse uitvinding. We kunnen ons het negentiende-eeuwse theater voorstellen naar model van de commerciële bioscoop: de toeschouwer nestelt zich er behaaglijk in zijn stoel terwijl zich voor zijn ogen een meeslepend spektakel ontvouwt. Misschien is de toeschouwer in zijn eentje van huis gegaan, maar eenmaal gezeten gaat hij op in het grote samengestelde lichaam van ‘het publiek’, waarvan de collectieve reacties hem ontslaan van de moeilijke taak zich een individueel oordeel te vormen. De negentiende-eeuwse schouwburgen boden een aangenaam soort verstrooiing die de bezoekers juist ver weg gevoerd moet hebben van de ernstige innerlijkheid die Kierkegaard voor ogen had. Maar waarom voelde hij zich dan zo aangetrokken tot deze lichtvoetige kunstvorm, en wat betekent deze voorliefde voor de manier waarop we zijn teksten kunnen lezen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.