Home Odysseus en de strijd om het ‘zelf’

Odysseus en de strijd om het ‘zelf’

Door Thijs Lijster op 24 februari 2014

Cover van 01-2008
01-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Is het niet vreemd om te zeggen dat een verhaal uit de achtste eeuw voor Christus ons iets kan vertellen over onze hedendaagse westerse cultuur? Hoe kan de beschrijving van een wereld die geregeerd wordt door goden, heksen, nimfen en allerlei mythische gedrochten bijdragen aan ons zelfbegrip? Dat is minder vreemd dan het lijkt. Juist omdat Homeros helemaal aan het begin van onze beschaving stond, kunnen wij in retrospectief herkennen wat de nieuwe wereld scheidde van de oude. De homerische epen vormen een eerste definitie van de westerse cultuur, zij geven de contouren aan van een manier van denken en handelen die de wereld tot op de dag van vandaag beheerst.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Toen Goethe eens met een vriend sprak over Shakespeare, verzuchtte hij: ‘Alles wat een grote werking gehad heeft, kan eigenlijk helemaal niet meer beoordeeld worden.’ Iedereen zal de ervaring kennen: geconfronteerd met de grote werken – de Mona Lisa van Leonardo, de Divina Commedia van Dante, de tragedies van Sophokles, om er maar een paar te noemen – ben je niet in staat een onbevangen en adequaat oordeel te geven. Een van de redenen hiervoor is dat de temporele kloof tussen ons en het kunstwerk vaak zeer groot is. De tijd en de cultuur waarin het kunstwerk ontstond, en daarmee de esthetische standaarden, verschillen zo radicaal van de onze dat het niet mogelijk lijkt het werk naar waarde te schatten. Daarnaast heb je als kijker, lezer of luisteraar het gevoel dat honderden of zelfs duizenden jaren doorwerking en interpretatie over je schouders meekijken. De grote werken hebben zo’n lange geschiedenis van verering en interpretatie, zo’n grote en complexe Wirkungsgeschichte in Gadamers woorden, dat je als hedendaagse aanschouwer slechts in eerbied kunt buigen en moet toegeven dat de afstand tussen jou en het kunstwerk oneindig groot is.
 
Soms echter vallen juist de overeenkomsten op; dan beseffen we dat de wereld van het kunstwerk eigenlijk onze wereld is, of onze wereld al in de kiem bevat. Dit is bij uitstek het geval bij de Odysseia van Homeros, het verhaal van de reis van de Griekse koning Odysseus dat samen met de Ilias aan de basis staat van de Europese beschaving.

De Ilias
De Ilias beschrijft een episode uit het laatste jaar van de tien jaar durende oorlog van de Grieken tegen de Trojanen. Deze oorlog begon toen Helena, vrouw van de Griekse koning Menelaos en de mooiste ter wereld, geschaakt werd door de Trojaanse prins Paris. De centrale figuur in Homeros’ vertelling is Achilleus, zoon van koning Peleus en de zeegodin Thetis en de grootste krijger in het Griekse kamp. Deze weigert nog langer te vechten voor de Grieken nadat opperbevelhebber Agamemnon het meisje Briseïs, dat tijdens een veldtocht was buitgemaakt en aan Achilleus was toegewezen, voor zichzelf claimt. Tijdens Achilleus’ afwezigheid blijkt pas hoe waardevol hij was: de Trojanen weten de Grieken terug te dringen tot aan de stranden waar hun schepen liggen. Patroklos, de dierbaarste vriend van Achilleus, weet de laatste ervan te overtuigen hem zijn wapenrusting te lenen, opdat hij indruk kan maken op de Trojanen. Zijn plan slaagt, de Trojanen worden teruggedrongen, maar voor de muren van Troje wordt Patroklos gedood door Hektor. Achilleus is ontroostbaar en zweert wraak. Niet alleen doodt hij Hektor in een tweegevecht, maar hij sleept het lijk van de prins achter zijn wagen en laat het ten slotte onbegraven in het Griekse kamp liggen, voor de honden en gieren. Wanneer koning Priamos van Troje Achilleus bezoekt in het Griekse kamp en smeekt om het lichaam van zijn zoon, krijgt Achilleus respect en medeleven voor de grijsaard. Achilleus doet afstand van Hektors lijk, zodat het begraven en beweend kan worden binnen de muren van Troje.

De belangrijkste motieven van de Ilias zijn eer en wraak. Achilleus’ handelen vloeit onvermijdelijk voort uit de handelingen van anderen: wanneer Agamemnon zijn buit opeist, is zijn eer geschonden en kan hij niet anders dan zich van de strijd afzijdig houden. Wanneer zijn vriend Patroklos vermoord wordt, is er geen andere mogelijkheid dan het doden van Hektor en het verminken van diens lijk. Dit geldt voor de meeste figuren in de Ilias: zij lijken niet meester te zijn over het eigen handelen en over de eigen emoties. Bovendien worden zij geleid – en nog vaker misleid – door de goden. De Trojaanse oorlog begon al door de goden – Aphrodite had Paris Helena beloofd – en ook tijdens de oorlog interveniëren zij voortdurend door pijlen af te wenden, mensen onzichtbaar te maken of goede raad in te fluisteren. De mensen in de Ilias lijken niet meer dan marionetten van de goden, zoals ook Achilleus tegen Priamos verzucht: ‘De goden hebben nu eenmaal voor ons ellendige mensen het lot zo beschikt dat altijd smarten wij lijden; alleen zijzelf zijn zonder zorg.’

De Odysseia
Dit lijkt wezenlijk anders te zijn in de Odysseia. Hier zijn het niet de goden die de mensen misleiden, maar is het een mens, Odysseus, die de goden misleidt. Hoewel de mythische krachten nog altijd alomtegenwoordig zijn en de mens bedreigen, is hun overwinning niet meer vanzelfsprekend. Voor het eerst staat de mens centraal. De Odysseia vertelt het verhaal van Odysseus, koning van Ithaka en generaal aan Griekse zijde, die meevocht in de Trojaanse oorlog en uiteindelijk de overwinning afdwong door de list met het houten paard. Omdat hij Poseidon vertoornd heeft, is hij gedwongen tien jaar rond te dolen alvorens hij kan terugkeren naar zijn vrouw Penelopeia. Op zijn tocht wordt hij naar het leven gestaan door mythische wezens en barbaarse volken, die hij slechts kan overwinnen door zijn verstand te gebruiken.

Het centrale thema blijkt alleen al uit de bijzondere structuur van het epos. Dit avontuurlijke verhaal wordt door Homeros namelijk niet chronologisch verteld. De Odysseia begint in medias res: nadat de zanger de muze aanroept, zegt hij haar: ‘Begin waar u goeddunkt.’ Vervolgens wordt ons meegedeeld dat Odysseus al zeven jaar gevangen zit op het eiland van de zeenimf Kalypso, die hem als een soort liefdesslaaf koestert en hem Ithaka uit zijn hoofd tracht te praten. In de eerste vier zangen van de Odysseia ligt de aandacht op Telemachos, Odysseus’ zoon, die geboren werd op de dag voordat zijn vader moest uitvaren. Hij en zijn moeder worden nu lastiggevallen door de vrijers, mannen die vinden dat Penelopeia na de vermeende dood van haar echtgenoot met een van hen moet hertrouwen. Totdat zij iemand kiest verblijven zij in het paleis en teren ze op de voorraden van Ithaka. Door Athena wordt Telemachos aangespoord op zoek te gaan naar zijn vader. Hij vaart uit en ontmoet Nestor en Menelaos, strijdmakkers van Odysseus, die Telemachos vertellen van zijn vaders heldendaden, maar hem weinig hoop geven op een spoedige terugkeer.

Vanaf hier verschuift het verhaal naar Odysseus, die nog altijd door Kalypso gevangen wordt gehouden en verteerd wordt door heimwee en verdriet. Hermes komt in opdracht van Zeus vertellen dat de zeenimf Odysseus moet laten gaan. Het vlot waarmee Odysseus thuis probeert te komen, wordt echter door Poseidon verzwolgen en hij spoelt aan op het eiland van de Phaiaken. Koning Alkinoös en koningin Arente ontvangen de vreemdeling, die weigert zijn naam te zeggen, hartelijk door een feestmaal en spelen voor hem te organiseren. Wanneer tijdens het diner een zanger verhaalt van de heldendaden van Odysseus, kan de vreemdeling zijn tranen niet bedwingen. Hij onthult zijn identiteit en vertelt dat hij Odysseus is, de onzaligste onder de mensen; zijn verhaal is er niet een van succes en glorie, maar van ‘heilloze rampspoed’. Wat volgt, de zangen negen tot en met twaalf, is het eerste ik-verhaal in de geschiedenis. Odysseus vertelt over zijn ontmoetingen met onder meer de Lotuseters, de cycloop Polyphemos, de windgod Aiolos en de heks Kirke en over zijn afdaling naar de onderwereld. Nadat de Phaiaken zijn bijzondere verhaal hebben aangehoord, brengen ze hem veilig naar Ithaka terug. Verkleed als oude zwerver wacht hij het geschikte moment voor wraak af. Op aanraden van Athene organiseert Penelopeia een wedstrijd om uit te maken wie haar nieuwe echtgenoot wordt: de vrijers moeten Odysseus’ boog spannen en een pijl door de ogen van twaalf bijlen schieten. Geen van hen slaagt hierin, behalve de oude zwerver. Deze werpt zijn lompen af, maakt zijn ware identiteit bekend en neemt samen met Telemachos bloedig wraak op de vrijers. Ten slotte herenigt Odysseus zich met Penelopeia en met zijn oude vader Laërtes.

De Odysseia als blauwdruk van de westerse beschaving
De bijzondere constructie van de Odysseia benadrukt het belangrijkste thema van het verhaal: ontwikkeling van het moderne ‘zelf’. Het verhaal begint met de persoonlijke ontwikkeling van Telemachos. Wanneer Athene Telemachos aanspoort te gaan reizen, is dat niet zozeer om zijn vader terug te vinden (Athene weet immers waar Odysseus zich bevindt), maar veeleer om zijn vader te leren kennen, en zo zichzelf. Zij zegt: ‘Ik zal Telemachos sturen naar Sparta en ’t zandrijke Pylos / waar hij misschien iets over zijn vaders thuiskomst zal horen / en om in elk geval zelf zich naam bij de mensen te maken.’ Als de vermomde Athene met Telemachos spreekt over diens vader, zegt de jongen: ‘Volgens mijn moeder ben ik de zoon van Odysseus, maar zeker / weet je dat nooit, daar niemand iets van zijn afkomst kan weten. / Was ik de zoon maar geweest van die gelukkige vader / die in het volle bezit van zijn goed de ouderdom nadert.’ Athene berispt de twijfelzieke jongeling, zegt dat hij zich niet langer als een kind kan gedragen en stuurt hem op pad. Door zijn bezoeken aan Nestor, Menelaos en Helena ontdekt hij zijn herkomst en wint hij respect. Zijn zoektocht is compleet op het moment dat hij zijn vader bijstaat in de slachtpartij op de vrijers.

Odysseus gaat in eerste instantie de tegengestelde weg: hij verliest zijn identiteit. De structuur van het verhaal maakt dat zijn afdaling naar de Hades precies in het midden van de Odysseia gesitueerd is: op het dieptepunt van Odysseus’ identiteitsverlies behoort hij zelfs niet meer tot het rijk der levenden. Bovendien is er verscheidene malen sprake van naamsverlies, scènes waarin het bezoek aan de onderwereld als een spiegel tussen geplaatst is. Voor de Hades misleidt hij de cycloop Polyphemos door zichzelf als ‘Niemand’ voor te stellen. Als Odysseus en zijn mannen de cycloop zijn enige oog hebben uitgestoken, schreeuwt hij naar zijn vrienden dat Niemand hem probeert te doden, zodat geen van hen hem te hulp schiet. Uit zelfbehoud pleegt Odysseus verraad aan zijn identiteit. Later, nadat Odysseus van Kalypso’s eiland is ontsnapt en schipbreuk heeft geleden, spoelt hij naakt aan op het eiland van de Phaiaken. Dit is als een wedergeboorte. Hij draagt geen naam, totdat koning Alkinoös hem er uitdrukkelijk om vraagt. Nogmaals is hij naamloos, een onbekende oude zwerver, wanneer hij voet aan land zet op Ithaka. Hij onthult zijn identiteit aan Telemachos en samen besluiten zij de vrijers te doden. Wanneer hij zijn paleis betreedt, wordt hij eerst herkend door zijn hond Argos, later door zijn voedster Eurykleia. Zo doorloopt Odysseus nogmaals de stadia van zijn volwassenwording om zijn identiteit te herwinnen: pas na het winnen van de wedstrijd maakt hij zichzelf kenbaar aan de vrijers. Wanneer Penelopeia hem weerziet, is zij nog altijd niet volledig overtuigd. In zijn bijzijn verzoekt zij Eurykleia het bed, dat Odysseus zelf getimmerd heeft, te verplaatsen om het op te maken. Odysseus stelt dat dat onmogelijk is, omdat een van de poten van het bed uit een levende olijfboom bestaat. Met het slagen voor deze laatste test herwint hij zijn vrouw, zijn rijk en zijn identiteit volledig.

Hoewel de Ilias en de Odysseia vaak in een adem genoemd worden, zijn de thema’s en de toon dus wezenlijk verschillend. De Ilias toont ons een wereld waarin mensen bloedige oorlogen uitvechten die veroorzaakt zijn door grillige goden. De Odysseia toont ons hoe de mens de kwade krachten van zijn omgeving bedwingt en zichzelf in het middelpunt van zijn wereld weet te plaatsen. Als de homerische epen aan het begin van de westerse beschaving staan, zouden we kunnen zeggen dat de Ilias een grafrede bij de oude wereld is, terwijl de Odysseia het nieuwe tijdperk inluidt. Dat sprak filosofen in de oudheid al aan in het verhaal van Odysseus. Sokrates en later de stoïci lazen in de Odysseia al een allegorie voor de zwerftocht van de menselijke geest naar zelfbegrip. Wat hen bovendien aansprak, was dat Odysseus zijn doel niet bereikt door middel van geweld, zoals Achilleus, of Aeneas in Vergilius’ naar Homeros gemodelleerde epos, maar juist door zijn hoofd te gebruiken en zijn emoties in toom te houden. Door de gehele Odysseia valt vooral op hoe weinig Odysseus handelt. In plaats van impulsief en emotioneel te reageren, stelt hij zijn acties uit tot het meest adequate moment.

De Odysseia en de duistere zijde van de beschaving
Dat de Odysseia als blauwdruk van de westerse beschaving tevens veel kan zeggen over de duistere zijde daarvan is aangetoond door Theodor W. Adorno en Max Horkheimer in hun briljante Dialectiek van de Verlichting. In deze ‘filosofische fragmenten’, geschreven tijdens en gepubliceerd kort na de Tweede Wereldoorlog, proberen zij een antwoord te vinden op de vraag hoe het mogelijk is geweest dat een beschaving die zichzelf ‘verlicht’ achtte vervallen is in barbarij, oorlog en onderdrukking. De verklaring ligt volgens de auteurs niet zozeer in een gebrek aan rationaliteit, maar veeleer in een overmatige, eenzijdig ontwikkelde rationaliteit. De term ‘verlichting’ uit de titel verwijst niet primair naar de periode in de achttiende eeuw die geassocieerd wordt met filosofen als Voltaire, Hume en Kant, maar naar rationeel denken in het algemeen, als een poging om het vreemde te begrijpen en zo te onderwerpen. Om deze rationaliteit te onderzoeken, dienen we terug te gaan naar de eerste mens die haar ten volle benutte, namelijk Odysseus.

De mythische wereld ontstaat volgens Adorno en Horkheimer wanneer de primitieve mens wordt geconfronteerd met een angstwekkende wereld, die hij probeert te bezweren door de natuurkrachten namen en dierlijke of menselijke voorstellingen te geven en ze met offers tevreden te houden. Odysseus belichaamt de eerste schrede uit deze wereld: hij staat niet machteloos tegenover de krachten van de natuur, maar weet ze te overmeesteren. Odysseus, de ‘schrandere’ – zoals het epitheton ornans luidt dat Homeros voortdurend hanteert –, doet dat niet door brute kracht, maar door middel van de list. We noemden al het voorbeeld van de cycloop Polyphemos. Odysseus moet geduldig aanzien hoe een van zijn mannen door hem wordt opgegeten en slaat pas toe wanneer de eenogige reus dronken in slaap valt. Nadat zijn oog is uitgestoken, zitten Odysseus en zijn mannen nog altijd gevangen in de grot, die afgesloten is met een zware steen. Ze weten te ontsnappen door zich aan de vacht van Polyphemos’ schapen vast te klampen. De meest karakteristieke list is wel de tocht langs de Sirenen. Het lied van de Sirenen is onweerstaanbaar: iedere schipper die het hoort, wordt naar ze toegetrokken en slaat op de klippen te pletter. Odysseus vult de oren van zijn mannen met was, zodat zij ongestoord verder kunnen roeien, en laat zichzelf aan de mast vastbinden. Hoe meer hij smeekt om hem los te maken, hoe steviger zijn mannen de touwen aantrekken.

De listen die Odysseus moet uithalen om onder het godenoffer uit de komen, zijn volgens Adorno en Horkheimer zelf weer een offer aan een nieuwe god: het ‘zelf’. Zij schrijven: ‘Het binnen zijn identiteit volhardende “zelf”, dat in de overwinning van het offer ontspringt, is toch weer onmiddellijk een hard, tot verstenens toe volgehouden offerritueel, door de mens aan zichzelf gecelebreerd doordat hij zijn bewustzijn plaatst tegenover de natuursamenhang.’ Het moderne ‘zelf’ ontstaat in het proces waarin de mens leert de hem uitwendige én inwendige natuur te beheersen. Dit blijkt onder andere uit een passage waarin Odysseus, teruggekeerd op Ithaka, ontdekt dat enkele dienstmeisjes ’s nachts naar de vrijers sluipen. Ziedend van woede slaat Odysseus op zijn borst en hij spreekt zijn hart toe zich gedeisd te houden. Het subject, zo concluderen Adorno en Horkheimer, lijkt in deze passage nog gespleten te zijn. De overwinning op de eigen natuur – later uitgedrukt in het slaan op de borst – ontstaat door het uitstellen van de wraak, dat een eenheid sticht door de tijd heen: een eenheid tussen het ‘ik’ dat nu boos is en het ‘ik’ dat later wraak neemt.

De voorsprong van Odysseus op zijn tegenstanders wordt door Homeros allegorisch verbeeld. De Lotuseters voeden zich met bloemen en zijn daarom in Homeros’ ogen inferieur, omdat ze niet, zoals de Grieken, het land verbouwen. De mannen die van de bloemen eten, vervallen in een soort infantiele geluksextase en kunnen slechts met harde hand weer aan hun doel herinnerd worden. De cyclopen zijn, als jagers en herders, alweer een stap verder, maar nog altijd primitief. Dit wordt uitgedrukt in hun ene oog, minderwaardig aan de symmetrie van de hogere zintuigen (ogen en oren). Bij de Sirenen en bij de tovenares Kirke wordt Odysseus met name geconfronteerd met zijn innerlijke natuur. Het lied van de Sirenen kan hij zonder gevaar aanhoren, omdat zijn lijf vastgeketend is; zijn mannen horen het lied niet en roeien door. Een vroege vorm van arbeidsdeling, volgens de auteurs: ‘Zo vallen kunstgenot en handarbeid in het afscheid van de voorwereld uit elkaar.’ Ook de ban van Kirke, die al zijn mannen in varkens heeft betoverd, weet Odysseus te doorbreken, door haar verleiding in eerste instantie te weerstaan. Hij deelt het bed pas met haar nadat hij de heks onder bedreiging een eed heeft laten zweren.

De mythe was een inadequate manier van natuurbeheersing, aangezien zij de mens niet de hoogste macht toekende en derhalve niet in staat was de angst weg te nemen. Verlichting bestrijdt de mythe; de wereld wordt, in Max Webers woorden, onttoverd. Maar de overgang van mythe naar verlichting, belichaamd door Odysseus, is volgens Adorno en Horkheimer geen lineair proces en al helemaal geen proces van vooruitgang. Mythe en verlichting verhouden zich dialectisch tot elkaar. De mythe was al een vorm van verlichting (aangezien ze de wereld trachtte te beheersen) en verlichting dreigt nu weer in mythe om te slaan. Volgens de auteurs is de verlichting namelijk eenzijdig verlopen. De menselijke rationaliteit heeft haar utopische potentieel, van een voortschrijdende mondigheid en vrijheid, niet gerealiseerd. Zij heeft zich eendimensionaal ontwikkeld tot wat Adorno en Horkheimer ‘instrumentele rationaliteit’ noemen, een denken dat slechts oog heeft voor efficiëntie, harde feiten en grote getallen en alles van de fenomenen abstraheert wat niet binnen een algemeen begrip past. Hegels beroemde definitie van de geschiedenis luidde: ‘De wereldgeschiedenis is de vooruitgang in het bewustzijn van vrijheid.’ Het tegendeel lijkt het geval te zijn. De moderne mens is in hoge mate onvrij door een rationeel systeem dat hij zelf voortgebracht heeft, maar dat hem nu zelf beheerst. Dat is wat Adorno en Horkheimer verstaan onder de ‘dialectiek van de verlichting’: de verlichting is in haar tegendeel, namelijk mythe, omgeslagen. De verlichte mens is als de tovenaarsleerling; de scheppingen waarmee hij de natuur trachtte te overheersen – techniek, instituties, kapitalisme – keren zich tegen hem. ‘Verlichting is totalitair,’ zo stellen de auteurs. We moeten niet uit het oog verliezen dat de Dialectiek van de Verlichting tijdens de Tweede Wereldoorlog geschreven is. De eerste zin van het werk luidt: ‘Vanouds heeft verlichting, in de meest omvattende zin van voortschrijdend denken, het doel nagestreefd bij de mensen de vrees weg te nemen en hen als heer en meester te laten optreden. Maar de volledig verlichte aarde straalt in het teken van triomferend onheil.’

De Odysseia vertelt niet het verhaal van een oude, verloren gegane wereld, maar van de vroegste jeugd van onze eigen beschaving – de westerse beschaving die in Griekenland haar bakermat heeft en inmiddels de wereld domineert. De wereld zoals wij haar kennen en zoals wij haar gewend zijn te beschouwen, is in de Odysseia in de kiem aanwezig. Het is niet voor niets dat in een van de belangrijkste modernistische romans, James Joyces Ulysses, de hoofdpersonen Stephen Dedalus en Leopold Bloom een parallelle weg bewandelen als respectievelijk Telemachos en Odysseus. De Odysseia gaat over het ‘zelf’, over óns ‘zelf’; over hoe dat ‘zelf’ in de geschiedenis tot stand gekomen is en, zoals Adorno en Horkheimer hebben laten zien, tegen welke prijs.