Vergeven is een 'slappe, linkse hobby'

Rutger Lemm, We need to talk about Kevin, Hannah Arendt, Harry Mulisch, Eichmann, Kabinet-Rutte

klik om een oordeel te geven!
 
In “Het ongrijpbare kwaad,” refereert Rutger Lemm aan Harry Mulisch en Hannah Arendt om aan te tonen dat het kwaad in onze samenleving onvoorspelbaar is. Dat hij zich, om deze conclusie te bereiken, laat inspireren door een film; een product van fantasie, is niet toevallig. Gelijk heeft Lemm, wanneer hij het onvoorziene einde van de film We Need to Talk About Kevin relateert aan het onvoorziene kwaad in onze samenleving. Hij is echter onjuist, wanneer hij stelt dat het onvoorstelbare ook onoverkomelijk is. Filosofe Hannah Arendt beweert juist het tegendeel. Hoewel zij inderdaad aangeeft dat het kwaad niet te verhalen is op psychologische gronde of historische gebeurtenissen en we dus nooit weten hoe het kwaad zich manifesteert, betekent dit niet dat wij machteloos staan.

Arendt zou nooit pleiten voor de harde aanpak van het kabinet-Rutte, waarvan Lemm terecht aangeeft dat het onkenbare niet verdwijnt door het de kop in te drukken met geweld of hardere straffen. Een premier die zijn steun uitspreekt wanneer slachtoffers een inbreker toetakelen, vertoont een vreemd soort liberale opvatting van het christelijke ‘oog om oog, tand om tand’. In het licht van Arendt’s theorie is er maar één juiste vorm van vergelding: het onvoorspelbare Kwaad doe je met onvoorspelbaar Goed teniet.

Onvoorspelbaarheid is namelijk niet alleen een eigenschap van het kwaad. Het onvoorziene is ook dat wat beweging en verandering in onze maatschappij veroorzaakt. Dit betekent niet dat we passief achterover moeten leunen, wachtend op verandering. In plaats daarvan, moeten we ons actief inzetten in de samenleving.

Maar actief betekent niet: gewelddadig. Lemm prijst Mulisch en Arendt omdat zij het ‘normale’ en banale van het kwaad benadrukken. Dit maakt het kwaad ook zo ongrijpbaar – als het the girl next door is, hoe sporen we het kwaad dan op? Maar zo normaal zijn onze criminelen niet. Wat Lemm als kleine jongen deed, dát was normaal. Hij fantaseerde erover om zich op het voetbalveldje naast zijn huis even te voelen als de ‘helden van televisie’. Dat verlangen zette aan tot handelen: samen met zijn broertje veranderde hij vier planken in doelpalen. Daarmee ageerde Lemm tegen het kwaad. Zijn vermogen om zichzelf in een andere situatie te denken dan de zijne – de triomf van voetballers op televisie – en dat vervolgens om te zetten tot een daad – het maken van doelpalen – is volgens Arendt precies wat ons van kwaad behoed.
Het jongetje Nathan, ‘pure evil’, kon deze palen niet maken, maar wel vernietigen. Geweld en destructie waren zijn enige middelen (en ik ben benieuwd of het hem nu anders vergaat). Zijn daad is simpel. Het kapot maken van andermans bouwsel vereist geen enkele verbeeldingskracht. En juist die kracht weerhoudt ons ervan om anderen kwaad te doen.

Dat Adolf Eichmann er tijdens het proces in 1961 niet bijzat als een monster, is alleen voor de meest fantasielozen een verrassing (zij beroepen zich immers op cliché-beelden van het kwaad). Het ontbreekt Eichmann echter aan dezelfde kwaliteit als de kleine Nathan: het vermogen tot verbeelding – waarmee de meeste ‘normale’ mensen gelukkig wel gezegend zijn. De nazi-leider kon niet anders doen dan kwaad, omdat hij zich de positie van een ander niet kon inbeelden.

Tekenend is de reactie van Eichmann wanneer hij van de gevangenisbewaker Nabokov’s Lolita krijgt aangeboden. Na twee dagen geeft Eichmann de roman vol afschuw terug: “Dat is een zeer onaangenaam boek.” De praktijken van de pedofiele Humbert Humbert kan hij blijkbaar niet verdragen. Niet, natuurlijk, omdat hij goed en kwaad zo juist weet te scheiden, maar omdat hij zich totaal niet kan verplaatsen in het perspectief van een ander.

Lemm verwerpt het op christelijke traditie geïnspireerde idee dat het kwaad beheersbaar is. Maar we kunnen wel wat met het kwaad in onze samenleving. Niet met geweld of zware straffen die criminelen alleen maar meer isoleert en hun verbinding met de werkelijkheid nog meer corrumpeert. Wel met een andere christelijke traditie: het verstrekken van vergiffenis. Wraak verwachten we wanneer we iets fout doen, terwijl vergeving onvoorspelbaar is. Maar voor het kabinet-Rutte is vergeven, net als bijvoorbeeld kunst, een ‘slappe, linkse hobby’. Arendt zou dat tegenspreken. Vergeven is een daad die verbeelding en energie vereist. Het ondermijnt de enige kracht van een crimineel: die van vernietiging.

Willen we het kwaad minimaliseren, dan moeten we onze verbeelding gebruiken. We hoeven dus niet bang te zijn voor the girl next door. Wel moeten we vrezen voor een fantasieloos kabinet.



* In reactie op Rutger Lemm’s “We zijn bang voor het kwaad. Maar hardere straffen uitdelen is zinloos.” in de nrc.next van woensdag 11 januari 2012, de Zin pagina.


Reacties

Vergeven is geen linkse hobby maar zoals terecht opgemerkt een oudere bezigheid. In het christendom is er dan ook alle aandacht voor geweest. Maar wie vergeeft wie? Kan een rechter, die zelf geen slachtoffer is van een misdrijf, wel in de positie zijn om te vergeven? Wie is hij om te bepalen dat een slachtoffer zich maar over zijn gevoelens moet heen zetten?

Tevens wordt een vals dillema geschetst, zoals dat altijd gebeurd bij iets wat wel een linkse hobby is: het bashen van iedereen die niet gelooft dat enkel het 'versterken van het goede' (wat bij de overheid doorgaans niet gratis is) de juiste aanpak is. Straffen (en welke straf streng mag heten is zo vaag dat een discussie daarover inhoudsloos is) beschouwen als averechts middel is nogal vreemd, wetende dat straffen overal voorkomen waar leven interacteert. Mensen, apen, honden en vissen straffen hun soortgenoten. Wie is een linkse hobbyist dan om de functie ervan te ontkennen?

Natuurlijk is er een andere zijde van de medaille: belonen. Maar iemand een misdrijf vergeven, terwijl je daartoe niet in de positie bent, en bovendien daarmee denkt in te kunnen druisen tegen de natuur, is ongeloofwaardig.

Een simpel feit: Als Robert M. levenslang opgesloten wordt, is de kans op herhaling nihil.
Hoezo helpt streng straffen niet?

Rutger Huitema op 22-03-2012 om 20:44

"Willen we het kwaad minimaliseren, dan moeten we onze verbeelding gebruiken."

Onze verbeelding kan juist uitstekend toegepast worden voor het kwade. Lees de Sade eerst maar eens, of wat overgeleverd is over Nero of Caligula, of bekijk de constructietekeningen van martelwerktuigen. Uitermate ingenieus en verbeeldingrijk!

Het kwade kan dus ook gemaximaliseerd worden met de verbeelding.

Verder slaat de stelling alleen op het bestrijden van het kwaad binnen het individu zelf. Wat te doen tegen de fantasielozen? Graag een verbeeldingrijke oplossing!

groet,

Floris

Floris de Vries op 07-03-2012 om 20:44