De eeuwige wederkeer van

It's not the ideal, stupid!



klik om een oordeel te geven!
Hoewel ik uit Eindhoven kom, weet ik nooit goed wat te denken van de Verlichting. Ik vind het sowieso al heel knap dat men er iets van kan vinden, gezien de vele denkers die onder de Verlichting worden geschaard, met grote onderlinge verschillen.
De afgelopen maand interviewde ik twee intellectuelen, die aan de Verlichting refereren. In Potsdam sprak ik voor Filosofie Magazine met Susan Neiman, directeur van het Einstein Forum, en auteur van ondermeer Moral Clarity – A Guide for Grown-Up Idealists. Voor haar zou de Verlichting het morele alfa en omega moeten zijn van (politiek) handelen.

Neiman claimt dat zonder de Verlichting morele vooruitgang en emancipatie van burgers, vrouwen en minderheden niet mogelijk was geweest. De universele kracht van de Verlichting breekt zelfs door de meest tirannieke en uitzichtloze situaties heen; altijd immers, zelfs in tijden van evident onrecht, geldt de onomstotelijke, want gefundeerd op de rede, morele wet van Immanuel Kant: mensen zijn een doel op zichzelf, en niet volledig te reduceren tot gebruiksmiddelen. Slavernij, onderdrukking van vrouwen en minderheden, martelen; zonder Kant zouden deze praktijken ons misschien weliswaar naar de keel grijpen, maar we zouden niet over de argumenten beschikken die het mogelijk maken onze stem te verheffen. Neiman hekelt dan ook de ‘postmoderne’ linksachtige figuren, die relativerend over moraal praten, of ‘die bij ieder moreel statement airquotes maken met hun vingers om aan te geven dat ze het allemaal niet zo serieus bedoelen.’

Op de Nacht van de Filosofie interviewde ik essayist en NRC-columnist Bas Heijne, die diezelfde linksachtige figuren in het nog te verschijnen boek Moeten wij van elkaar houden? voor de voeten werpt dat ze juist in Verlichte abstracties blijven praten, die krachteloos zijn tegen het verbale geweld van populisten. Waar populisten de angst van de hardwerkende Nederlander, die ziet hoe zijn buurt verkleurt, aanvoelen en ommunten in ferme uitspraken en politiek succes, blijft de zogeheten Verlichte elite praten in termen van tolerantie en wederzijds respect. Een gratuit kosmopolitisme, die de behoefte aan een eigen identiteit afdoet als kleinzieligheid, of zelfs verdacht maakt. Populisten maken daar eenvoudig gehakt van; Heijne haalt de eerste NRC-column van PVV’er Martin Bosma aan, waarin deze dergelijke kosmopoliete geesten hypocrisie verwijt. Met de mond belijden ze tolerantie en gelijkheid, maar in de praktijk brengen ze hun eigen kinderen naar een keurige, witte school, en niet naar eentje vol met Mohammeds en Fatima’s.

Ik denk dat ik een eind met Heijne’s verhaal kan meegaan. Maar ik vraag me af: is die hypocrisie nu te wijten aan die Verlichte abstracties zélf, of aan de manier waarop daar mee wordt omgegaan? En in het tweede geval: als we niet leven naar die abstracties, is dat altijd moreel laakbaar? Dit zijn belangrijke vragen; ‘abstracties’ hebben in deze tijd namelijk per definitie een slechte naam. Alles wat niet concreet is, waar je niet meteen wat aan hebt, is hoogst verdacht. Zie daar een reden van het succes van populisme: politiek moet suggereren boter bij de vis te zijn, en ook nog wat op te leveren, anders geldt het al snel als verlakkerij. Maar tegen de tijdgeest in, zouden abstracties van grote waarde kunnen zijn – en we moeten niet het kind met het badwater weggooien. Het is ook heel moeilijk om een antwoord te vinden op racisme, maar ik zou toch willen vasthouden aan de redenen ertegen – ook als mijn gesprekspartner niet luistert.

De filosofie is per definitie een abstracte discipline. Hoewel het een filosoof siert op de hoogte te zijn van empirisch onderzoek, heeft de filosofie geen ‘object’, zoals een bioloog of een natuurwetenschapper. Het onderwerp van filosofische reflectie is die reflectie zelf . Als een filosoof nadenkt over vrijheid, kijkt hij niet onder welke omstandigheden mensen zich het meest vrij voelen, zoals misschien een psycholoog of socioloog zou doen. Hij onderzoekt concepten en vooronderstellingen. Als wij onder vrijheid beschouwen dat ‘iedereen kan doen wat hij wil’, dan analyseert de filosoof of een dergelijke concept houdbaar is – leidt het bijvoorbeeld niet tot tegenspraak? Als iedereen doet wat hij wil, gaat dat dan niet ten koste van de vrijheid van iedereen? Het nut van een dergelijke discipline is moeilijk aantoonbaar; het is op korte termijn veel nuttiger – alleen al om beleidsredenen – om te onderzoeken onder welke condities mensen zich vrij (of gelukkig) voelen. Maar vrijheid ‘op zichzelf’ – wie kan daar wat mee?

Toch behelst niets anders dan deze abstractie, deze louter reflectieve discipline, juist de waarde van filosofie. We zien dat heel goed bij Neiman: de kracht van Kant, is dat zijn definitie van morele wet juist ondanks de praktijk geldt. Strikt gesproken is de morele wet volkomen nutteloos, en hoe onvrijer de samenleving, hoe meer mensen tot dingen worden gemaakt, hoe nuttelozer ze is. Toch brengt ze iets onder woorden; ze drukt in algemene termen uit wat een persoonlijk geweten ons misschien al eerder aanwreef: hier klopt iets niet. En wel hierom… Misschien is dat de aanzet tot stemverheffing, verandering of revolutie.

Abstracties zijn dus van levensbelang. Dat wil niet zeggen dat ze altijd toepasbaar zijn. Niemand kan volledige tolerantie betrachten, de gelijkheid van ieder mens naleven et cetera. Maar daarmee ben je nog niet hypocriet, wat Bosma ook moge beweren. Verlichtingsdenkers als Kant zouden de eersten zijn om dat te benadrukken. Dat de rede (en ons geweten) ons steeds weer aan de gelijkheid van mensen herinnert, wil niet zeggen dat we daar in de praktijk ook altijd naar kunnen of moeten handelen. Het zou volkomen immoreel zijn, om van mensen te verwachten te handelen als engelen. Daarom is het voorbeeld van de ‘hypocriete’ linkse vader die zijn kinderen naar een witte school brengt ook schandalige retoriek, waar we niet in moeten trappen. Natuurlijk, zelfs al gaat het je nog zo aan het hart dat de grens tussen kansrijk en kansarm onderwijs wordt getrokken langs etnische lijnen, altijd zijn er dan nog de persoonlijke morele afwegingen als opvoeder. Dat is geen ‘verraad’ aan je idealen, noch het bewijs dat die idealen bloedeloze abstracties zijn. Dat zou pas zou zo zijn, als zelfgenoegzaamheid het geweten volledig zou overstemmen. Daar begint de morele onverschilligheid, en dáár ligt volgens mij het grote probleem. Het is niet zo zeer, dat de elite niets anders dan abstracties kan inbrengen tegen de populisten (wat ik sowieso betwijfel, aangezien grote delen van die elite – links én rechts – al sinds de jaren tachtig het failliet van de multiculturele samenleving afkondigden), maar eerder dat ze volstrekt onverschillig zijn geworden ten aanzien van hun eigen idealen. Wat je die moeder of vader niet kan aanrekenen.

Deze week stond in NRC een opiniestuk van Thomas Spijkerboer, hoogleraar Migratierecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, die eveneens de Verlichting aanhaalt. In het stuk, naar aanleiding van het Afghaanse meisje Sahar dat toch in Nederland mag blijven, hekelt Spijkerboer het schizofrene immigratiebeleid. Terwijl Nederland voorstaat een Verlichte natie te zijn, worden vrouwelijke activisten, openlijk homoseksuelen, niet- of anders gelovigen zonder pardon uitgezet. De argumentatie: ze kunnen zich in het land van herkomst toch ook weer anders voordoen? Schrijnend is het geval van een lesbische vrouw die terugmoet naar Sierra Leone; de IND geeft haar in ambtelijke taal te kennen dat ze daar immers toch weer in de kast kan.

Nu houdt Spijkerboer in dit stuk geenszins een betoog om al die mensen ‘dus’ in Nederland te houden. Het gaat hem om de eerste plaats om hypocrisie: de Verlichtingswaarden, schrijft hij, zijn verworden tot louter pr. Terwijl bijvoorbeeld aan Nederlandse moslims steeds maar weer wordt gepredikt dat er een recht is om afvallig te zijn, en dat vrouwen en homo’s gelijk zijn aan mannen en hetero’s, blijkt aan het uitzetbeleid hoe gratuit (en dus ongeloofwaardig) die preken zijn. Het is ter eigen eer en glorie. Maar die hypocrisie is nog niet eens wat Spijkerboer het meeste treft. Wat hem vooral ergert, is de onverschilligheid. Ook bladen als Opzij en de Gay krant, wier hoofdredacteurs in het verleden fel konden uithalen naar de Nederlandse moslimgemeenschap, zwijgen over dit uitzetbeleid.

Het is niet het ‘abstracte’ beginsel van gelijkheid van homo’s en hetero’s, of van mannen en vrouwen, dat hier ter discussie staat. En nee, we zijn niet hypocriet omdat we niet wereldwijd alle zielige homo’s kunnen beschermen, of omdat we niet drie uitgeprocedeerde lesbo’s in huis nemen. Het is de volkomen onverschilligheid – niet eens het wegkijken, maar het niet kijken – die een farce maakt van de Verlichting.

Met dank aan Ivana en Harrie

Reacties

Mensen zijn te vergelijken met ruiters te paard. In deze metafoor staat de ruiter voor het verstand en het paard voor de passies. Het gedachtegoed van de Verlichting geeft richting aan de ruiter maar niet aan het paard. En het paard gaat vaak met de ruiter aan de haal. De passies en Wil zetelen in de buik en alle oordelen en besluiten worden gestuurd door 'gut feel'. Het verstand kan achteraf goed verklaren welke argumenten van toepassing waren.
Ik denk dat de filosofie wel een 'object' heeft: de mens, u, ik, wij.

D. op 14-07-2011 om 16:22

abstract-concreet, onverschillig-verschillig etc. het zijn, denk ik, tegenstellingen verankerd in onze psyche, waarbij geldt dat je vroeg of laat moet veranderen van positie of je moet deze tegenstellingen kunnen overstijgen.

Kees Razenberg op 18-04-2011 om 16:22