Kinds



klik om een oordeel te geven!
Door de gangen van ons verpleeghuis dwaalt de heer V. Hij was ooit priester, verbleef in een klooster, maar dat hield hij niet vol en hij trouwde. Zijn vrouw is al vele jaren dood. Het was naar ik hoor een enigszins vreugdeloos huwelijk. Dat kwam doordat hij zijn in het kloosterleven aangeleerde zure behoedzaamheid niet van zich af wist te schudden toen hij het echte leven binnentrad. Hij was een maniakaal bezuiniger op het gebied van eten, drinken, kleding en meubilair. Vakantiereisjes waren ondenkbaar, en ook lichamelijk wist hij niet dat het leven iets feestelijks kan zijn.

Alzheimer heeft vaak een grillig verloop. Meneer V. verkeert nu al enkele jaren in een langzaam verergerende toestand van opperste verwarring. Hij loopt niet zomaar wat rond in de gang – nee, hij is altijd geagiteerd over een gebeurtenis of een besluit of een bijeenkomst waarbij hij het allemaal verkeerd gedaan heeft. ‘En toen kwamen ze met zo’n grote, ja dat weet ik niet hoor, dat zeg ik wel… maar een grote van een helemaal verkeerde… een verkeerde foute… die ze daar hadden… zodat ik…’

Hij vertelt het handenwringend, op de rand van tranen. Je voelt zijn wanhoop, maar je weet niet waar die over gaat. Ik denk dat hij zich in een kloostergang waant en dat hij nog altijd schuldgevoelens met zich meesleept over zijn wellicht onhandige daden uit die tijd. Maar het kan ook woede zijn over wat men hem in die kloosterwereld heeft aangedaan. Ik weet het niet, en navraag doen werkt niet, want talig is hij zo slecht dat hij alleen nog maar met verscheurde vlaggen kan zwaaien waarop niets meer goed leesbaar is.

Is het niet ongelooflijk dat hersenschade je zo reddeloos de mist in kan leiden? Voordat alzheimer epidemisch werd – dat wil zeggen, in de tijd dat slechts weinigen zo oud werden dat ze aan dementeren toe kwamen – werden oude mensen met de ziekte enigszins liefkozend als ‘kinds’ beschreven. Nu we het beeld beter kennen, klinkt dat vals. Was het maar zo dat wij als kinderen zouden worden alvorens we door de Alzheimer-poort het rijk der hemelen mogen binnengaan. Maar in dementie zie ik geen kinderlijkheid, in de aantrekkelijke zin van dat woord. 

Zijn wij dan toch ons brein? Nee hoor, Dick Swaab bedoelde dat wij bepaald worden door ons brein, en hij zegt dat hij dat wel begrijpt. Ik zie het wel, dat we zo bepaald zijn, maar ik snap het niet. Daar komt ook snobistische verontwaardiging bij: stof (jakkes) veroorzaakt geest (halleluja)? Mickey Mouse schreef Hamlet?

Reacties

Stof (jakkes) zou geen geest (halleluja) kunnen veroorzaken? Dat valt nog te bezien, denk ik.

Als de individualiteit, het “ik,” niet met het brein vereenzelvigd mag worden, dus als mijn zelfbewustzijn, mijn persoonlijkheid, meer is dan het voortbrengsel van “mijn” brein, hoe komt het dan dat een hersenbeschadiging door bijvoorbeeld een infarct, een ongeval of een langdurig coma mij (mijn “ik”) blijvend kan veranderen, bijvoorbeeld van optimistisch in neerslachtig, van levenslustig in suïcidaal, van meegaand in opstandig, van altruïstisch in egoïstisch of omgekeerd? Of hoe komt het dan dat bij Alzheimer de afbraak van de persoonlijkheid gelijke tred houdt met die van de hersenen. Brein en persoonlijkheidsstructuur, materie en geest, soma en psyche zijn blijkbaar onlosmakelijk aan elkaar gerelateerd. De basis van de geest is blijkbaar materieel: zonder hersenwerking geen bewustzijn, laat staan zelfbewustzijn. Maar betekent dat ook dat er niets in mij is dat mijn hersenen overstijgt en dat kan overleven?

Teilhard de Chardin was van mening dat de evolutie zich niet voltrekt door óntplooiing, óntwikkeling van de materie, maar juist door samenvouwing, door inwikkeling, door oprolling, dus door voortdurende integratie van eenvoudiger delen tot complexere gehelen, die – let wel – méér zijn dan een optelsom van de delen. In zijn gedachtegang is (heel kort samengevat) het leven opgerezen uit de op zichzelf teruggebogen materie en is het reflexieve denken – en daarmee het zelfbewustzijn van de mens – opgerezen uit diens op zichzelf teruggebogen bewustzijn. De terugbuiging zou zich zelfs kunnen voortzetten in personificatie van de gemeenschap, de mensheid, waardoor ook deze het vermogen tot zelfwaarneming en dus tot zelfbewustzijn zal ontwikkelen.

Ziehier een gedachte-experiment We nemen aan dat de relatie lichaamscel staat tot lichaam vergelijkbaar is met de relatie mens staat tot mensheid. Lichaamscellen (althans de meeste) reproduceren zich, maar sterven ook voortdurend af. De collectiviteit van de cellen – het lichaam – leeft niettemin voort.

Nu stellen we ons voor dat de lichaamscellen over zélfbewustzijn beschikken. Ze hebben dus weet van hun eigen bestaan en van dat van hun medecellen. Ze weten zelfs, hoewel ze zich daarbij weinig kunnen voorstellen, dat ze samen een lichaam vormen. Maar wat ze zich (nog) niét realiseren, is:
a. dat hun individuele bestaan geen doel is in zichzelf, maar dienstbaar is aan het totaal van álle cellen (het lichaam);
b. dat ze allemaal samen een bewustzijn vormen dat hun eigen bewustzijn overstijgt: het bewustzijn van de mens waarvan zij de bouwstenen vormen.

Zolang individuele cellen deze twee fundamentele waarheden niet hebben ontdekt, hebben ze moeite met de eindigheid van hun bestaan. Vandaar dat ze op de gedachte komen (de wens is er de vader van) dat zij en zij alleen ook na de dood individueel zullen voortbestaan. Zo zoeken ze een “zin van het bestaan”, niet beseffend dat die zin er al dubbel en dwars is: een zin die hoog boven hun individuele bestaan uitreikt. Als ze boven hun eigen beperkte dimensies zouden kunnen uitstijgen en zouden beseffen dat het leven waaraan ze deel hebben niet ophoudt als hun eigen celstructuur wegvalt, dán zouden ze met recht en reden tot de conclusie komen: ons leven gaat verder in hét leven dat ons overstijgt, dat van de mens.

De analogie ligt voor de hand. Die betreft de relatie tussen ons individuele leven en dat van de mensheid waaraan wij tezamen gestalte geven. Het plaatst de zin en het doel van het leven in een ruimer perspectief dan in dat van ons kortstondig verblijf op dit ondermaanse. Wij mensen zijn geen blijvertjes. U en ik zullen het leven verlaten, maar hét leven waarvan wij de bouwstenen zijn, gaat in de mensheid verder.

N. Wamelink op 27-02-2014 om 17:08

Termen als "het echte leven" en "die kloosterwereld" als diskwalificatie voor het kloosterleven in zijn algemeenheid komen toch wat zuur en naar over vind ik. Wat is dat eigenlijk, "het echte leven"?

Rudolf op 20-02-2014 om 12:16