Trudy Dehue over invloed farmaceutische industrie op DSM-V

Dehue: ' De makers van de nieuwe DSM doen zorgwekkende dingen'

donderdag 22 maart 2012Trudy Dehue over invloed farmaceutische industrie op DSM-V

69 procent. Dat is het percentage aan de farmaceutische industrie gelieerde leden van de werkgroepen die de DSM-IV TR, het meest gebruikte handboek voor psychiatrische diagnostiek herzien. Zo schrijft het open acces, peer reviewed internettijdschrift PLos Medicine.


Hoe ernstig is het als mensen die meebepalen wat een psychische stoornis is en hoe die valt te behandelen nauwe banden hebben met de industrie? We vragen dat aan de Groningse wetenschapsfilosofe Trudy Dehue. Zij publiceerde in 2008 De depressie-epidemie en werkt nu aan een boek over de impact van de neurobiologie op het alledaagse leven.

Het herziene handboek, de DSM-V komt in 2013 uit. In De depressie-epidemie schreef u dat tussen 1999 en 2006 het gebruik van antidepressiva in Nederland is verdubbeld. In 2006 telde het College voor zorgverzekeringen ruim 1 miljoen gebruikers.  Zullen medici na publicatie van de DSM-V nog meer psychofarmaca voorschrijven? Moeten we ons (nog meer) zorgen maken?
‘Er is sindsdien een fikse toename van het gebruik van psychofarmaca. Denk aan antipsychotica of aan middelen tegen ADHD. Een  kleine tien jaar geleden slikten ongeveer 40 duizend kinderen in Nederland ADHD-medicijnen, nu zo’n 150 duizend Nederlanders van wie een derde volwassenen. De aandacht die de belangenverstrengeling van het DSM-team in Nederland krijgt, vind ik echter te groot. We weten al dat de technische psychiatrie grotendeels wordt gefinancierd door bedrijven. Het gaat ook al niet meer alleen om farmaceutische bedrijven maar steeds meer om fabrikanten die elektronische apparatuur maken om het brein te verbeteren. Denk aan apparaten voor transcraniële magnetische stimulatie, aan nervus vagus implantaten of geheugenchips.’

‘De Nederlandse overheid streeft momenteel met haar “topsectorenbeleid” doelbewust naar een aanzienlijk nauwere band tussen wetenschap en bedrijfsleven. Waar ík me zorgen over maak, maar misschien ben ik gewoon ouderwets, is dat niet-technische manieren om het leven leefbaar te houden verdwijnen. De technologisering/commercialisering gaat bijvoorbeeld gepaard met de afbouw van de geesteswetenschappen en de filosofie. Ook op de niet-technologische takken van de geestelijke gezondheidszorg wordt stevig bezuinigd. De praattherapieën worden ernstig gekort en de behoedzame zorg voor zwakken in de samenleving gaat er steeds meer aan.’

Reageert u niet te gelaten? Misschien is het probleem nog wel veel groter... En misschien is het al langer bekend dat de technische psychiatrie grotendeels wordt gefinancierd door bedrijven... Maar dan nog... Dat maakt die verwevenheid toch niet minder erg?
‘Zelf zou ik mijn reactie niet gelaten noemen. De makers van de nieuwe DSM doen inderdaad zorgwekkende dingen, zoals de criteria verlagen voor ADHD bij volwassenen. Maar eenzijdige kritiek op alleen de DSM werkt op dit moment juist de afbouw in de hand van de zachtere hulpverlening ten gunste van biotechnologische mensverbetering. De overheid streeft demedicalisering na vanuit de gedachte dat mensen maar eens wat flinker moeten worden en dat je ook wel met de kapper kunt praten. Tegelijk zet ze met het bedrijfsleven in op een “Topsector Life Sciences and Health” die in een recente nota de slogan hanteert “Gezonde mensen, lagere kosten en klinkende munt”.’

Geen eenzijdige kritiek op farmaceutische bedrijven, zegt u dus. Maar wat dan wel?
‘Dat ligt voor de hand denk ik: een andere onderlinge omgang met elkaar, wat synoniem is aan andere politiek. Grote groepen mensen een stoornis toedichten is ook een vorm van technische mensverbetering, want uiteindelijk gaat het om normen. Er hangt nergens een bordje “stoornis” in het brein van mensen die zich slechter concentreren dan anderen. Dat is een kwalificatie die aan het hersenonderzoek vooraf ging. Bovendien is het brein plastisch en kunnen ook omstandigheden tot concentratieproblemen leiden. We zouden tot een beleid kunnen komen dat enerzijds meer gericht is op verschillen aanvaarden en zoeken naar de speciale talenten van mensen. Anderzijds zouden we meer aandacht kunnen besteden aan omstandigheden waarin mensen floreren of juist niet. Fiona Godlee, de hoofdredacteur van het British Medical Journal benadrukte het onlangs nog.

Ik citeer haar bijna letterlijk: een moderne benadering van geestelijke gezondheid erkent dat gebrek daaraan het gevolg kan zijn van sociale ongelijkheid, te weinig rechten en gebrek aan financiële zekerheid, die met medicijnen niet te verhelpen zijn. Dergelijke problemen zijn in Engeland groter dan hier. Dat komt door een meritocratisch bewind dat met Thatcher is ingezet. Dus is het goed naar Engeland te kijken zodat we weten wat er gebeurt als we dezelfde weg inslaan en de collectieve sector ontmantelen – wat de huidige regering hard aan het doen is. Hoeveel depressie (en trouwens ook angst en boosheid) zou het schelen als mensen die geen “winners” zijn niet meer het gevoel werd bijgebracht dat ze dus “losers” zijn?’

Maarten Meester