Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement

Menselijke waardigheid en ‘de ander’

Hoe veel boeken kun je schrijven zonder in herhaling te vallen? Noor Kuijpers bezocht de lezing van Martha Nussbaum in Amsterdam, en concludeerde tot haar spijt dat dat er niet oneindig veel zijn.

Een week voordat ik weet dat Martha Nussbaum in het land is bekijk ik mijn Twitter-account. Ik doe dat bijna nooit en dat betekent een treurig account. Maar dat ik vandaag Twitter is goed: iemand brengt de lezing van Martha Nussbaum, zaterdag een week later, onder de aandacht. Ze is hier om haar nieuwe boek - De nieuwe religieuze intolerantie - te promoten. Ik vrees het ergste: uitverkocht. Want het is wel Nussbaum waar we het over hebben, een halve God binnen de filosofie. Er blijken nog kaartjes te zijn. Dus: op zaterdagavond ben ik in De Nieuwe Liefde. Ik was er nooit eerder, het blijkt niet zo groot – wonen er in Amsterdam zo weinig bewonderaars?


Kerk & staat
Een aantal jaren geleden volgde ik tijdens mijn studie een vak over kerk & staat, waarbij we het boek Liberty of Conscience lazen. Daarin verdedigt Nussbaum de Amerikaanse traditie van religieuze gelijkheid aan de hand van het principe van accommodatie. Aan dat principe ligt een gevoel van onrechtvaardigheid ten grondslag, dat ontstaat wanneer het zo zou zijn dat nationale wetten de individuele religieuze rechten van burgers zonder uitzondering zouden overstemmen. Het principe van accommodatie betekent: het toestaan van uitzonderingen op algemene wetten voor bepaalde individuen op grond van redenen van geweten. Dat toestaan van excepties lijkt misschien in eerste instantie in strijd met de kernwaarden vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid. Maar in feite is het noodzakelijk voor een billijke behandeling van het individu, en staat het toestaan van uitzonderingen juist in dienst van het gelijkheidsprincipe.

Omdat dat niet (direct) evident is, behandelt Nussbaum een waslijst aan voorbeelden om het hoe en wanneer van het accommoderen van religie helder te krijgen. Dezelfde voorbeelden haalt ze aan tijdens de lezing. Zo is daar Adell Sherbert, die in 1959 gedwongen werd een extra dag te werken, ingegeven door een economische crisis. Omdat de meeste werknemers op zondag ter kerke gingen werd besloten dat ze prima op zaterdag zouden kunnen werken. Maar dat lag anders voor Adell Sherbert, lid van de kerkgenootschap der zevende-dags adventisten, die God op zaterdag wenste te vereren. Sherbert werd ontslagen maar kreeg na een lange rechtsgang gelijk: de Supreme Court besloot in 1963 dat een religieuze vrijstelling op de wet gemaakt kon worden. Onder voorwaarden, dat wel. Daartoe werd de vraag gesteld: plaatst de overheid een substantieel bezwaar op de vrije uitoefening van religie door het individu? En zo ja, kan de inbreuk gerechtvaardigd worden door een dwingend belang van de staat? Zie daar: de Sherbert-test. In de jaren daarna echter, werd het toelaten van uitzonderingen drastisch ingeperkt, vooral naar aanleiding van de zaak Smith. Al Smith, die centraal staat in de rechtszaak, was een inheemse Amerikaan die tijdens religieuze ceremoniën Peyote - een volgens de wet illegale drug - tot zich nam. De rechters oordeelden dat een uitzondering op een federale wet expliciet in die wet moet zijn opgenomen. Het zwaarwegende staatsbelang is dus steeds zwaarder gaan wegen, en dus werd een inbreuk op een individueel belang door de staat steeds gemakkelijker om te rechtvaardigen.

De ander
In haar nieuwste boek snijdt Nussbaum een vergelijkbaar onderwerp aan, alhoewel meer gericht op het intermenselijke aspect. Wij willen volgens Nussbaum altijd iemand de schuld geven. Voor de economische crisis bijvoorbeeld. En die schuldigen zijn vaak de ‘anderen’. In Europa en de Verenigde Staten valt die categorie samen met ‘de Moslims’. Het liefst zouden we geloven dat die religieuze intolerantie achter ons ligt, maar de alledaagse werkelijkheid laat iets anders zien. Nussbaum wijst op een Zwitsers referendum, waarbij de bouw van minaretten werd verboden, en op het Franse boerkaverbod als evidenties van onze angst. In de VS mocht een meisje haar hoofddoek niet ophouden tijdens haar werk in Disneyland (‘not the Disney-look’).

Nussbaums standpunt is dat we vrijheid op de ruimst mogelijke manier opvatten, en gelijkelijk toepassen. En dan heeft ze het ook over de vrijheid van religie. Ze ziet minder heil in de oplossing van John Locke (er is geen sprake is van discriminatie zo lang een verbod of wet voor iedereen op dezelfde wijze geldt) en meer in de oplossing van Roger Williams: zonder dringend staatsbelang kan er geen inbreuk gemaakt worden op de vrije uitoefening van religie. In het geval van het boerkaverbod maakt het eigenlijk geen verschil welke opvatting je aanhangt: het boerkaverbod passeert niet eens de minimale eisen die Locke stelt, laat staan de meer substantiële van Williams.

Bovendien ontkracht Nussbaum vijf ridicule en inconsequente argumenten die gebruikt worden tegen de boerka. Dat de boerka gepaard gaat met mannelijke overheersing bijvoorbeeld. Of dat de boerka ‘gevaarlijk’ zou zijn, omdat je niet kunt zien wie ‘m draagt. Nussbaum brengt daar tegenin dat zij, als het koud is in Chicago, haar hele hoofd omwikkelt met een sjaal, en ook nog eens twee mutsen draagt. Dan ziet men feitelijk toch ook niet direct met wie ze te maken hebben? En daarbij, tandartsen dragen toch ook mondkapjes? En football-spelers maskers? Ik zat me op te vreten, toen ik Nussbaum dit hoorde zeggen. Want een functionele bedekking van mond of tanden, dat is toch iets heel anders dan een bedekking vanwege religieuze motieven?

Taksimplein
Er bestaan ontzettend veel onzinnige argumenten tegen het dragen van een boerka. Dergelijke argumenten lijken gebruikt te worden door mensen die niet stilstaan bij de overtuiging die iemand kan hebben om een boerka te dragen. Hetzelfde geldt voor de interpretatie van gelijkheid en vrijheid: beide begrippen bestaan zo wat bij de gratie van de uitzondering. Want eenzelfde toepassing van een wet leidt lang niet altijd tot gelijkheid tussen mensen; vaak is daarvoor juist het maken van een onderscheid noodzakelijk. Nussbaum heeft dus een helder en reëel punt, maar onderbouwt dat slecht: ze steunt eigenlijk alleen op voorbeelden en slechte vergelijkingen. En dat is zonde, omdat de angst voor ‘het andere’ op deze manier weggemoffeld wordt, laat staan serieus genomen.

Nussbaum doet het publiek de suggestie om onze medemensen te zien als échte, volledige mensen. We moeten ons innerlijke oog openstellen voor het andere, en onze eigen houding onder de loep nemen. En dat is natuurlijk fraai gesproken, maar verre van een oplossing of zelfs maar een begin van begrip van onze angst. We zijn nog lang niet voorbij het politieke onderscheid tussen mensen, en de overheid zelf haalt vaak de eisen die Locke stelde niet eens (zoals Nussbaum terecht waarneemt). Kijk alleen maar naar de chaos op het Taksimplein waar de seculiere Turken tegenover premier Erdogan staan, die op het plein de grootste moskee van het land wil bouwen. Zo lang dergelijke praktijken nog plaatshebben in de wereld is er geen plaats voor liefdevol bedoelde, maar uiteindelijk waardeloze vergelijkingen tussen de boerka en een rugbymasker. Kritisch kijken naar onze eigen overtuigingen heeft inherente waarde en zal ons zeker geen kwaad doen, maar met gedeeld sentiment alléén komen we er niet.

Noor Kuijpers

Op de hoogte blijven van filosofie? Neem nu een halfjaarabonnement op Filosofie Magazine en kies een mooi geschenk.



Reacties

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.