Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 11/2019

‘Als de tijd niet dringt, verliest het leven aan gewicht’

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Maurice van Turnhout

Transhumanisten dromen van het eeuwige leven. Moet je dat wel willen, zo’n grenzeloze mens? Een gesprek met filosoof Ad Verbrugge.

‘Wie van u wil er nooit dood?’ hoorde ik een hoogleraar van de Technische Univer­siteit Eindhoven ooit tijdens een open dag aan zijn gehoor vragen. Slechts een paar aarzelende vingers gingen de lucht in. Daarop stelde de professor een tweede vraag: ‘Wie van u wil altijd gezond zijn?’ Nu schoten bijna alle vingers omhoog. Als je permanent in blakende gezondheid verkeert, waarom zou je dan het einde nog accepteren? Geestdriftig vertelde de hoogleraar over een experiment waarbij oude muizen werden geïnjecteerd met telomerase, een enzym dat het afbraakproces van chromosomen omkeert. Resultaat: de muizen werden jonger.

Of dergelijk onderzoek er ooit toe kan leiden dat mensen onsterfelijk worden, is nog zeer de vraag. ‘Dromerij, ­conceptueel onmogelijk’, vermoedt filosoof Ad Verbrugge (Terneuzen, 1967).
 

Übermensch


Luchtkasteel of niet, onsterfelijkheid staat boven aan de agenda van de transhumanisten – filosofen die speculeren over het overstijgen van de biologische grenzen van de mens. Eeuwig leven kan verschillende vormen aannemen, voorspellen zij. Zodra het lichaam daadwerkelijk in stukken en brokken uiteenvalt, plaats je een kopie van je brein in een gekloond back-uplichaam – of je uploadt het rechtstreeks in de cloud.

'Een kat kent geen eeuwigheid, omdat er voor hem ook geen eindige tijd is'

Transhumanisten zoals de Britse futuroloog Max More ­oriënteren zich graag op Friedrich Nietzsches idee van de Übermensch: ‘Geen goden meer, geen geloof meer, geen grenzen meer. Laten we losbreken uit onze oude vormen, onze onwetendheid, onze zwakte, onze sterfelijkheid!’ Mores vertrouwen in de techniek als vehikel voor onster­felijkheid is schier onbegrensd.
In 1999 promoveerde Verbrugge op het werk van Martin Heidegger, de Duitse filosoof die zowel sterfelijkheid als techniek doordacht. Vaak wordt Heidegger opgevoerd als techniekhater, maar volgens Verbrugge ligt dat genuan­ceerder. ‘Enerzijds beschouwt Heidegger techniek als de opkomst van het uiterste gevaar, omdat die zich op alle levensdomeinen uitbreidt. De muziek van Bach is bijvoorbeeld onderdeel geworden van een vermaaksindustrie met een marketingapparaat. Juist dit alomtegenwoordige en overweldigende karakter van moderne techniek kan ­volgens Heidegger ook het besef teweegbrengen dat mensen niet simpelweg de baas zijn over de manier waarop ze leven, dat we aan iets beantwoorden dat groter is dan ­wijzelf. En door dat besef hebben we de mogelijkheid tot een wezenlijk andere zijnsverhouding te komen.’

Welke lering valt er dan te trekken uit die transhumanistische droom?

‘In zijn hoofdwerk Zijn en tijd maakt Heidegger duidelijk dat de dood in ons bestaan werkzaam is doordat we ervoor wegvluchten. Je bent je wel bewust van de dood, want we weten dat iedereen sterft, maar de gedachte van de dood als de uiterste en meest eigen zijnsmogelijkheid kom je doorgaans niet onder ogen. Je denkt: men sterft, ooit. Met die geruststellende gedachte doe je aan een soort zelf­bedrog. Stemmingen kunnen bij Heidegger ons doen en laten ­bepalen, terwijl we ze juist niet bewust voelen. Neem de ­verveling, in het Duits Langeweile. De tijd wordt lang, een gevoel van leegte heeft je in de greep. Dit kan maken dat je juist zorgt voor tijdverdrijf. Voor Heidegger is de verveling dan juist ín het tijdverdrijf werkzaam; de ver­veling manifesteert zich op een verhulde manier. Zo openbaart ook de diepe angst voor de dood zich erin dat je de dood zo ver mogelijk van je vandaan wilt houden, of opvat als iets wat je moet overwinnen. Met steeds geavanceerdere medische technologie binden we de strijd aan met de dood. Maar dat is een strijd die we zullen verliezen, want uiteindelijk sterven we. Transhumanis- ten claimen echter dat ze die strijd kunnen winnen en ons in dit aardse leven van de dood kunnen bevrijden.’

Zij zien ouderdom als een geneeslijke ziekte.

‘Daarmee zijn ze op een eigenaardige manier in de ban van de dood. Ze proberen iets te verdrijven wat wezenlijk tot ons bestaan behoort. Toch is er ook bij Heidegger zelf iets merkwaardigs aan de hand. In vroegere tijden – en in veel andere culturen – draaide alles om de verhouding die je aanneemt tot de dood. De dood impliceerde een geestelijke transformatie die hoger werd geacht dan de zijnsmogelijkheid van de dood zelf. Voor een Griek uit de tijd van Achilles bijvoorbeeld was een roemloze of laffe dood erger dan de dood op zich. En in de christelijke traditie draait het niet zozeer om je biologische dood, maar om het feit of je Jezus hebt aangenomen of niet. In Hegels duiding van het Genesisverhaal zie je dat Adam en Eva na het eten van de vrucht van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad sterfelijk worden. Het bewustzijn van goed en kwaad hangt samen met de verhouding tot mijn eigen leven als zodanig, en daarmee met mijn bewustzijn van de dood – zo word ik een sterveling.’
 

Comfortabele eeuwigheid


Verbrugge wijst naar kat Boudewijn. ‘Boudewijn leeft in het comfort van het eeuwige leven’, observeert Verbrugge. ‘Althans, dat denkt hij.’ Nog een nuance: ‘Nou ja, hij denkt überhaupt niet na over de mogelijkheid van zijn dood. Er is voor hem helemaal geen ­eeuwigheid, omdat er voor hem ook geen eindige tijd is.’

Boudewijn voelt wel dat zijn krachten afnemen.
​​​​​​
‘Niet in de zin dat hij ze verstaat als “zijn krachten”; hij ­reageert erop wanneer hij stram is en rekt zich uit. Hij zal ervaren dat er iets aan de hand is, terwijl wij mensen dergelijke tekenen al snel zullen interpreteren als de onvermijdelijke aftakeling. De Grieken begrepen de mens daarom als het wezen dat sterfelijk is. Op het moment dat mensen elkaar gaan begraven en er een cultus rond de dood opkomt, ontstaat de mens zoals we hem nu kennen. Zodra het besef van die begrensdheid van zijn bestaan doordringt, begint de mens ook zijn daden anders te begrijpen, namelijk als iets wat deel uitmaakt van je leven als geheel. Je kiest voor het een, zoals een bepaald beroep, en je weet dat je daarmee niet voor het ander kiest, simpelweg omdat de tijd beperkt is. Je keuzes krijgen gewicht omdat ze een ­eindige horizon hebben. En die verhouding tot jezelf en je eigen leven maakt uiteindelijk dat je een concreet zelf wordt, fundamenteel onderscheiden van anderen. Je legt een eigen levensweg af. Dat ik mezelf word, is bovendien wezenlijk verbonden met het feit dat ik een lichamelijk wezen ben. Die lichamelijkheid begrenst mij in meerdere opzichten, bindt mij aan de ruimte en de tijd. Ik heb dáár geleefd, met die ouders, in die streek, bij dat volk. Juist de eindigheid van mijn bestaan plaatst me in een tijdelijk ­verband met anderen. In al die verhoudingen waarin je opgenomen bent, zijn ook kwesties van goed en slecht in het geding: hoe ga je met jezelf om, met je ouders, je partner, je vrienden? Er is immers maar een beperkte tijd om te handelen.’

Ziet u het idee van onsterfelijkheid dan als een soort ­wegvluchten voor dergelijke keuzes?

‘Misschien raakt de ervaring van goed en slecht dan op de achtergrond, omdat simpelweg de horizon voor je hande­lingen ontbreekt. Onsterfelijkheid lijkt overigens te passen in een sterk egocentrische levenservaring, waarin je al ­shoppend van de ene ervaring naar de andere gaat. Daarin verdwijnt ook de noodzaak van een opbouw en samenhang van je leven en het besef dat anderen om zorg en aandacht vragen. Het onsterfelijke leven wordt grenzeloos. Het geeft daarmee ook geen ruimte aan volgende generaties; het erkent niet dat zijn tijd voorbij is en anderen de kans ­moeten krijgen.’
 

Noodzaak


Verbrugge wijst erop dat sinds de Verlichting een ‘technisch-­economisch bestel’ is opgekomen, met een ­vrijheidsideaal dat in toenemende mate draait om individuele autonomie. Volgens hem ondergraaft dat bestel vijf bestaanscondities die
het menselijk leven mogelijk maken: relaties, instituties, lichaam, natuur en zin. ‘Het transhumanisme wil zich bevrijden van de resterende grenzen die meekomen met die condities’, stelt de filosoof. ‘Maar door die grenzeloosheid holt de transhumanist de inhoud van het leven zelf uit. Wat gebeurt er op het moment dat je je voortbestaan maximaliseert? In de focus op het ­individuele bestaan, jóúw oneindigheid, kan het perspectief van relaties en lijfelijkheid van je bestaan uit het oog verloren raken, zoals we net bespraken. Ook de natuur wordt vol­komen dienstbaar gemaakt aan de wens van onsterfelijkheid, terwijl onze mondiale energieconsumptie nu al onethische proporties aanneemt. Hoe zal dat zijn als er niemand meer sterft? Als je het einde opheft en je losmaakt van de natuurlijke cyclus van geboorte en dood, raak je in jezelf opgesloten. Ook instituties worden dan in dienst gesteld van jouw onsterfelijkheid. Wat betekenen een gezin, een vereniging, een land nog voor de onsterfelijke? Waarom zou je überhaupt nog kin­deren krijgen, als je niets meer door hoeft te geven aan een volgende generatie? Om nog maar te zwijgen van de zinvraag. Alles staat ineens volledig in het teken van jouw voort­bestaan. Waarom blaas je jezelf zo op? Onsterfelijkheid kan een ultieme ­ervaring van zinledigheid worden, van Langeweile. Want de tijd dringt niet meer. Het is juist door het bewustzijn van eindigheid dat de noodzaak en de bereidheid tot inspanning toenemen. Anders krijg je uitstelgedrag en onvermogen tot binding als zodanig.’

De onsterfelijke heeft geen eind, maar wel een begin. Past dat niet goed bij de filosofie van Hannah Arendt? Anders dan Heidegger nam zij niet het sterven, maar de geboorte als vertrekpunt.

‘Geboortelijkheid betekent dat je naar het leven kijkt als een raadselachtig geschenk, als iets dat zowel de ouders als het kind cadeau krijgen. Als kind heb je die geboorte niet aan jezelf te danken en je kunt er later ook niets meer aan veranderen – ook de transhumanist zal daartoe niet in staat zijn. Onze levensdraden zijn voor een aanzienlijk deel gegeven rond de geboorte: je komt ergens vandaan, je hebt ouders, een familie. Daarna worden die draden verder geweven, mede door je eigen toedoen. Het is juist door die tijdsspanne tussen geboorte en dood dat het leven zijn eigen gewicht krijgt. Geboorte en dood horen in die zin bij elkaar; het is het leven van begin tot eind dat ons op allerlei manieren met anderen verbindt. Wij zijn gewend de begrenzingen die daarbij horen als iets hinderlijks te zien. Maar als je kijkt naar hoe mensen in de praktijk leren en geestelijk kunnen groeien, is dat vaak doordat ze tegen hun grenzen aan lopen, doordat ze ervaren dat ze iets niet kunnen, afgewezen worden, door ziekte worden getroffen of doordat iemand van wie ze houden komt te overlijden. Op het moment dat je met tegenslag of verdriet wordt geconfronteerd, kan dat een bron worden van creativiteit, inzicht en diepte. De ervaring van grenzen is niet alleen maar negatief, maar maakt ook dat er iets op het spel staat en dat je in staat moet zijn dat te dragen.’

'Als je je losmaakt van de cyclus van geboorte en dood, raak je in jezelf opgesloten'


Om met Nietzsche te spreken: wat me niet ombrengt, maakt me sterker?

‘Precies, en daar hoort uiteindelijk ook de dood bij – datgene dus wat je wél ombrengt. Daarom is het beroep dat de transhumanisten op Nietzsche doen ook onterecht. Blijf de aarde trouw, schrijft Nietzsche, probeer je niet van de aarde te bevrijden. We moeten onderkennen en zelfs bekrachtigen dat de eindigheid van ons leven wezenlijk tot het aardse bestaan behoort en het zijn eigen gewicht geeft. De ontkenning daarvan, bijvoorbeeld de hoop op een eeuwig leven zonder lijden en ongemak, is volgens Nietzsche ken­­merkend voor slavenmoraal. Het transhumanisme is een ultiem maakbaarheidsideaal waarin de vitaliteit van begrenzingen, tot en met de dood zelf, miskend wordt. De geestelijke ontwikkeling in relatie tot die begrenzingen doet er niet meer toe.’

Als ik transhumanist was, zou ik zeggen: dat heiligen van die grenzen riekt naar ouderwets humanisme. Misschien leren we wel waardevolle dingen als we onze biologische grenzen overstijgen?

‘Misschien, maar voor zover ik het nu overzie, blijft transhumanisme een soort materialistische religie. In veel religieuze tradities wordt onsterfelijkheid bereikt omdat wij geestelijk gesproken het lichamelijke overwinnen. Bij de hindoeïstische gedachte van reïncarnatie klim je geestelijk op naar een hogere staat van zijn; bij christenen heb je de wedergeboorte in Christus. Het transhumanisme vervormt datgene wat in religieuze tradities te maken heeft met geestelijke verdieping echter tot een verabsolutering van het aardse bestaan. Je probeert de negativiteit van ons lichamelijk bestaan op te heffen, met ziekte en dood als ultieme boosdoeners, alsof je dan de hemel op aarde zou krijgen.’

Is de aarde dan geen paradijs als we onze fundamenteelste existentiële angst kwijt zijn?

‘Nee, dat is een rare dubbelzinnigheid. Het aardse bestaat er nu juist uit dat je de eindig­heid van het aardse onder ogen komt. De transhumanist moet zich trouwens ook geen illusies maken. Je bezit niet het absolute levensgeluk op het moment dat je de biolo­gische grens zou hebben geslecht. Je kunt wel proberen de dood als bron van ongeluk zo ver mogelijk te verdrijven, maar de bron van geluk is een andere. Die zit mede in de kwaliteit van relaties en de werking van instituties. Met onsterfelijkheid los je eenzaamheid of relationele verwondingen niet op; je krijgt er niet per se een gezellige buurt mee, zinvol werk of een goed functionerende staat. Het samen worstelen met het aardse bestaan kan menselijke relaties zowel versterken als verzwakken. Kijk naar hoe families bij elkaar kunnen komen rondom een sterfgeval. Omdat zo’n overlijden duidelijk maakt: het leven is eindig, zet je over jezelf heen. Door die eindigheid op te heffen zal de transhumanist dat wat mensen van oudsher bij elkaar brengt verder ondermijnen. Juist omdat wij sterfelijk zijn, en weet hebben van onze grenzen, moeten we zorgen voor onszelf en elkaar. Het bewustzijn van die breekbaarheid zorgt er mede voor dat mensen goed en slecht doen, dat ze offers willen brengen. Dat er helden opstaan.’

Zijn transhumanisten dan geen helden? Zij kiezen toch een avontuurlijk pad waarvan ze niet weten waar het heen leidt?

‘Voor transhumanisten is het avontuur meer een cognitieve zaak, in de zin van: je stevent op een terra incognita af. Maar dat is op zich helemaal geen heldendaad. Het gaat ironisch genoeg ook nog eens om het opheffen van datgene wat de mens van oudsher tot een ultieme held maakt: het offer van de dood. Traditioneel gezien is heldendom verbonden met je blootstellen aan gevaar en de mogelijkheid van ondergang. Waarom boezemen films en romans over zulke helden ons ontzag in? Ze overstijgen hun gebondenheid aan hun eigen fysieke voortbestaan en leggen met hun offer iets groters aan den dag. De mens is niet alleen een cognitief wezen dat informatie verwerkt; de mens is wezenlijk en primair een lijfelijk wezen dat kwetsbaar is, pijn heeft en honger lijdt, maar meer nog liefheeft, vecht en volhardt. In de begrenzing die met het leven meekomt, ligt mede de ­zinvolheid van ons bestaan.’


 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.