Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
26-06-2018

#8 Overtuiging als dwaallicht

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Ton Derksen
Columnist filosofie.nl

Elke zichzelf respecterende misdaadseriekijker weet dat een rechter of een jury pas veroordeelt wanneer het bewijs beyond reasonable doubt is. Dit lijkt rationeel. Per slot van rekening is het een empirische vraag of Jan Klaassen Katrijn heeft vermoord en moet het heel waarschijnlijk zijn (zeg maar 95%) om te voorkomen dat een onschuldige veroor­deeld wordt. Het oordeel dat Jan Klaassen de dader is, moet dus buiten gerede twijfel zijn voordat het tot zijn veroordeling komt. Bij twijfel spreekt de rechter vrij.
 
Maar zo werkt het niet in Nederland. ‘Buiten gerede twijfel’ is een begrip dat niet in het Nederlandse strafrecht voorkomt.[1] In Nederland vereist een veroordeling twee wettige bewijsmiddelen én de rechterlijke overtuiging. Met enige souplesse lijken die benaderingen — buiten gerede twijfel versus twee bewijsmiddelen plus de overtuiging — onderling uitwissel­baar. Maar er is een fundamenteel verschil van insteek. De buiten-gerede-twijfel-approach ligt in de context van redenen, met de pretentie van objectiviteit; de rechterlijke overtuiging behoort tot het domein van de psychologie, de sfeer van het subjectieve. Dat heeft in de praktijk consequenties. Ik noem er hier één.
 
Bewijsmateriaal is zelden helemaal zeker. Hoe komt de rechter nu aan zijn overtuiging? De rechtsgeleerde Scholten sprak over een sprong, ook wel oneerbiedig het sprongetje van Scholten genoemd. Conceptueel doet dat het ergste vrezen. Stel dat rechters het heel waarschijnlijk achten dat de verdachte de dader is, en dat ze op basis daarvan besluiten om de verdachte te veroordelen. Waarom kan dat pas nadat de rechter de overtuiging, de subjectieve zekerheid, heeft “bekomen” dat de verdachte de dader is? Voor de rechter zelf heeft die overtuiging wellicht een functie. Ik sprak een rechter die naderhand nooit twijfel had gekend en altijd goed had geslapen, want ‘bij elke veroordeling was hij overtuigd geweest’.  Helaas, zo’n subjectief gevoel maakt de kans op een fout niet minder.
 
Vraag je af: Hoe komt de rechter aan zijn overtuiging, aan die subjectieve zekerheid van 100%? Een aantal vooraanstaande juristen heeft zich publiekelijk uitgesproken over de aard van de sprong. Van den Emster, ex-voorzitter Raad van de rechtspraak, ‘voelt het aan zijn water’, prof. Cleiren ziet het als een kwestie van Fingerspitzengefühl, een intuïtie die een rechter in de loop van zijn leven heeft opgebouwd,[2] en Davids, ex-president van de Hoge Raad, sprak over een ‘Aha-Erlebnis’, ‘een moment van inspiratie’. ‘Dan kan je in de bus zitten of op de fiets, in de tuin. Dan denk ik opeens “Nu heb ik ‘m”.’ Dankzij zijn water, zijn intuïtie, zijn inspiratie verkrijgt de rechter zijn overtuiging. De sprong die met zijn subjectieve karakter aanvankelijk een probleem voor waarheidsvinding lijkt, wordt aldus omgevormd tot een moment van genade.
 
Die intuïtie, die inspiratie, die genade is een illusie. Empirisch onderzoek laat zien dat waarheid van onwaarheid onderscheiden in een verhoor sowieso moeilijk is, en dat dat voor rechters evenzeer geldt als voor leken: ‘trial judges performed only slightly better than chance in deter­mi­ning who was lying about watching the movie’.[3] Dit is te begrijpen. Om van de ervaring te kunnen leren, moet je van je fouten kunnen leren. Bij dokters gaan patiënten dood, hoogst onbevredigend, maar wel leerzaam. Bij rechters gaan verdachten het gevang in. Wordt een veroordeelde later alsnog vrijgesproken (hetgeen zelden gebeurt), dan is dat een verschil van interpretatie, nog geen fout. De rechter heeft geen mogelijkheid om zijn intuïtie, zijn inspiratie als bron van waarheid te toetsen.
 
Die intuïtie, die inspiratie wordt aldus een gevaarlijke illusie. Natapoff merkt op dat ‘courts have traditionally permitted snitches to testify on the assumption that cross-examination will adequately test an informant’s truthfulness’.[4]  Gesterkt door inspiratie en een paar vragen meent de rechter op zijn intuïtie te kunnen besluiten dat de snitch betrouwbaar is. In vele zaken heeft dit tot grote ellende geleid.
 
Ten slotte nog: waarom is de verkregen overtuiging niet simpelweg het gevolg van de natuurlijke neiging van ons brein om twijfel uit te sluiten? Niks geen inspiratie. De sprong misleidt. Overtuiging is een dwaallicht.

Voetnoten:
[1]  Ex-president Hoge Raad, hoogleraar strafrecht Corstens en AG Knigge proberen het begrip in te passen. Bijvoorbeeld AG Knigge stelt: ‘Ik meen dat ook naar Nederlands recht vereist is dat de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel238 bewezen moet zijn.’ (Hoge Raad 2 februari 2010,  LJN BJ7266)
[2] Cleiren (2010). De rechterlijke overtuiging. Een sprong met hindernissen. @@
[3] Paul Ekman & Maureen O'Sullivan (1991), Who Can Catch a Liar?, 46 Am. Psychologist, 913-17, p. 913.
[4] Natapoff (2006), Beyond Unreliable: How Snitches Contribute to Wrongful Convictions, Golden Gate University Law Review, p. 108.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.