Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
14-05-2018

Opmerkingen over de staat van achterlijkheid waarin de vrouw zich door diverse oorzaken bevindt

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Mary Wollstonecraft

Het lijkt me duidelijk dat de vrouw van nature zwak is, of door een samenloop van omstandigheden is achtergesteld. Tegenover deze stelling zal ik nu simpelweg een conclusie zetten die ik dikwijls hoorde uit de mond van verstandige mannen die voor een aristocratie zijn: de massa der mensheid
mag niets voorstellen, omdat anders de gehoorzame slaven, die zich lijdzaam voorwaarts laten drijven, zich bewust zouden worden van hun belang en hun ketenen zouden afwerpen. Die mannen overwegen vervolgens dat de mensen zich overal neerleggen bij hun onderdrukking, terwijl ze hun
hoofd maar hoeven verheffen om het juk van zich af te schudden; maar in plaats van hun geboorterecht op te eisen, laten ze hun tong in het stof hangen en zeggen ze: ‘Laten we eten en drinken, want morgen zijn we dood.’ Analoog redenerend zeg ik dat vrouwen verlaagd zijn als gevolg van dezelfde neiging om van het moment te genieten, en uiteindelijk de vrijheid verachten, omdat ze de deugd ontberen voor de strijd omwille van die vrijheid. Ik moet echter wat explicieter zijn.
 
Wat de cultivering van het hart betreft, is iedereen het erover eens dat sekse er niet toe doet; maar als het om de vermogens van de geest gaat, zal de vrouw de grens van inferioriteit nooit passeren.[1] ‘Volmaakt lieftallig’, het aandeel in rationaliteit dat vrouwen vergund is, is voorwaar bijzonder armoedig; want als men hun genie en oordeelsvermogen ontzegt, is nauwelijks voor te stellen wat er nog overblijft om intelligentie te karakteriseren.
 
De volmaakbaarheid van de menselijke rede is de meeldraad der onsterfelijkheid, als ik me zo mag uitdrukken; want als de mens perfect was geschapen, of als bij zijn volwassenwording zich een vloed van kennis in hem zou uitstorten die dwaling verhindert, dan betwijfel ik of zijn bestaan zich voortzet nadat zijn lichaam tot ontbinding is overgegaan. Zoals het er nu voor staat, is echter elk moreel probleem dat zich onttrekt aan het menselijk redeneren, en dat zowel het diepgravend onderzoek van de denker als het bliksemend inzicht van het genie verbijstert, voor mij een argument waarop ik mijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel grondvest. De rede is derhalve eenvoudigweg het vermogen tot verbetering, of liever gezegd, tot het onderscheiden van de waarheid. In dit opzicht is ieder individu een wereld op zichzelf. De rede kan bij de een meer overwegen dan bij de ander, maar de natuur van de rede moet bij allen dezelfde zijn, indien ze een emanatie is van goddelijkheid; de schakel tussen het schepsel en zijn Schepper. En kan een ziel met een hemels beeld worden gestempeld, wanneer ze niet door de oefening van de eigen rede tot perfectie is gekomen? Toch wordt die eer de vrouwenziel niet gegund, ofschoon het uiterlijk van de vrouw met grote zorg wordt verfraaid en zó opgesmukt ter verrukking van de man ‘dat hij met eer van haar kan houden, terwijl de man, die altijd tussen haar en de rede in staat, haar steeds zal beschouwen als een schepsel dat zó geschapen is, dat ze voortdurend door een troebel medium kijkt en de dingen op goed vertrouwen aanneemt. Als we deze fantastische theorieën laten voor wat ze zijn, en de vrouw als een geheel zien, welk dan ook, in plaats van als een deel van de man, dan is de vraag of ze al dan niet over rede beschikt. Zo ja, waar ik nu even van uitga, dan kan ze niet louter geschapen zijn tot troost van de man, en mag haar seksuele karakter haar menselijke aard niet verwoesten.
 
Waarschijnlijk zijn mannen tot deze dwaling vervallen doordat ze educatie niet in het juiste licht zien; namelijk uitsluitend als een voorbereiding op het leven, en niet als eerste stap in de vorming van een wezen dat geleidelijk de perfectie nadert. Deze ‘zinnelijke dwaling’, want zo moet ik die wel noemen, heeft de gedragswijzen van vrouwen geregeld volgens een foutief systeem dat het hele geslacht van zijn waardigheid berooft en dat brunette en blondine onderbrengt in de klasse van glimlachende bloemen die slechts het land verfraaien. Dit was altijd de taal van mannen, en uit angst om van een vermeend seksueel type af te wijken, hebben zelfs vrouwen met een superieur verstand deze sentimenten overgenomen. Zo wordt vrouwen verstand in eigenlijke zin ontzegd, waarvoor een tot gevatheid en sluwheid gesublimeerd instinct voor de praktische doeleinden des levens in de plaats komt.
 
Het vermogen om gedachten te generaliseren, om allesomvattende conclusies te trekken uit afzonderlijke waarnemingen, is de enige verworvenheid – voor een onsterfelijke wezen – die waarlijk de benaming ‘wetenschap’ verdient. Zich beperken tot waarnemen, zonder te streven naar verklaring, kan (op een zeer gebrekkige manier) volstaan voor het gewone leven, maar waar liggen dan de gewaden waarin de ziel zich kan hullen bij het verlaten van het lichaam?
 
Dit vermogen wordt vrouwen niet alleen ontzegd; sommige schrijvers beweren zelfs met klem dat het strijdig is, een paar uitzonderingen daargelaten, met hun seksuele karakter. Als een man dit inderdaad kan bewijzen, zal ik meteen toegeven dat de vrouw uitsluitend omwille van de man bestaat. Ik moet echter op voorhand opmerken dat het vermogen om gedachten te generaliseren, in geringere of grotere mate, onder mannen noch vrouwen zeer vaak voorkomt. Deze oefening vormt evenwel de ware cultivering van het verstand; en er bestaat een grote samenzwering die vooral in de
wereld der vrouwen het cultiveren van het verstand bemoeilijkt.
 
Deze stelling brengt mij als vanzelf naar het hoofdonderwerp van dit hoofdstuk en ik ga nu pogen enkele oorzaken aan te wijzen van de achterstelling van de sekse, die tevens verhinderen dat vrouwen hun waarnemingen generaliseren.
 
Ik ga niet terug tot de annalen van de verre Oudheid om de geschiedenis van de vrouw na te gaan; we kunnen volstaan met aan te nemen dat de vrouw altijd ofwel slavin, ofwel despoot was en dat in beide gevallen de vooruitgang van de rede in gelijke mate wordt vertraagd. De grote bron van de
dwaasheid en ondeugd van de vrouw leek me altijd bekrompenheid van geest; en de inrichting zelf van de burgerlijke samenleving wierp steeds vrijwel onoverkomelijke hindernissen op voor de cultivering van het verstand van de vrouw. Ook de rijken stuitten op deze hindernissen, en de gevolgen waren dezelfde.
 
Men noemt noodzaak wel de moeder van de vindingrijkheid, en het aforisme is ook van toepassing op deugd. Die is een verworvenheid en wel een verworvenheid waaraan plezier moet worden opgeofferd; aan wie weleens plezier dat voor het grijpen lag heeft opgeofferd, vraag ik: geldt niet dat
tegenslag de geest openstelt en sterkt, en dat noodzaak de drijfkracht is bij het streven naar kennis? Het is maar goed dat mensen met de zorgen des levens te kampen hebben, want dit voorkomt dat ze uit louter nietsdoen ten prooi vallen aan gewoontes die hen verteren. Hoe kunnen echter mannen en vrouwen die van jongs af aan in een hete luchtstreek woonden, waar het genot met de middagzon recht van boven komt, hun geest voldoende sterken om zich van de dagelijkse plichten te kwijten of de hoge gevoelens te smaken die hen buiten zichzelf brengen?
 
Volgens de inrichting van de huidige samenleving draait het leven van de vrouw om verstrooiing; en zolang dat het geval blijft, valt er van zulke zwakke wezens weinig te verwachten. Als erfgenamen in de rechte lijn van het eerste fraaie defect in de schepping – de heerschappij van de schoonheid – hebben ze, om hun macht te handhaven, afgezien van de natuurlijke rechten die het gebruik van hun verstand hun had kunnen geven, en willen ze liever kortstondig koningin zijn dan hun best doen voor de sobere genoegens die voortkomen uit gelijkheid. Opgetogen als ze zijn over hun minderwaardigheid (dit klinkt tegenstrijdig), verlangen ze voortdurend als vrouw geëerd te worden, hoewel ze uit ervaring kunnen weten dat de mannen die zich erop beroemen deze arbitraire en schaamteloze hulde aan de sekse te brengen, en wel zeer nauwlettend, het meest geneigd zijn om
juist de door haar gekoesterde zwakheid te verachten en te tiranniseren. Ze denken dikwijls zoals de heer Hume, wanneer hij Franse en Atheense karaktertrekken met elkaar vergelijkt, en daarbij naar vrouwen verwijst: ‘Tegen de Atheners zeg ik: het vreemdste aan het grillige Franse volk is wel dat
het jullie malligheid tijdens de saturnalia, wanneer de meesters hun slaven bedienen, het hele jaar voortzet, en dat deze Fransen die gekheid hun hele leven lang serieus volhouden, wat ook nog gepaard gaat met bepaalde andere omstandigheden die het absurde en bespottelijke ervan nog vergroten. Jullie grappenmakerij verheft slechts voor een paar dagen degenen die het lot heeft neergeworpen, dat hen tevens, ook voor de grap, voor altijd boven jullie kan verheffen. Maar de
Fransen verheerlijken plechtig degenen die de natuur aan hen ondergeschikt heeft gemaakt, en wier minderwaardigheid en gebreken volstrekt ongeneeslijk zijn. De vrouwen, ofschoon zonder deugd, zijn hun heren en meesters.’
 
Ach! Waarom toch verlagen vrouwen zich – ik schrijf met liefdevolle bezorgdheid – om van vreemdelingen aandacht en respect te aanvaarden in een mate die afwijkt van de uitwisseling van beleefdheden tussen mannen onderling, die door humaniteit en beschaafde manieren wordt voorgeschreven? En waarom zien ze ‘op het hoogtepunt van de macht der schoonheid’ niet in dat ze alleen maar als koninginnen worden behandeld om te worden misleid door leeg respect, totdat ze worden gedwongen om afstand te doen van hun natuurlijke privileges of daarop geen beroep te doen? Opgesloten in kooien als onze gevederde vrienden rest hun slechts hun veren glad te strijken en pseudomajesteitelijk van de ene stok op de andere te stappen. Het is waar dat ze van voedsel en kledij worden voorzien, zonder daarvoor te moeten sloven of spinnen; maar in ruil daarvoor geven ze gezondheid, vrijheid en deugd op. Welk menselijk wezen heeft voldoende geestkracht om te bedanken voor deze toevallige voorrechten – iemand die zich boven de heersende opinie verheft met de kalme waardigheid van de rede en die het aandurft trots te zijn op de voorrechten die inherent zijn aan de mens? De hoop hierop is ijdel zolang erfelijke macht de gevoelens smoort en de rede in de knop breekt.
 
De hartstocht van mannen heeft aldus vrouwen op tronen gezet, en zolang de mensheid niet redelijker wordt, valt te vrezen dat de vrouwen zich meester zullen maken van de macht die ze met de minste inspanning verwerven en die het minst betwistbaar is. Ze zullen blijven glimlachen – zeker, ze zullen glimlachen, ook al zegt men hun:
 
In het rijk der schoonheid bestaat geen middenweg,
En de vrouw, slavin of koningin
Voelt zich snel geminacht wanneer ze niet aanbeden wordt.
 
Maar aanbidding komt eerst, en minachting wordt dan niet voorzien.
 
Vooral Lodewijk xiv introduceerde gekunstelde gewoontes, en wist met pracht en praal het hele land in zijn strikken te vangen; hij smeedde namelijk een ingenieuze keten van tirannie, waarmee hij bewerkstelligde dat elk individu er belang bij had om de positie van de koning te respecteren en zijn macht te steunen. De vrouwen, die hij vleide met een pueriele aandacht voor de sekse als geheel, kregen tijdens zijn regering de onderscheiding van prinsessen, die noodlottig is voor rede en deugd.
 
Een koning zal altijd een koning blijven en een vrouw altijd een vrouw: zijn autoriteit en haar sekse zullen een rationele omgang tussen beiden altijd in de weg staan. Goed, zo hoort de vrouw te zijn als het om een minnaar gaat, en haar gevoel zal haar er van nature toe brengen om emoties op te wekken, niet om haar ijdelheid, maar om haar hart te bevredigen. Dit wil ik geen koketterie noemen; het gaat om een ongekunstelde natuurlijke drang. Ik protesteer slechts tegen seksuele verlangens naar verovering wanneer het hart niet meedoet.
 
Dat verlangen beperkt zich niet tot vrouwen. Lord Chesterfield zegt: ‘Ik heb getracht de harten te veroveren van twintig vrouwen om wier persoonlijkheden ik geen zier gaf.’ De libertijn die in een vlaag van hartstocht misbruik maakt van nietsvermoedende tederheid, is een heilige in vergelijking
met deze harteloze schurk – ik gebruik graag pakkende termen. Omdat behagen het enige is wat vrouwen hebben geleerd, willen ze voortdurend behagen, en proberen met waarlijk heldhaftige bezieling harten te veroveren, uitsluitend om die harten te verstoten of te vertrappen zodra de zege vaststaat en manifest is.
 
[1] Als mannen zonder het kompas van grondbeginselen redeneren, vervallen ze tot de grootste ongerijmdheden. Vrouwen, zwakke vrouwen, worden vergeleken met engelen; toch moeten we van wezens van een hogere orde veronderstellen dat ze meer intellect hebben dan de man; waaruit bestaat anders die superioriteit? Volgens dezelfde redeneertrant, maar nu zonder spot, neemt men aan dat vrouwen goedhartiger, vromer en vriendelijker zijn dan mannen. Ik betwijfel dit, al wordt het allemaal hoffelijk naar voren gebracht, tenzij onwetendheid als de moeder van aanbidding mag gelden; ik ben er namelijk vast van overtuigd dat deugd en kennis proportioneel meer met elkaar in overeenstemming zijn dan men in het algemeen denkt.
 
Dit is een fragment uit Mary Wollstonecrafts Pleidooi voor de rechten van de vrouw (Uitgeverij Wereldbibliotheek, ISBN 9789028427013), dat nu te koop is in onze webshop.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.