Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
06-04-2018

Denkers om het warm van te krijgen: Charles Baudelaire

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Simon J. Bellens

Charles Baudelaire (1821-1867)
'Wees altijd dronken! Dat is alles, het enige wat er toe doet.' (Le Spleen de Paris, XXXIII)




Zoals genoegzaam bekend, zorgde Noach er eigenhandig met een zelfgebouwde ark voor dat niet alle levende wezens verdronken. Op het einde van zijn leven verging het hem minder glorieus. Bewusteloos van dronkenschap – de wijn van zijn eigen wijngaard – ligt Noach in volle naaktheid in zijn tent. Wanneer hij bij het ontwaken ontdekt dat zijn zoon hem bedekt heeft, barst hij in woede uit. Na de zondvloed leefde Noach nog 350 jaar – compleet bezopen.

Noach doet Baudelaire’s credo alle eer aan. Je moet altijd dronken zijn. Weliswaar is het niet noodzakelijk dat het de wijn is die hiertoe leidt, maar dronken van wijn is beter dan helemaal nuchter. In Over wijn en hasjiesj bespreekt de Franse dichter uitvoerig de geneugten van de drank.

Intense uitzinnigheid en grote ontroering. Wijn maakt noeste arbeiders gelukkig en doet nieuwe toevallige, maar vurige vriendschappen ontstaan. Het zwengelt de verbeelding aan en de dapperheid om krachtdadig te leven. ‘Er is op de aardkloot een ontelbare menigte naamlozen, bij wie de slaap de ellende niet voldoende kan lenigen. Wijn betekent voor hen gezangen en gedichten.’ De nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Baudelaire durft een afweging ook niet te maken. Hij is ervan overtuigd dat wijn een fundamentele menselijkheid in ons opwekt, die we in nuchtere toestand verbergen, misschien wel onderdrukken. ‘Iemand die slechts water drinkt, heeft een geheim te verbergen’, zegt hij. De roes is de enige manier om aan de onverdraaglijke middelmatigheid van het bestaan te ontsnappen, om een oorspronkelijk zelf te vieren.

Om te begrijpen waarom Baudelaire zo de wijn prijst, moeten we kijken naar wat hij zegt over hasj. Zoveel geneugten heeft de wijn, zoveel gevaren heeft de hasj. Om te beginnen is hasj asociaal. Het werpt je terug op je eigen beleving, zonder toevallige ontmoetingen te stimuleren. Maar die eigen beleving lijkt in de roes van de hasj de eigen persoonlijkheid soms te verlaten. Hasj heeft volgens Baudelaire een objectief karakter in die zin dat je je met de objecten van je waarneming gaat vereenzelvigen. Alles lijkt buiten je eigen levenskracht om te gebeuren. Onbedaarbare lachbuien overvallen je, ook al is niets grappig. Hallucinaties brengen je eigen verbeelding in de war. Bereik je dan toch een soort geluk, dan is dit het geluk van de lamlendigheid – het tegendeel van daadkracht. ‘Hasj is gemaakt voor beklagenswaardige nietsnutten.’ Wijn biedt troost en creëert een nieuwe geestdrift. In het heetst van de hasj-roes gaat de persoonlijkheid dan wel alle kanten op, ‘naar de vier windstreken’, zij krijgt nooit een creatieve beweeglijkheid. Je kan je niet passioneel concentreren, je vrije associaties houden geen steek. Concluderend stelt Baudelaire dat hasj de spieren verslapt en de spijsvertering verwart.

Beide hebben niettemin ‘een uitzonderlijke poëtische ontwikkeling’ voor de mens. Er zit poëzie in de ledigheid en in de overmoed. Maar Baudelaire verkiest de overmoedige wilskracht (wijn) boven de dromerige luiheid (hasj). Hem gaat het om de creatieve roes. Baudelaire drinkt om de intensiteit van het oorspronkelijke leven en zijn eigen compromisloze creativiteit te voelen. Om weerstand te bieden aan een modern-kapitalistisch systeem dat de belofte van het unieke individu inhoudt, maar eigenlijk alle mensen homogeniseert, opneemt in een systeem van productie en consumptie – en zo een diepe menselijkheid verloren doet gaan. Als Baudelaire dandy wordt, of flaneur, dan spreekt hieruit een poging om middels een esthetische levenshouding, een persoonlijkheid levenskunst, het leven weer zin te geven in een epoque die authentieke zinvervulling onmogelijk lijkt te maken.

In een essay over onder andere de Nederlandse schilder Constantijn Guys, De schilder van het moderne leven, definieert Baudelaire de moderniteit als ‘het kortstondige, het vluchtige, het contingente’. De Duitse filosoof Walter Benjamin grijpt dit aan om de komst van het moderne in de negentiende eeuw te karakteriseren. De moderniteit kondigt zich aan als een periode van nieuwheid. Maar wat maakt de nieuwheid uit van het nieuwe? En wat gebeurt er als dit nieuwe zelf routineus wordt? Wat blijft, wat eeuwig en essentieel is voor het moderne leven, leest Benjamin, is de vluchtigheid zelf. Het nieuwe wordt meteen gecommodificeerd (als nieuwheid, een nieuw product dat u moét hebben omdat het nieuw is) en wordt zo meteen als nieuw aan alle nieuwheid gelijk. Alles is nieuw of alles staat stil – uiteindelijk komt het op hetzelfde neer. Niets blijft, tenzij als vluchtigheid. Het leven lijkt ons constant door de vingers te glippen. Aan deze 'helse last van de Tijd', de typisch moderne tijdsbeleving, moeten we ontkomen. Er zit niets anders op dan heerlijk dronken te worden.
 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.