Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 11/2017

Bert Keizer: David Hume

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Bert Keizer
filosoof, verpleeghuisarts

Omdat ik een citaat van Hume in een essay ging gebruiken (‘Ik geloof niet dat ooit iemand zijn leven weggooide terwijl het nog de moeite waard was’) kwam ik terecht in Mossners biografie uit 1954 en Greigs brieveneditie uit 1932. Hume schreef zijn meesterwerk, A Treatise of Human Nature, in zijn twintiger jaren. In 1739 kwam het uit.

‘Het viel doodgeboren van de pers’, zei hij. Beetje overdreven, maar het veroorzaakte veel minder lawaai dan hij hoopte. Om een idee te geven van zijn karakter: hij was als jonge jongen eens aanwezig op een drukke receptie, waar iemand kennelijk een scheet had gelaten. Iedereen geprikkeld natuurlijk, en onder luid gejoel werd de hond de kamer uit gejaagd. Hume vond dit zo zielig voor het beest dat hij bekende: ‘Maar ik heb het gedaan.’ Over het redigeren van zijn Treatise schreef hij: ‘Ik ben mijn werk aan het castreren – dat wil zeggen, de mooiste delen gaan eraf.’ Halverwege een lange brief zegt hij tegen de lezer: ‘Wil je niet zo gapen alsjeblieft?’

Door zijn Engelse tijdgenoten werd hij fronsend bekeken. Men beschouwde Schotten als domme boeren, maar ook de Schotse geestelijkheid had moeite met de man die ze beschreven als ‘de Grote Afvallige’. Hume bood dat spektakel waar christenen toen (en nu ook nog enigszins) vreselijk brandend maagzuur van krijgen: een aardige, deugdzame, scherpe, goedlachse, erudiete, grappige en opvallend briljante vent, die echter uitdrukkelijk zonder God door het leven ging. Zijn brieven zijn erg onderhoudend, altijd goedgehumeurd en vol zelfspot, met name over zijn lichamelijke omvang. Hume was een dikkerd. Hij werkte een tijdje als diplomaat, en na een receptie in Wenen moest zijn gezelschap afscheid nemen van de keizerin-moeder. Het protocol eiste dat men al buigend achteruitliep, maar de mannen maakten er een potje van, waarop de majesteit riep: ‘Heren, dit is geen gezicht, u kunt het niet, en de vloer is te glad, draait u om en loop maar gewoon weg.’ Hume: ‘Mijn delegatiegenoten waren kolossaal opgelucht, want ze waren bang dat ik boven op ze zou vallen.’ 
Aan een vriend schrijft hij: ‘Zeg tegen je zus dat ik precies zo ernstig ben als zij denkt dat een filosoof moet zijn. Ik lach eens in de twee weken, slaak elke week een diepe zucht, en zie er altijd tobberig uit.’ Over Seneca, de rijke stoïcijn, maant hij een vriend: ‘Ik wou dat jij wat meer van zijn filosofie had. En ik wat meer van zijn geld.’

De vervelende Boswell sloop hem na op zijn sterfbed in 1776 om te zien of de filosoof in het zicht van de dood niet nog even gauw alles goed zou maken door bekeerd te sterven. Maar Hume zei: ‘Ik sterf zo gezwind als mijn vijanden zouden willen, en zo makkelijk als mijn vrienden zouden wensen.’ 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.