Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Spinoza, een berg van graniet

Een voorpublicatie uit 'Spinoza en de vreugde van het inzicht'

De filosofie van Spinoza staat in het wijsgerige landschap als een berg van graniet; van verre een aantrekkelijke heuvel, van dichtbij een bijna ongenaakbare rotsformatie, die je slechts met de grootste moeite kunt beklimmen. Eenmaal bovenop zie je meer, maar het duizelt je nog steeds.

Meer dan vijftig jaar geleden kwam ik in aanraking met de filosofie van Spinoza. Mijn college-aantekeningen uit de studietijd (1961) geven keurig de uitleg van de twee attributen van God, ‘Denken’ en ‘Uitgebreidheid’ weer, maar meer dan deze termen heb ik er niet van onthouden. Dat komt wel vaker voor: je komt met iets in aanraking, je hoort van iets, neemt kennis van iets, maar het zegt je niets, nóg niet althans. Kennelijk ontbrak de relevantie van de toen netjes uit mijn hoofd geleerde ‘attributenleer’. Kennis groeit soms langzaam en bij herhaling. Inzicht ontstaat veel later, zoals Spinoza zelf leert. Zijn theorie van toenemend begrip en groeiend inzicht, van ‘de verbetering van het verstand’, zoals hij het formuleerde, spreekt me nu enorm aan en wil ik toepassen op zijn eigen filosofie. Het loont de moeite om, hoe moeilijk het ook is, het granieten bouwwerk van zijn denken stap voor stap, door intensieve aandacht en studie, te leren kennen en begrijpen. Toename van kennis schept vreugde. Of je door méér kennis ook een beter mens wordt, valt te bezien, maar dat is wel de kern van Spinoza’s denken: als we ons laten leiden door rede en redelijkheid, dat wil zeggen door adequate kennisvermeerdering, inclusief zelfkennis, leidt dit tot handelen in grotere vrijheid. Daar gaat het om: bene agere et laetari (goed handelen en blij zijn).

Na mijn eerste kennismaking stuitte ik twintig jaar later opnieuw op enkele van Spinoza’s gedachten. In 1982 las ik in verband met het werk van Primo Levi het boek van Terrence des Pres The Survivor. An Anatomy of Life in the Death Camps, dat gaat over het leven en overleven in de concentratiekampen van Hitler-Duitsland en in de strafkampen van Stalins Goelag. Dit boek begint verrassenderwijs met een verwijzing naar een stelling uit de Ethica van Spinoza: 'elk ding tracht, voor zover het op zich zelf wordt beschouwd, in zijn bestaan te volharden'.

Als de beschaving niet haar voortschrijdend werk doet, tot barbarij vervalt en mensen in extreme omstandigheden opsluit in vernietigingskampen, welke krachten komen dan naar boven om te overleven, zo vraagt Des Pres zich af aan de hand van egodocumenten van overlevenden. Bestaat er een biologische bestaansdrift op momenten dat het leven op het spel staat, bedreigd wordt en in zijn kern wordt aangetast? Waar komt die bestaansdrift of overlevingsdrang van mensen vandaan en waarom lukt het de een wel en anderen niet om in heel moeilijke omstandigheden overeind te blijven? Is dit louter een kwestie van toeval of geluk? De ervaringen van de twee meest gruwelijke misdaadregimes uit de twintigste eeuw wijzen in de richting van overmacht, willekeur en toeval, waar de individuele geïnterneerden weinig tegenover konden stellen – Des Pres wijst hier ook op. Maar de intrigerende vraag die Des Pres hier stelt geldt ook voor minder extreme omstandigheden waaronder mensen kunnen komen te verkeren.

Spinoza formuleert hier een van de primaire wetten van het bestaan, namelijk dat het wezen, de essentie, van elk afzonderlijk ding (d.i. een organisme, een mens, een dier, een bloem, een berg, een stoffelijk voorwerp, een ding, een samenstel van dingen, een samenstel van organismen) erin bestaat om te proberen, zo veel als mogelijk is, zichzelf in stand te houden, te volharden in het bestaan en te streven naar zelfbehoud. Deze stelling heeft betrekking op alles wat bestaat, het universum als geheel en alle afzonderlijke ‘enkeldingen’. Dit roept bijzondere vragen op: bestaat er werkelijk zoiets als een conatus en hoe werkt die bestaansdrang dan? Is het een biologisch verankerd levensbeginsel dat zich onweerstaanbaar uit wanneer de omstandigheden dat vereisen? Is het louter biologisch en biologisch-wetenschappelijk aantoonbaar? Werkt het bij mensen en dieren gelijkelijk en manifesteert het zich op eenzelfde wijze? Is het zichtbaar of zichtbaar te maken in het handelen van mensen? Werkt de conatus in alle mensen gelijkelijk of zijn er omstandigheden die de verschillen in feitelijk overleven bepalen?

Deze vragen wakkerden de belangstelling voor Spinoza bij mij aan. Had Spinoza hier iets te  zeggen wat van wezenlijke betekenis is voor ieders eigen leven, niet alleen voor het overleven in extreme omstandigheden? Dit veroorzaakte mijn tweede kennismaking met Spinoza’s filosofie, nu serieuzer en uit innerlijke drang tot weten en niet om een tentamen te halen. Kan de wanhoop van geïnterneerde kampbewoners, van overlevenden en van andere oorlogsslachtoffers verdreven worden? Kan wanhoop in heilzaamheid verkeren en werkt dat dan als een redding, als verlossing (salvation)? Of gaat het om meer, om eeuwige gelukzaligheid (beatitudo)? Wat was Spinoza’s boodschap? Spinoza heeft in zijn hoofdwerk Ethica als een van de eerste filosofen speciale en systematische aandacht geschonken aan affecties en emoties waaraan alle mensen onderhevig zijn. Hij geeft in deel 3 van de Ethica realistische beschrijvingen van een groot aantal emoties, zoals droefheid, mogelijk oorzaak en gevolg van depressie en wanhoop: ‘Wanneer de geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, wordt hij bedroefd.’ (e3:55)

Spinoza geeft een weg aan hoe bewust met dergelijke emoties om te gaan in talrijke en onvermijdelijke botsingen, om te streven naar ‘zelfbehoud’ en volhardend te zijn in onze essentie, dat wil zeggen het eigene van onszelf. Hiermee begon mijn serieuze studie van het werk van Spinoza, die tot de dag van vandaag voortduurt, want het lezen van Spinoza is even moeilijk als uitdagend.
 
Het lezen van Spinoza’s werk is niet alleen moeilijk, maar kan zelfs gevaarlijk zijn. Zelfs in deze verlichte tijd is het lezen van Spinoza op bepaalde plaatsen in de wereld nog steeds een gevaarlijke bezigheid. In het artikel ‘Reading Spinoza in Teheran’ beschrijft Karima Bennoune de activiteiten van Roya en Ladan Boroumand, de twee dochters van een in 1991 in Parijs vermoorde tegenstander van het ayatollah-regime in Iran. Deze dochters zetten het Human Rights Watch-werk van hun vader, een advocaat en voorvechter van de democratie in Iran, in ballingschap voort. Naast het in kaart brengen van de honderden politieke moorden en terechtstellingen in deze totalitaire theocratie vertaalden zij teksten van klassieke filosofen in het Farsi; als ‘food for thought’, dat in Teheran gelezen kan worden. Van Spinoza werd het hoofdstuk over de vrijheid van denken en van meningsuiting uit het Theologisch-Politiek Traktaat overgenomen. En dat klinkt in een land waar alle wetten onveranderlijk gebaseerd zijn op religie, net zo bevrijdend als in 1670: ‘The object of government is to enable men to employ their reason unshackled.’ Andere woorden van Spinoza uit 1670 zijn geschreven alsof hij het heeft over het huidige Iran: ‘What can be more hurtful than that men who have committed no crime or wickedness should, simply because they are enlightened, be treated as enemies and put to dead?’ Jonge dissidenten in Teheran lieten en laten zich inspireren door Spinoza (en Hannah Arendt), geholpen door de vertalingen van de Boroumand Foundation in New York.

Dit brengt een ander aspect van Spinoza’s filosofie naar voren: Spinoza als een van de eerste pleitbezorgers van politieke vrijheid en daarmee een van de wegbereiders van de Europese Verlichting. Spinoza was geen bestrijder van religieuze gevoelens als zodanig, maar wel een tegenstander van een op religie gebaseerd politiek bestel (theocratie), beheerst door dogmatische dominees die slechts hun eigen religieuze opvattingen en leerstellingen toestonden. Kerkelijk gezag en statelijk gezag moesten goed onderscheiden en zo veel mogelijk gescheiden blijven. Zo bepleitte hij eveneens een scheiding tussen religie en filosofie, tussen de manier van beantwoorden van theologische en van filosofische vraagstukken – die in zijn tijd vooral kwesties van de nieuwe natuurwetenschappen betroffen.
 
Deze drie thema’s, respectievelijk (1) kennistheoretisch:  de verbetering en vermeerdering van kennis en inzicht, uitmondend in een verstandige levenswijze, (2) existentieel: de conatus als levensdrang en streven naar zelfbehoud, en (3) politiek-filosofisch: het belang van politieke vrijheid voor de inrichting van een staatsbestel en voor het vreedzaam en effectief samenleven, hebben de belangstelling voor Spinoza’s filosofie in mij wakker geschud. Ik wilde er meer van weten, een drang tot kennis die door verdere studie alleen maar is uitgediept, al had ik er een lange tijd voor nodig om de reikwijdte van zijn denken te doorgronden en om er zelf een eigen interpretatie van te durven geven. De opzet van dit boek is daarvan verslag te doen en de samenhang van deze thema’s met het geheel van Spinoza’s denken duidelijk te maken. Ik doe dit aan de hand van uitleg en commentaar op alle geschriften van Spinoza, in chronologische volgorde (de Hebreeuwse Grammatica uitgezonderd, want daarvoor moet men Hebreeuws kennen). Ik wil laten zien waarom en op welke punten Spinoza voor de hedendaagse mens, die zoekt naar de zin in zijn of haar bestaan, actueel kan zijn.

Dit is een voorpublicatie uit het boek 'Spinoza en de vreugde van het inzicht' van filosoof Kees Schuyt. 
Wilt u toegang tot alle artikelen van filosofie.nl? Word dan lid.
Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.