Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
WP nr. 3/2016

Meer wetenschap in de politiek

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Herman de Regt en Hans Dooremalen

Elke politieke partij heeft een eigen wetenschappelijk bureau. Maar in hoeverre kloppen de onderzoeksresultaten van die bureaus? Het lijkt erop dat partij-ideologie boven de wetenschappelijke methode wordt gesteld, schrijven Herman de Recht en Hans Dooremalen.
 

In 1788 was de Franse staat bankroet en heerste er hongersnood in Frankrijk. De wens om van de honger af te komen was een van de oorzaken van de Franse Revolutie van 1789, maar de vraag is of het na die revolutie nu zoveel beter was. De Franse filosoof Auguste Comte (1798-1857) schrijft over de situatie in zijn land na de revolutie: ‘De ellende van het volk is groot in Parijs, het brood is erg duur en er is niet genoeg; elk ogenblik ontmoet je arbeiders zonder brood en zonder werk; en daarbij zie je een luxe, een luxe!’ (Comte1979 [1844]: 7). Comte constateerde dat er geen politieke consensus was over hoe men de problematiek van maatschappelijke ongelijkheid kon oplossen, zodat bijvoorbeeld niemand honger hoefde te lijden, terwijl er volgens hem wel degelijk een methode is om tot consensus te komen: de wetenschappelijke methode. Als we die methode nu ook eens bij sociale problemen zouden gebruiken, dan moeten we die toch op kunnen lossen. 

Comtes visie op wetenschap en samenleving kreeg de algemene naam ‘positivisme’, en dit positivistische gedachtegoed vinden we in onze samenleving nog steeds terug. Niet alleen heb-ben we nu wetenschappen zoals de sociologie, waarin gezocht wordt naar de wetten van de menselijke samenleving, maar is het positivisme ook te herkennen in het feit dat alle politieke partijen in Nederland gefaciliteerd worden door hun eigen wetenschappelijke instituut. Wij denken dat Comte gelijk had. Nuances negerend willen we in dit artikel vasthouden aan het idee dat iedereen die de wetenschappelijke methode gebruikt, tot dezelfde opvattingen over de wereld moet komen. Met andere woorden: het gebruik van de wetenschappelijke methode leidt tot intersubjectief inzicht in de wereld. De methode leidt tot consensus. Gegeven dat dit zo is, is het dan niet vreemd dat de verschillende politieke partijen verschillende feitelijke opvat-tingen hebben over dezelfde kwestie? Zouden de politieke partijen, als hun wetenschappelijke bureaus daadwerkelijk wetenschappelijk zijn, niet allemaal tot dezelfde feitelijke conclusies moeten komen?
 
Om deze vragen te beantwoorden, moeten we eerst weten hoe we wetenschap van pseudo-wetenschap kunnen onderscheiden. Daarna kunnen we aan de hand van een gevalsstudie bekij-ken of de verschillende wetenschappelijke bureaus de wetenschappelijke methode eigenlijk wel serieus nemen. De gevalsstudie de we bekijken is die van genetisch gemanipuleerde organismen (GGO’s). We zullen zien dat de verschillende partijen hier verschillende feitelijke conclusies trekken, terwijl er wetenschappelijke consensus is over de aard en risico’s van GGO’s. Dit is een sterke indicatie dat de bureaus achter die politieke partijen de partij-ideologie laten prevaleren boven de wetenschappelijke methode. Willen we onze samenleving zo goed mogelijk inrichten, dan zullen ook politici de wetenschappelijke methode serieuzer moeten nemen.

 

ZEEGROENE ZWANEN

 Voordat iets wetenschap is, of iemand wetenschapper, moet er aan bepaalde eisen voldaan worden. Wetenschap moet te onderscheiden zijn van pseudowetenschap. In ons boek Wat een onzin! geven we twaalf demarcatiecriteria, gebaseerd op een flink aantal wetenschapsfilosofische ideeën. In dit korte artikel beperken we ons tot de drie belangrijkste criteria: waarachtigheid, fal-sifieerbaarheid, en werken binnen een progressief onderzoeksprogramma.
 
Wetenschappers zijn waarachtig: ze denken dat wat ze vertellen, juist is. Dit houdt in dat opzettelijk onwaarheden vertellen volstrekt onwetenschappelijk is en daarmee in de wetenschap volstrekt onaanvaardbaar; denk hier bijvoorbeeld aan Diederik Stapel die ‘empirische data’ ver-zon (Levelt 2012). Dit geldt ook voor de politiek. Vanzelfsprekend zal een politicus de kiezers wil-len overtuigen van zijn gelijk, maar in dat overtuigingsproces mag hij niet liegen. En ook later wanneer politici gekozen of benoemd zijn, eisen we waarachtigheid van politici. Een politicus die in alle oprechtheid iets vertelt wat later onwaar blijkt te zijn, kan zijn woorden terugnemen en aanblijven. Echter, diegenen die opzettelijk liegen, dienen de politiek te verlaten. Meer in het algemeen is fact free politics uit den boze.

Verder lezen?



Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.