Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
18-05-2016

Als de dood is, zijn wij niet

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Anton van Hooff

Het meest schrikwekkende van alle kwaden, de dood, is dan ook niet iets dat ons aangaat, want als wij zijn, is de dood niet, en als de dood is, zijn wij niet meer.

Zo geeft Epikouros in de Brief aan Menoikeus in een aforisme zijn oplossing voor het probleem van de eindigheid van het bestaan. Met de dood houdt namelijk elke gewaarwording op en wat niet wordt waargenomen, bestaat eenvoudig niet. Deze ontkenning van de dood is gebaseerd op de epicureïsche natuurleer. Zoals alles is de ziel materieel: net zoals de atomen van het lichaam bij de dood doen, verspreiden de zielendeeltjes zich weer en nemen in een eeuwige cyclus nieuwe configuraties aan zonder besef van de eerdere. Het idee dat de ziel substantie heeft, is zelfs in onze tijd niet uitgestorven. Een overigens uiterst serieus boek over het Griekse hiernamaals geeft als een vaststaand wetenschappelijk feit dat het lichaam bij de dood gemiddeld 20 gram verliest ‘whether you call it energy or spirit’.
 
‘Als wij niet werden geplaagd door angsten voor de hemelverschijnselen en voor de dood, namelijk de vrees dat de dood ons iets aangaat [...] hadden wij geen behoefte aan de natuurwetenschap’ (Hoofdleerstellingen 11). De natuurwetenschap geeft dus de theoretische onderbouwing aan de epicureïsche levensleer. Zij bevrijdt de mens van elke vrees. In de eerste plaats is dat de doodsangst, maar redelijke verklaringen van schrikbarende natuurverschijnselen, zoals onweer en aardbevingen, helpen de mens ook van zijn fobieën af. Zo maakt hij zich de onverstoorbaarheid eigen, de ataraxia ofwel in het Latijn de securitas. In die gemoedsgesteldheid kan hij zijn eenmalige leven volop genieten.
 
In hun effect lijken de stoïsche apatheia [pantsering tegen emoties en angsten] en de epicureïsche ataraxia elkaar dan wel niet veel te ontlopen, maar principieel is het verschil groot, zoals Epikouros verklaart in zijn brief aan Menoikeus. De wijze lacht om het lot dat door sommige mensen wordt afgeschilderd als de meesteres van alles. ‘Het is dan maar beter de populaire mythologie over de goden te volgen dan onderworpen te zijn aan het lot van de natuurfilosofen.’ Want dat traditionele mythische geloof aan de goden houdt tenminste nog de hoop in dat ze te vermurwen zijn, maar het lot is onverbiddelijk. De epicureeër beschouwt het lot niet als een godheid zoals de meeste mensen doen, want in de handelingen van een god kan geen willekeur zijn. Hij gelooft ook niet dat goed en kwaad door het lot aan mensen worden gegeven om hen tot een gelukzalig leven te brengen; voor de stoïcus zijn de wisselvalligheden beproevingen die hem helpen ‘apathisch’ te worden. Voor de epicureeër zijn goed en kwaad wat we tegenwoordig uitdagingen zouden noemen. De wijze vindt het beter redelijk te blijven bij pech, dan onredelijk te genieten van succes (Brief aan Menoikeus 133-135).
 
In redelijkheid genieten – dus met mate – is het richtsnoer voor een epicureïsch leven. Juist het besef van de eenmaligheid en beperktheid van het bestaan garandeert de levensvreugde. ‘We zijn maar één keer geboren, twee maal geboren te worden zit er niet in’ (Vaticaanse spreuken 14). ‘De onbeperkte tijd omvat hetzelfde genot als de begrensde, mits men de begrenzingen van het genot met redelijkheid afmeet’ (Hoofdleerstellingen 19). Een lang leven staat voor de wijze niet gelijk aan geluk: ‘Zoals hij van spijzen niet zonder meer het meeste, maar juist het lekkerste pakt, zo oogst hij ook niet de langste, maar de prettigste tijd’ (Brief aan Menoikeus 126). Essentieel is dus de kwaliteit van het bestaan. Het is duidelijk dat van alle antieke denkrichtingen het epicurisme het dichtst bij het moderne humanisme komt.
 
Door zijn gerichtheid op het ‘Diesseits’ werd het epicurisme later door het christendom verfoeid als een goddeloze leer. Maar ook toen het heidendom in al zijn verscheidenheid nog hoogtij vierde, was de genotsleer het mikpunt van felle kritiek, zoals de sneer ‘Men drinke of ga heen’ op de epicureïsche levensleer bewijst (p. 179). De Stoa met haar plichtenleer werd min of meer de officiële ethiek van de Romeinse elite. In Cicero, die zich als stoïcus beschouwde, is te waarderen dat hij wel oog had voor talenten in het andere kamp. Hij zorgde ervoor dat Lucretius’ epicureïsche leerdicht Aard der dingen werd gepubliceerd (p. 187) en hij zag de kwaliteiten van Philodemos in (p. 186).
 
Diens Over de dood is bij mijn weten de enige monografie over dat thema die uit de oudheid over is, en wel door de unieke vondst in de Villa van de papyri in Herculaneum (p. 180). Heel rechtzinnig epicureïsch wordt de dood door Philodemos gerelativeerd. Natuurlijk kan sterven wel met pijn gepaard gaan, maar deze wordt niet veroorzaakt door de scheiding van lichaam en ziel. Haar minieme, gladde en beweeglijke deeltjes vinden zonder moeite een uitweg via de tienduizenden openingen van het lichaam. ‘Waarom zijn dan, zelfs als wij toegeven dat zij pijn veroorzaken kan, zozeer bevreesd voor de scheiding van lichaam en ziel? Zodra zij zich voltrokken heeft, zullen wij alle bewustzijn verliezen’ (8).
 
Het besef geen kinderen achter te laten behoort tot de verwerpelijke redenen om bedroefd te zijn over de dood. De dode merkt immers niets van zijn kinderloosheid. En wat het voortleven van zijn herinnering betreft hoeven we ons niets te verbeelden: ontelbare mensen hebben dezelfde naam als wij (22).
 
En maakt het werkelijk iets uit om eervol op het slagveld te sneuvelen? Deed het aan de roem van een Themistokles en Perikles afbreuk dat ze aan een ziekte zijn gestorven? En ook Epikouros en andere filosofen bleven beroemd, ‘terwijl ontelbare soldaten dapper strijdend in de oorlog vielen, over de dood van wie geen enkel bericht tot ons gekomen is’ (29). Zo zet deze epicurist alle traditionele antieke waarden op losse schroeven.
 
Ook de buitensporige zorg en kosten die mensen in de oudheid aan de bijzetting besteedden, kon bij Philodemos niet door de beugel. Dat doen zij die sterven in de overtuiging dat in de Hades sommigen in ruime, anderen in bekrompen omstandigheden blijven leven, en dat de een er aanzienlijk, de ander vergeten zal zijn – zonder eraan te denken dat allen eenvoudigweg niets meer merken, of liever: er gewoon niet meer zijn. Bovendien gaat een groot deel van de begrafenispracht in vlammen op en wat men meeneemt in het graf wordt binnen de kortste keren met stof bedekt, net zoals de botten (30).
 
Het maakt ook niet uit of men op een onwaardige manier aan zijn einde is gekomen: ‘door vissen te worden opgegeten is voor ons niets erger dan onder de aarde door wurmen en larven verteerd te worden, of op aarde door vuur; wanneer nu van het een noch van het ander ons gebeente meer iets zal merken, wat kan ons dit alles dan schelen?’ (32/33).
 
In zijn afwijzing van traditionele waarden verwerpt de epicureeër ook de zorg om de herinnering, die, zoals hoofdstuk 2 liet zien, antieke mensen zo bezighield. Voor de gelukservaring hier en nu maakt het niet uit of je in de nagedachtenis blijft voortleven (35-36).
 
In de laatste bewaarde kolommen van Over de dood geeft Philodemos haast pastorale aanwijzingen voor hoe men zich op het onontkoombare einde moet voorbereiden. Als je bedenkt hoe fragiel het lichaam is en hoeveel gevaren het bedreigen, zal iedereen ‘behalve een leeghoofd, het voor ongerijmd, ja ongelooflijk houden, niet dat iemand sterft, maar dat hij enige tijd leeft, en dat iemand oud wordt, is nog wel het meest wonderlijk’ (37/38). Ook verstandige mensen vergeten weleens dat het leven vergankelijk is. ‘Maar als het ogenblik gekomen is dat de dood bij hen aanklopt, dan, tot onbegrip van de buitenstaanders, halen zij zich helder voor de geest dat zij alles van het leven genoten hebben en dat hun nu volkomen gevoelloosheid wacht. Zij blazen opgewekt en kalm de laatste adem uit, alsof de gedachte aan de dood hen geen ogenblik verlaten had’ (39).
 
Hoe iemand de dood epicureïsch tegemoet kan treden heb ik zelf in maart 2015 mogen ervaren. Precies op de dag van zijn euthanasie kreeg ik de laatste brief van een drieënnegentigjarige man, met wie ik enkele jaren alleen via correspondentie in contact stond. Hij schreef met grote letters: ‘Dood is vrijheid.’ Enkele maanden tevoren had hij mij ‘ingehuurd’ – letterlijk: ik moest per se een honorarium vragen – om op zijn crematieplechtigheid in zijn geest de lijkrede te houden. In
mijn toespraak heb ik daarom vermeden me tot de dode in kist te richten – alsof hij nog hoorde – en van verdriet te spreken of zelfs te verklaren dat hij altijd in herinnering zou blijven. Nee, we vierden daar en toen het einde van een vrij man, die bewust tot de materie terugkeerde; hij had bepaald dat zijn as over de zee werd uitgestrooid.
 
Zelf heeft Philodemos conform de leer van het hedonisme volop genoten van het (liefdes)leven, althans zo doet hij het voorkomen in zijn erotische gedichten. In een ervan speelt hij met zijn naam: vier vrouwen met de naam Demo heeft hij achtereenvolgens bemind. Daarom heeft het toeval hem natuurlijk zijn naam gegeven; hij was een echte ‘Demofiel’ (Griekse Anthologie 5,115). Serieus van aard is daarentegen het gedicht waarin hij de uitnodiging tot viering van Epikouros’ geboortedag aan zijn beschermheer Piso verpakt. Lekkere niertjes en uitgelezen wijn zouden ontbreken, ‘maar wel zult u ware kameraden zien’ (p. 181; Griekse Anthologie 11,44). Deze Piso was mogelijk de bezitter van de Villa van de papyri in Herculaneum, waar onder
andere Philodemos’ Over de dood is aangetroffen.
 
Tegen die Piso vaart Cicero in een van zijn redes fel uit. Als on-Romeinse levensgenieter heeft hij filosofische rechtvaardiging gevonden bij een Griekse filosoof. Diens naam wordt als algemeen bekend niet genoemd, maar een antieke commentator verklaart: ‘Hij duidt op Philodemos, die toentertijd de meest vooraanstaande epicureeër was, op wiens naam ook frivole gedichten staan.’ Cicero verwijt Philodemos zelf niets; hij is nu eenmaal een meegaande (facilis) en zeer charmante Griek, die zich waarschijnlijk niet al te zeer tegen een Romeinse imperator (Piso) wilde verzetten. ‘De man van wie ik spreek is niet alleen doorkneed in de filosofie, maar ook in andere bezigheden, die epicureeërs naar verluidt veronachtzamen. Hij maakt een gedicht zo geestig, zo knap, zo verfijnd, dat er niets levendigers is. Men kan hem eventueel daarin wel bekritiseren, tenminste mild, niet als een ontaard, niet als een brutaal, niet als een onzedig mens, maar gewoon als een Griekje, als een windhaan, als een dichter’ (Tegen Piso 70).
 
Cicero, zelf stoïcus, kon dus wel respect opbrengen voor Philodemos als dichter en denker. Eenzelfde breedheid van opvatting legde hij aan de dag tegenover Lucretius, dichter van het grote epicureïsche leerdicht Over het wezen der dingen (De rerum natura). In een brief aan zijn broer Quintus zegt hij: ‘De gedichten van Lucretius zijn inderdaad als jij schrijft: vol schitterende ideeën en ook vol schoonheid’ (2,10,3). Het was Cicero die Lucretius’ werk na diens plotse dood redigeerde en uitgaf, zoals Hiëronymus in zijn Wereldkroniek verklaart.

Dit is een fragment uit het boek 'Sterven in Stijl. Leven met de klassieke oudheid' van Anton van Hooff.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.