Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Vier jeugdherinneringen uit de Roaring Nineties

Na een onstuimige hippiejeugd vol verhuizingen werd Jannah Loontjens volwassen in de jaren negentig. Een tijd waarin ze nergens écht bij hoorde. Ze schreef er het boek 'Roaring nineties. Of hoe de filosofie mijn leven veranderde' over. Vier jeugdfoto's met fragmenten uit haar boek:  



‘Mijn moeder verhuisde naar een houten jagershuisje, bestaand uit twee kamers en een zoldertje, waar we enkele jaren woonden voordat mijn moeder mij meenam naar Nederland. Het lag diep in het bos, zo ver van alles vandaan dat je een halfuur moest lopen voordat je een volgend huis tegenkwam. Voor water moesten we met een emmer naar de put. Elektriciteit was er niet. We aten bij kaarslicht en kookten op houtvuur. We hadden wel telefoon, als het tenminste niet te hard waaide of sneeuwde, want dan brak de telefoondraad die van boom tot boom was gespannen.’
‘In het bos was de stilte gevuld met wind, een verre vogelroep, en heel af en toe hoorde je over de grindweg aan het eind van het bospad een auto. Aan het geluid konden we horen wie het was: onze dichtstbijzijnde buurman, die drie kilometer verderop woonde, of mijn vader. De natuurlijke stilte, leeg en tegelijk vol, liet mijn dagdromen volledig intact. Het donker deed me soms huiveren, maar de sterrenhemel waarin achter elke ster nog een ster leek te fonkelen deed mij steeds verwonderd omhoogkijken. Wat lag er achter al deze sterren? Wat waren wij? Wat betekende het om mens te zijn hier op aarde? In deze onmetelijke ruimte, waarvan wij ons onmogelijk een voorstelling konden maken?’



‘Laatst zei een vriend tegen mij: “Jij voelt je thuis bij mensen die niet helemaal sporen. Hoe gestoorder hoe beter.” Dit zal deels wel waar zijn. De schrijver en filosoof Désanne van Brederode beschreef mij eens als iemand die er niet van zou opkijken als zij plotseling met een steelpan op haar hoofd push-ups zou gaan doen, zo coulant kwam ik over. Toch zag ik als kind ook heus wel dat mensen in mijn omgeving nogal onaangepast waren en gniffelde ik ook om de vriendin van mijn moeder die in Zweden naakt door de tuin liep – op haar sokken en het parasolletje na, dat met een band aan haar hoofd was bevestigd. Of om de vrouw bij wie de borsten overliepen van de moedermelk en die zich openlijk aan de keukentafel door de vriendin van mijn vader liet melken. Of de man in de wijde zelfgebreide truien, die dagenlang sokpoppen zat te knutselen. Hij woonde in een woonwagen die hij boven op de steenvlakte naast ons huis in Zweden had gezet. Als ik mijn handen waste en geen handdoek kon vinden, bood hij me zijn trui aan. Ik weet nog goed hoe ontzettend aardig ik dat vond. Of de vriend van mijn moeder, die met zijn in krantenpapier verpakte zaag op pad ging. Dit waren aparte taferelen en ik zag dat de censor van schaamte bij deze mensen niet op dezelfde wijze functioneerde als bij anderen, maar ik leerde ook dit niet te veroordelen.’

.
‘RoXY was een plek waar veel transgenders, homo’s en transseksuelen kwamen. Hoewel je tegenwoordig online moeiteloos gelijkgestemden kunt vinden, was in die tijd toegang tot clubs als de RoXY van groot belang om gelijkgezinden te ontmoeten. Op de woensdag was er de gay-avond, maar op de meeste avonden deed het er niet toe wat je was. Je kon het ene moment lesbisch zijn of bi, het andere moment hetero. Eigenlijk spraken we er niet of amper over. Ik zag dit als een bewuste keuze voor een ongedefinieerde wijze van zijn. Met Foucault in gedachten, zag ik het bekennen van je geaardheid niet als een bevrijdende daad, maar als een definiërend mechanisme. Zolang je jezelf niet vastpinde, kon je alles zijn. Foucault had er ook op gewezen dat vroeger, voordat de medische wetenschap de seksuele voorkeuren in kaart had gebracht, homoseksualiteit niet aan je identiteit werd verbonden. Je kon sodomie beoefenen, maar dat was een daad, een daad die in principe iedereen kon begaan, dat hoefde niet direct iets over je identiteit te zeggen. Je kon ervaringen hebben en dingen beleven die geen blijvende stempel op je wezen hoefden te drukken. Je hoefde niet te bekennen wat je “was”.’



‘Je spiegelt je aan de wereld om je heen. De blik van de ander bevestigt wie je bent, of dat nu een spottende of een bemoedigende blik is. Het vergt moed om hierin af te wijken van wat je denkt dat de ander als normaal beschouwt. Tegelijkertijd heb je ook de verantwoordelijkheid om de ander te laten zien dat die normaliteit niet dwingend hoeft te zijn. Als mensen eenmaal gewend zijn aan wie je bent, is het lastig dit beeld te doorbreken.
Elke ochtend als we onze kleding aantrekken, bestendigen we symbolen die uitdragen wie we zijn, wat voor type mens we zijn. Zodra we door middel van kleding, woordkeuze of op andere wijze willen duidelijk maken bij welke groep we horen, imiteren we. Maar zijn we daarmee ook meteen fake? Wie zouden we buiten deze imitatie zijn? Voor velen is hun kledingstijl en uiterlijke verschijning een tweede huid, zozeer voelen ze zich erin thuis. Maar voor degenen die zich bewust proberen aan te passen, kan het ongemakkelijk voelen, alsof ze er niet uitzien zoals ze ‘echt’ zijn, alsof ze de ander eigenlijk voor de gek houden, alsof ze elk moment door de mand kunnen vallen. Dat in feite niemand ‘echt’ met zijn kledingstijl samenvalt, maar altijd van buitenaf, door de heersende mode, door associaties en connotaties van uiterlijke verschijningen, bepaald wordt, vergeten vooral degenen die zich erin thuis voelen. Thuis in hun omgeving en thuis in hun kleding.’

Lees ook het interview met Jannah Loontjens 'Ik leidde een dubbelleven' (volledig toegankelijk voor leden).

Jannah Loontjens spreekt 15 april op de Filosofie Nacht over hedendaags hedonisme.
Wilt u toegang tot alle artikelen van filosofie.nl? Word dan lid.
Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.