Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
26-02-2016

Sterven voor een idee

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Costica Bradatan

'De dood is het kostbaarste dat de mens gegeven is. Daarom is de ultieme zonde er slecht gebruik van te maken. Verkeerd te sterven.' - Simone Weil

 

Een kwestie van leven en dood. Socrates zette nooit één regel op papier, maar zijn dood was een meesterstukje dat zijn naam in leven hield. Bij zijn leven was er weinig opmerkelijks aan Jan Palach – de Tsjechische student die zichzelf in januari 1969 in brand stak uit protest tegen de Sovjets die zijn land bezet hielden –, maar na zijn vuurdood werd hij voor veel mensen niets minder dan een halfgod: een zeer levende, invloedrijke figuur. Vanuit het graf gaf Palach gestalte aan de geschiedenis van Tsjecho-Slowakije. Als Gandhi weer eens ging ‘vasten tot de dood erop volgt’, ontstond er in India een ongebruikelijke, bruisende levendigheid. Gedurende het vasten ‘werd elke verandering’ in zijn lichamelijke gesteldheid ‘naar alle uithoeken van het land uitgebazuind’ (Fisher 193:18). Heel India doorleefde Gandhi’s honger.
 
De dood betekent schijnbaar niet altijd het tegengestelde van leven; soms heeft de dood het paradoxale vermogen het leven uit te vergroten, te intensiveren tot aan het punt dat hij het leven, ja zeker, nieuw leven inblaast. De aanwezigheid van de dood kan bij de nabestaanden een nieuwe waardering voor het leven opwekken, zelfs een diepgaander begrip ervan. Dus zou je met recht kunnen zeggen: het leven heeft de dood nodig. Allereerst heeft het leven de dood nodig om redenen van zelfverwerkelijking. Het komt vaak voor dat we pas beseffen hoe kostbaar iets is wanneer we het verliezen, of dreigen te verliezen; het vooruitzicht dat het er plotseling niet meer zal zijn, leert ons de waarde en betekenis ervan te onderkennen. De dood kan, louter door zijn nabijheid, aan het leven zoals het geleefd wordt een nieuwe intensiteit verlenen. Historici hebben het curieuze verschijnsel opgemerkt dat mensen, wanneer ze getroffen worden door natuurlijke of sociale rampen waarbij velen omkomen, sneller geneigd zijn zich in wereldse excessen te verliezen. Ze geven zich gretig over aan vleselijke genoegens (drinken, eten of seks), met een hartstocht die nieuw voor hen is. In plaats van voorzichtig aan te doen om hulpbronnen te sparen, zoals het gezond verstand in crisissituaties vereist, weten ze niet hoe snel ze moeten spenderen wat ze nog hebben. Want deze mensen hebben een verschrikkelijke haast: gulzig laven ze zich aan de geneugten van het leven, precies op het moment dat de dood nabij is. Juist de nabijheid van de dood is wat hun levenshonger aanwakkert. Het mag een irrationele houding zijn, ze heeft ook iets wonderbaarlijks. Als deze mensen op het punt staan vernietigd te worden, ontdekken ze het wonder van het bestaan, en dat vieren ze.
 
Giovanni Boccaccio’s bundeling novellen, de Decamerone, biedt ons een, weliswaar obscuur, inkijkje in deze unieke situatie. Terwijl de Zwarte Dood in 1348 verwoestend huishoudt in Florence, zoekt een groepje jonge mensen zijn toevlucht in een villa, op slechts luttele kilometers afstand van de stad, en leeft zich tien dagen hartstochtelijk uit in het vertellen van levendige en wellustige verhalen. Het resultaat is een verzameling van honderd vertellingen die het leven en de joie de vivre allerzinnelijkst bezingen. Boccaccio voelt intuïtief de innige band aan tussen vrees voor de dood en begeerte: in situaties waarin het einde in zicht is, kan de nabijheid van de dood een uiterst krachtig afrodisiacum zijn. Mogelijk geïnspireerd door George Bataille (Bataille 1986), spreekt de Franse historicus Philippe Aries van een zekere ‘erotisering’ van de dood. Net als de geslachtsdaad gaat de dood gezien worden als ‘een transgressie die de mens losscheurt uit zijn dagelijks bestaan […] om hem een hoogtepunt te laten ondergaan, hem onder te dompelen in een irrationele, gewelddadige en prachtige wereld’ (Aries 1974:57).

We hebben de dood ook nodig om het leven beter te doorgronden. Als de dood niet zou bestaan, zou het leven grenzeloos en vormeloos zijn – en uiteindelijk smakeloos. Het zou onmogelijk zijn er greep op te krijgen, omdat het geen randen zou hebben. Aangezien je, om iets te doorgronden, in staat moet zijn er een verhaal van te maken, heeft je leven alleen betekenis voor zover het verteld kan worden. Precies zoals een verhaal zonder einde onmogelijk zou zijn, zou een leven zonder de dood betekenisloos zijn. In een essay dat hij ongeveer acht jaar voor zijn dood schreef en waarop ik verderop in dit boek gedetailleerder zal ingaan, stelt Pier Paolo Pasolini precies hetzelfde. Het is ‘absoluut noodzakelijk om te sterven’, schrijft hij, omdat ‘we zolang we leven geen betekenis hebben, en de taal van ons leven […] onvertaalbaar is’. Er is slechts ‘een wirwar van mogelijkheden, een zoektocht naar betrekkingen en betekenissen zonder ontknoping’ (Pasolini 1988:236-7; cursivering van de auteur). Sterven maakt je leven tot een compositie. De dood is de kundige redacteur die je leven tot een geheel smeedt zodat het begrijpelijk overkomt. Een mensenleven zonder einde zou een soort mineraal bestaan zijn: bloedeloos, reliëf loos, onuitsprekelijk, zo dood als een steen. Je zou het stompzinnig, doelloos doorbrengen, geologisch tijdvak na geologisch tijdvak. Ik weet niet of zo’n leven, mocht het al mogelijk zijn, op een praktischer niveau begerenswaardig zou zijn. Zoals elk verhaal wordt een levensverhaal – al is het nog zo interessant – onvermijdelijk slaapverwekkend als het voorbij een bepaald punt wordt opgerekt. Om het nog verder op te rekken, is vragen om afschuw. Mochten we op een dag onsterfelijk worden, dan zouden we de volgende dag al aan betekenisloosheid kunnen sterven.

Er is nog een andere manier waarop de dood de dynamiek van het leven kan dicteren. Dit is een subtieler, lastiger geval. Hierbij is het niet je eigen dood die je leven vormgeeft, maar de dood van een ander. Het is het soort vernietiging waarnaar ik aan het begin verwees: de dood van iemand die ervoor kiest ‘voor een zaak te sterven’, voor iets dat groter is dan de persoon zelf. Zo’n vrijwillige dood beïnvloedt het leven van degenen die achterblijven grondig en hardnekkig: hij geeft richting aan hun morele oordeel, vormt hun ideeën over wat ertoe doet, en werkt door in hun besef van wat het betekent mens te zijn. Uiteindelijk wordt het onderdeel van hun culturele geheugen. Soms bezwaart het ook hun geweten en beschaamt het hen, zodat ze iets gaan doen.

Dankzij de waargenomen onzelfzuchtigheid van mensen die het ultieme offer hebben gebracht, hun bereidheid hun eigen leven op te geven, worden sommige van hen uiteindelijke mythische figuren. Een dood als de hunne blijkt vaak de drempel te zijn waar geschiedenis ophoudt en mythologie begint. Al zolang ze op aarde zijn moeten er mensen zijn geweest die ‘voor een zaak’ zijn gestorven. Ze stierven voor God of voor hun medemensen, voor ideeën of idealen, voor echte of imaginaire, redelijke of utopische zaken. Het boek waaraan u bent begonnen, gaat over filosofen die omwille van hun filosofie sterven, een van de mogelijke variaties op het thema vrijwillige dood.

Het sterven van een dergelijke dood is niet van ironie gespeend: je betaalt met het kostbaarste dat je bezit (je eigen leven) voor wat in het algemeen voor de minst zwaarwegende bedrijvigheid doorgaat. Maar filosofen – de fascinerendste onder hen in ieder geval – zijn uitermate ironisch. In zekere zin is Sterven voor een idee een oefening in een ontologie die tot op heden nog niet in kaart is gebracht: de ontologie van het ironische bestaan.
 

Filosofie als gevaarlijke bezigheid

Wat voor soort filosoof moet je zijn om voor een idee te sterven? Wat de hiervoor genoemde personen met elkaar gemeen hebben, ondanks de specifieke overtuigingen die ze er ieder voor zich op na hielden, is toewijding aan de gedachte dat filosofie in de allereerste plaats iets is dat je in praktijk brengt. Zeker, er komen denken en schrijven, lezen en praten aan te pas, maar die moeten niet als een doel op zichzelf worden gezien; ze dienen in dienst te staan van het uiteindelijke doel van filosofie: zelfverwerkelijking. Je filosofie is niet iets dat je opbergt in je boeken, maar iets dat je meedraagt. Het is niet zomaar een ‘onderwerp’ waarover je praat, maar iets dat je belichaamt. Vanuit deze opvatting is filosofie een ‘levenswijze’ of ‘levenskunst’ gaan heten.

Waar filosofie als levenskunst dikwijls op neerkomt is, paradoxaal genoeg, leren om de dood tegemoet te treden: stervenskunst. Het beste voorbeeld is Socrates zelf. Hij zag filosofie als een levenswijze en bracht deze zo compromisloos in praktijk dat ze hem rechtstreeks naar de dood voerde. Zijn leerling Plato was zo aangedaan door wat de Atheners met zijn leermeester hadden gedaan, dat hij in de Phaedo, een dialoog die een weergave zou zijn van Socrates’ laatste uren voor zijn executie, op kundige wijze een opvatting van filosofie als niets anders dan ‘voorbereiding op de dood’ (melete thanatou) naar voren schuift. Chronologisch behoort de Phaedo tot Plato’s ‘middenperiode’; hij moet de dialoog vele jaren na de dood van zijn meester hebben geschreven. Het is verleidelijk dit als een daad van ‘filosofische gerechtigheid’ op te vatten: een nog altijd rouwende, gepijnigde en misschien zelfs boze Plato smokkelt de vernietigende gebeurtenis, het einde van zijn leermeester, de definitie van filosofie binnen. ‘Filosofische gerechtigheid’ of niet, Plato’s idee geeft stem aan een cruciaal inzicht: filosofie is slechts levenskunst voor zover ze ons een stervenskunst biedt.

De platonische definitie heeft tot in onze tijd weerklank gevonden. In de zestiende eeuw gaf Michel de Montaigne in een echo op Cicero een van zijn essays de titel: ‘Filosoferen is leren hoe je moet sterven’. In de twintigste eeuw plaatste Simone Weil de dood in het centrum van haar filosofische zoektocht. Volgens haar is leren hoe je moet sterven nog belangrijker dan leren hoe je moet leven. Want de dood, zegt Weil, is ‘het kostbaarste dat de mens gegeven is’. De ‘ultieme zonde is om er slecht gebruik van te maken’ (Weil 1997:137). Als we onze dood verprutsen, dan hebben we in zekere zin voor niets geleefd. Dit boek gaat over hoe filosofen ‘goed gebruik’ kunnen maken van hun dood en hoe ze, door dat te doen, hun leven opnieuw betekenis geven en hun werk tot een geheel smeden. Hoe marginaal de opvatting van filosofie als levenskunst in de mainstreamkringen van filosofen tegenwoordig ook is, aantrekkelijk is ze zeker. Een definitie van filosofie die een volmaakte symmetrie vooronderstelt tussen woord en daad, gedachte en uitvoering, en die volledig over zelfverwerkelijking gaat – dat wil zeggen de opvatting dat het zelf van filosofen ‘werk in uitvoering’ is, iets dat ze door filosoferen creëren – is op een bevredigende manier consistent. Maar het is ook een gevaarlijk idee, want het kan degenen die het serieus nemen in moeilijkheden brengen.

Sociaal gezien is een filosoof die de filosofie als levenskunst is toegedaan dikwijls een parrhesiastes, iemand die altijd radicaal uitkomt voor de waarheid; in zijn functieomschrijving staat dat hij zijn mond niet dichthoudt. Parrhesia heeft haar beoefenaren zelden geluk gebracht. Wie de gedachte omarmt dat filosofie een zelftransformerende bezigheid is, maakt zichzelf fundamenteel kwetsbaar. Indien een filosofie alleen maar waarachtig is voor zover ze belichaamd wordt door degene die haar beoefent, lijkt de filosoof sterk op een koorddanser die zijn kunsten zonder vangnet vertoont. Het leven van de filosoof is een eeuwige balanceeract: het kleinste misstapje, naar de ene of naar de andere kant, kan fataal zijn. Als hij tegemoetkomt aan de eisen van de wereld, met loskoppeling van zijn filosofie als prijs, is hij verloren; als hij gehoorzaamt aan de eisen van zijn geweten ten koste van zijn persoonlijke veiligheid, is hij ook verloren.

Dit is precies de situatie waarvoor Socrates, Hypatia, Bruno, More en Patočka zich geplaatst zagen. Op een bepaald punt in hun leven hebben deze filosofen een keuze moeten maken: ofwel trouw blijven aan hun filosofie en sterven, ofwel hun filosofie verketteren en in leven blijven. De exacte details kunnen verschillend zijn geweest; aan sommigen van hen werd specifiek gevraagd van hun standpunten af te stappen en tot inkeer te komen, terwijl anderen slechts te verstaan werd gegeven dat ze moesten ophouden met wat ze deden omdat er anders iets zou zwaaien. Maar hun situatie was fundamenteel gezien dezelfde. En dat geldt ook voor de risico’s waarmee het koorddansen van deze filosofen gepaard ging. Sterven voor een idee is ontstaan uit een fascinatie voor hun riskante optreden. De betekenis van de keuze tussen sterven om je ideeën trouw te blijven aan de ene kant en je filosofie bijstellen om in leven te blijven aan de andere kant, is niet te overschatten. Aangezien filosofie voor deze denkers niet slechts een stelsel van doctrines was waarover je in principe je mond zou kunnen houden of dat je zelfs zou kunnen loslaten, maar een manier van leven, iets wat in hun gehele levensverhaal een belangrijke rol speelde, is het een keuze van aanzienlijk existentieel gewicht. Je kunt je filosofische opvattingen niet veranderen zoals je van kleren wisselt. Aangezien filosofie door de filosoof belichaamd wordt, zou het opgeven ervan betekenen dat de filosoof verscheurd wordt. De filosoof die met een dergelijke keuze geconfronteerd wordt, beseft al snel dat wat hier op het spel staat niet simpelweg een kwestie is van het vermijden van een hypocriete houding. De keuze verbergt feitelijk een test: filosofie moet, wil ze niet alleen maar loos gepraat blijven, de levenstest doorstaan. 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.