Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
05-01-2016

'Moet kunnen' en 'Samen voor ons eigen'

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Paul Verhaeghe

'Het is geen toeval dat Van Kooten en De Bie het Nederlands verrijkt hebben met het woord "regelneverij"', stelt Vlaams psychoanalyticus Paul Verhaeghe. Nederlanders kampen volgens hem met een ambivalente verhouding tegenover gezag: wars van autoriteit, maar tegelijkertijd angstig om af te wijken van vaak absurde regels.

***
Dit is een ingekorte versie van Paul Verhaeghes voordracht tijdens ons evenement 'Nederland op de sofa' waar drie Belgische psychiaters hun diagnose van de westerse samenleving gaven. - bekijk de aftermovie
***


Ik ben een lacaniaanse psychoanalyticus, en zoals bekend zijn dat vreemdsoortige wezens die zo rond middernacht een staart en bokkenpoten krijgen; bovendien hebben zij een abnormale belangstelling voor taal. Zo weet ik dat Nederlandse analytici andere uitdrukkingen gebruiken, en vandaar dat ik mij verwonder over de titel. ‘Nederland op de sofa’. Sofa?! Is dat een toegeving aan jullie Vlaamse gasten? Bij Nederland is het toch de bank? Een bank is bij ons een hard onding zonder de minste vorm van comfort; een sofa evoceert languit luieren op een zwoele zomerdag.

We zijn eind november, laat het ons maar bij de bank houden.

‘Op de bank’ – dat veronderstelt een analysant die praat en een analyticus die zwijgend luistert – wat dat betreft, zitten we zeker in een passende rolverdeling. Nederlanders praten makkelijk en veel, Vlamingen zijn een flink stuk terughoudender en kiezen vaker voor zwijgen. Dat de bank deze avond in pakhuis De Zwijger staat, maakt het helemaal ironisch.
 
Daarmee zijn we onmiddellijk bij de clichés aanbeland. De Vlaamse eetcultuur tegenover iets oneetbaars uit de muur, rode wijn tegenover karnemelk, erotiek tegenover peeskamerporno, ondertussen met afwerkzones. Vlamingen lachen met de Ollanders, jullie vertellen Belgenmoppen. Freud had daar een treffende uitdrukking voor: het narcisme van de kleine verschillen. Hoe meer we op elkaar lijken, des te meer vinden we het nodig de verschillen te benadrukken.
 
Het had nochtans zo mooi kunnen zijn, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, weten jullie nog? Volgens de Nederlandse schrijver Christaan Weijts zouden de restaurants er Vlaams zijn, de wegen ernaartoe Nederlands. Heineken zou het bier wereldwijd verkopen, wij zouden het brouwen zodat het tenminste naar iets smaakt. De Nederlanders zouden de sporen leggen, de Belgen kopen de treinstellen en de uurregeling laten we gezamelijk over aan een Zwitsers bedrijf. De stedenbouwkundigen zijn er Nederlands en de onderwijzers Vlaams (Christiaan Weijts, Het ideale Koninkrijk, 7 november 2015).
 
Helaas, het heeft niet mogen zijn, dus laten we terugkeren naar de bank. Wat horen we van onze Nederlandse analysant? Opvallend: hij spreekt hoe langer hoe minder Nederlands, de doorsnee Nederlander praat meer en meer Engels. En zelfs als hij Nederlands praat, verstaan we elkaar nauwelijks. Een fruitsap heet hier jus d’orange, ook als het geen sinaasappelsap is; als ik een afspraak in de voormiddag wil, krijg ik een voorstel dat pal op de middag ligt; pinnen heeft in Vlaanderen niks met geld te maken maar alles met prikkeldraad of met gierige mensen, en als wij zeggen goesting te hebben denken jullie dat wij aan een gevaarlijke ziekte lijden. ‘Nous sommes séparés par la même langue’ zoals Jacques Brel al zei, maar die had het over het Franse en het Belgische Frans. De Franse Fransen en de Nederlandse Nederlanders delen op dat vlak wel dezelfde houding: beiden achten hun taal superieur aan die van les petits belges.
 
Dat brengt ons bij het allergrootste cliché: het noordelijke superioriteitsgevoel over de zuidelijke inboorlingen. In de woorden van de Nederlandse hoogleraar Herman Pleij (Pacificatielezing, 2008) is Vlaanderen voor de gemiddelde Nederlander een feestvoorziening aan de rand van het eigen land, een paradijstuin voor culinair en ander zinnelijk genot waar men tijdelijk het beest kan uithangen, om daarna weer opgelucht de strakke orde van het eigen vaderland te aanvaarden. Door die beeldvorming zijn Belgen uitgegroeid tot bourgondische feestgangers die immer breugeliaans tafelen, en tegelijkertijd de katholieke kerk in ere houden om door periodieke boetedoening steeds weer opnieuw te kunnen zondigen.
 
Ik wou dat het waar was.
 
De diep betreurde Vlaamse filosofe Patricia de Martelaere merkte in een fijnzinnig essay op dat elk land, elke streek zijn Noorden en zijn Zuiden heeft. De Schotten voelen zich intellectueel en cultureel superieur aan de Engelsen, de Noord-Italianen kijken neer op hun landgenoten onderaan de laars, de ernstige Nederlander voelt zich verheven boven de bourgondische Belg, de hardwerkende Vlaming kijkt neer op de potverterende Waal, het Europese koele Noorden minacht het passionele warme Zuiden. Ik vraag mij af of die verhoudingen in het zuidelijk halfrond omgekeerd liggen?
 
De voor de hand liggende diagnose ‘meerderwaardigheidscomplex’ wijs ik evenwel af. Dat soort diagnostiek zegt meer over de ergernis bij de diagnosticus dan over de patiënt, en bovendien gaat het in voorliggend geval veeleer over een ander identiteitsgevoel. Taal toont de psychologie van de spreker, en de jongens van de reclamebureaus voelen feilloos de verschillen aan. Wil je de ziel van een volk leren kennen, bestudeer de reclameslogans. Bij dezelfde Christiaan Weijts vond ik een paar markante voorbeelden. Sedert kort hebben wij in België ook Albert Heijn, maar niet onder de vlag van: ‘Gewoon bij Albert Heijn’, wel met: ‘Bij deze Albert bent ù Koning’. Het verschil wordt nog duidelijker bij de reclame voor een doe-het-zelfzaak die boven of onder Rosendaal helemaal anders in beeld komt. In Nederland luidt het: “Gamma, dat zég ik”; in Vlaanderen: “Gamma, hoe maakt u het?”
 
De uitdrukking ‘dat zég ik’ brengt mij naadloos bij de idee van het gezag, het voor het zeggen hebben, en dus bij de mondige, vrije Nederlander. Een paar jaar geleden had ik het genoegen een week college te mogen geven in Melbourne. Dat was in alle opzichten een schitterende ervaring waar ik, eenmaal terug thuis, niet over uitgepraat raakte. Toen ik gevraagd werd om te verwoorden wat ik dan toch zo bijzonder vond aan het college geven ginder, toen kwam ik spontaan op de volgende uitdrukking: “De Australiërs hebben de directheid van de Nederlanders zonder de brutaliteit”.

Ondanks het feit dat de lage landen heel vlak zijn, beweegt Nederland zich op een hellend vlak van eerlijkheid over directheid naar brutaliteit. Een tijd terug kreeg ik van een Nederlandse collega de vraag of het opportuun was voor haar om de stellingen van haar laatste boek – dat bij tijden en wijle zeer kritisch is – te brengen voor een groep Vlaamse collega’s. Ik begreep het probleem niet, en vroeg naar het waarom. Haar uitleg was dat ze geen zin had om voor de zoveelste keer uitgescholden te worden. Let wel: we hebben het over een groep hooggeschoolde medici, en over een wetenschappelijk onderbouwde studie.

Eerlijkheidshalve voeg ik eraan toe dat ik dit zelf nog niet meegemaakt heb, enkel iets wat slechts een klein beetje in die richting gaat.  Naar aanleiding van mijn laatste boek werd ik ook geïnterviewd door journalisten van religieuze weekbladen. In Vlaanderen kennen we dat niet, daar heerst de katholieke kerk en dat volstaat, daarmee hebben we al onze handen vol. Aldus werd ik geïnterviewd door hervormden, gereformeerden, christelijken, en zelfs door Friezen, maar dat laatste bleek geen godsdienst te zijn. De subtiele verschillen ontgaan mij, maar op een punt geleken ze verrassend goed op elkaar: ze hadden allemaal uitdrukkelijk hun eigen mening, zelfs zonder dat ze het boek gelezen hadden. Bij een bepaald interview was het zo dat de rollen omgekeerd werden, en dat na korte tijd ik de journalist interviewde over zijn visie op autoriteit. Een andere ervaring ligt in dezelfde lijn, meer bepaald een opvallend verschil tussen lezingen in Nederland en in Vlaanderen. In Vlaanderen breng ik mijn verhaal, en de vragen komen op het eind. In Nederland is het al meerdere malen gebeurd dat iemand mij na vijf minuten onderbreekt met een als vraag vermomde opmerking, waarop ik steevast hetzelfde antwoord moet geven: wacht nog even, verder in mijn betoog heb ik het daar over, en dan kunnen we nadien een beter onderbouwde dialoog opzetten.
 
“Gamma, dat zég ik”. Ik laat even Lieve Declercq aan het woord, de Vlaamse CEO van het grootste waterbedrijf in Nederland (Vitens): ‘Iedereen in Nederland heeft een mening. Soms denk je wel eens, het zou fijn zijn als er een paar minder een mening hebben’. (Belg in de Boardroom, 71). Zij krijgt daarin bijval van Johan Swinnen, gewezen Belgisch ambassadeur in Den Haag: ‘Wat mij vooral in Nederland opvalt, is de open debatcultuur. Ik vraag me soms af of de debatcultuur in Nederland geen doel op zichzelf is geworden.’ (Belgen, 166)
 
Tijdens die interviews ontdekte ik ook een andere klemtoon, die meteen een diagnostische richtingaanwijzer is. In Vlaanderen stelde elke journalist mij vragen over de politieke inslag, terwijl zijn Nederlandse collega’s zich steevast toespitsten op het luik opvoeding en onderwijs en mij uitvoerig vertelden wat er op dat vlak hier zo allemaal verkeerd loopt. Ouders voeden hun kinderen niet meer op, zo vernam ik, met als gevolg dat jongeren brutaal zijn en veel te snel en veel te vroeg een eigen mening hebben. Leerkrachten hebben geen gezag meer, er wordt niet naar hen geluisterd. En tot slot: het onderwijs zelf deugt niet langer, omdat het vakkundig om zeep geholpen is door de niet-aflatende experimenteerdrift van opeenvolgende ministers van onderwijs. Een paar weken terug zat ik in een paneldiscussie – ook al iets wat wij in Vlaanderen veel minder hebben – waarvan een ander lid een leraar-onderwijsdeskundige was. Van hem hoorde ik een bijkomende verklaring: bij al die onderwijshervormingen werd er nauwelijks geluisterd naar de leerkrachten zélf; meer nog, leerkrachten werden gaandeweg als een (weliswaar noodzakelijk) obstakel voor onderwijs beschouwd. Leerlingen zouden het zelf wel doen, via digitaal onderwijs en iets wat het studiehuis heet. Volgens dat panellid hadden de hervormingen het gezag van de leerkracht vakkundig de nek omgewrongen en was het dringend tijd dat Den Haag opnieuw leerde luisteren naar wie het werk deed.
 
Daarmee kom ik bij mijn belangrijkste diagnostische stelling inzake Nederland. Jullie hebben op zijn zachtst uitgedrukt een zeer ambivalente verhouding tegenover autoriteit en autonomie. Jullie denken zelfstandig te zijn, wars van autoriteit, maar al die eigen meningen zitten in een strak keurslijf. Ik verwijs naar twee titels waarvan de combinatie een uitdrukking geeft aan die ambivalentie. ‘Het verlangen naar gezag’ van collega Christien Brinkgreve, en ‘Niemand regeert’ van journalist Marc Chavannes. De twee boeken handelen over het hier en nu, maar ik ben ervan overtuigd dat die ambivalentie diep geworteld is in de Nederlandse poldergrond. Toen jullie Maxima zei dat dé Nederlander niet bestond, kreeg ze half Nederland over zich heen. Had ze gezegd dat de Nederlander wel bestond, dan had ze de andere helft over zich heen gekregen. Het verlangen naar een gezag dat ogenblikkelijk onderuitgehaald wordt, zodat er niemand regeert.

De historische achtergrond daarvan is op zich zonder twijfel mooi: de geuzen, het verzet tegen het absolute gezag, zowel politiek als religieus, voorgangers in plaats van bisschoppen en kardinalen, het poldermodel, en Holland als toevluchtsoord voor de elders vervolgde filosofen en wetenschappers van de Verlichting. Allemaal zaken die ruimte geven aan individualiteit en autonomie, die ingaan tegen conventionaliteit en de basis gelegd hebben voor de vrije, mondige Nederlander. Maar min of meer in dezelfde historische periode traden ook de regenten naar voor, die alles netjes onder elkaar bedisselden in functie van het grootste financiële gewin, en vervolgens hun besluiten met de nodige dwang oplegden aan de burgers.

De regentengeest is niet verdwenen, integendeel; ik heb eerder de indruk dat de combinatie tussen die geschiedenis en het huidige neoliberale discours jullie allemaal tot regent van jullie zelf gemaakt heeft. Het zou wel eens kunnen dat de vrijheid die naar voren treedt, op dat hellend vlak van directheid naar brutaliteit, slechts een illusie is die een onderliggende dwang afdekt. Een dwang om autonoom te zijn en een eigen mening te hebben, en tezelfdertijd allemaal in de pas te lopen.

Toen ik nog niet zo lang geleden op regelmatige basis naar Nederland begon te komen, was het eerste wat mij opviel inderdaad de vaak verfrissende mondigheid in combinatie met een veronderstelde vrijheid. Maar het heeft niet lang geduurd vooraleer ik ontdekte dat Nederlanders zeer gezagsgetrouw zijn. Ik weet niet of jullie meer regels hebben dan wij in België, maar ik weet wel zeker dat jullie die regels veel getrouwer volgen.

Twee voorbeelden. Een van de eerste lezingen die ik hier gaf, was in het zuiden van het land in een bekende psychiatrische instelling. Vlak voor de lezing vertelde de organisator me, met een zeer ongelukkige blik, dat ze veel mensen had moeten weigeren omdat er in het zaaltje maar tachtig personen binnen mochten, ik citeer, ‘omwille van de veiligheid’. De zaal bevond zich op het gelijkvloers, met een volledige zijkant terrasdeuren waarvan er één op de drie open stond (het was een bloedhete augustusdag), en er was ruimte zat. Een Vlaamse organisator sleurt onmiddellijk twintig stoelen bij en doet snel nog een telefoontje naar de cafetaria om een paar extra kratten bier in te slaan. Een tweede voorbeeld gaat een stuk verder. Vanuit de Angelsaksische wereld is het psychotherapeutisch en medisch werken met protocollen steeds meer een verplichting geworden. In de praktijk werken die vaak niet, en zal een ervaren therapeut daarvan afwijken. Een paar jaar terug zag ik op de boekenstand bij het jaarlijkse congres voor de Nederlandse vereniging voor psychiatrie een handleiding liggen met de volgende titel ‘Richtlijnen om af te wijken van de richtlijnen’. Als ik van collega’s hier hoor hoe jullie zorgsector overgereglementeerd is, waardoor de eigenlijke zorg heel ernstig in het gedrang komt, dan vraag ik mij af waarom al die mondige Nederlanders dat toegelaten hebben? Waar zijn de geuzen naartoe?

In mijn inleiding zei ik al hoe belangrijk taal is, hoe iemands ziel in zijn of haar taalgebruik vervat ligt. Het is geen toeval dat Van Kooten en De Bie het Nederlands verrijkt hebben met het woord ‘regelneverij’. Op zich is dat al sprekend, maar de uitdrukking toont slechts één kant van de ambivalente verhouding tegenover het gezag. De andere kant, samen met de dubbelzinnigheid, komt beter tot uitdrukking in een andere, typisch Nederlandse uitdrukking: ‘Moet kunnen’. (Gisteren heb ik vernomen dat dit zelfs de titel van een boek is, over de Nederlander, door Herman Pleij.)

Moet kunnen. ‘Kunnen’ opent de deur naar vrijheid, naar een mogelijkheid die er voorheen niet was. De kleuter die kan fietsen, ziet zijn wereld groter worden. Dat kunnen brengt geen verplichting met zich mee. Als werkwoord bevindt het zich tussen twee andere, ‘willen’ en ‘moeten’. ‘Willen’ is de sterkere vorm van wensen, het bevat al een tikkeltje dwang en betekent nagenoeg altijd dat we iets niet kunnen of nog niet goed genoeg kunnen. De kleuter die wil fietsen, kan het nog niet. ‘Moeten’ bevindt zich aan de andere kant van het spectrum, is totaal dwingend en staat daarom lijnrecht tegenover ‘kunnen’. ‘Moeten’ heeft tot gevolg dat een aantal dingen niet langer kunnen en dat de eigen wil geen rol meer speelt.
De combinatie tussen die twee, tussen ‘moeten’ en ‘kunnen’ is dan wel heel bijzonder, en levert een synesthesie van jewelste op, zoiets als een nat vuur of een lieve Kalasjnikov, of een alternatief conformisme. Of een Nederlander.
 
Een van de laatste verschijningsvormen van het ‘moet kunnen’, van de verplichte autonomie, is de zogenaamde ZZP’er. De buitenkant oogt rooskleurig. Iedereen zijn eigen baas, geen gezeur met personeel, leve de vrijheid en als je maar hard genoeg werkt, dan maak je het wel. Dat al die autonome ZZP’ers op een vergelijkbare manier naar de pijpen van een onzichtbare god dansen, is de minder zichtbare onderkant. Vaak zijn ze ZZP’er geworden omdat ze wegbezuinigd werden en een noodgedwongen ‘keuze’ moesten maken voor een pseudo-autonomie. Ik vermoed dat ze heel hard werken om boven het maaiveld uit te kunnen steken, allemaal op dezelfde manier, waardoor het maaiveld netjes gelijk blijft.
 
Nu ga ik even breed uithalen, en terugkeren naar een half vergeten onderdeel van jullie religieuze geschiedenis. Mijns inziens kadert de ‘moet kunnen’-ZZP’er binnen de nieuwste vormgeving van de predestinatie. De oorspronkelijke religieuze versie handelt over de goddelijke voorbeschikking voor de mens, met daarbij de beangstigende vraag voor elk individu of men al dan niet tot de uitverkorenen behoorde. Elke gelovige moest op zijn eentje Gods genade verdienen, nooit was men zeker of die genade ook wel zou komen, vandaar dat elke gelovige nog harder ging werken. Genieten maakte geen deel uit van het plaatje. Zoals bekend herkent de socioloog Weber in dat onderdeel van het protestantisme een belangrijke basis voor het kapitalisme.

In onze geseculariseerde maatschappij geloven we niet langer in de goddelijke predestinatie. We hebben die netjes vervangen door de ‘wij zijn ons brein’-voorbeschikking. Wat we niet beseffen is dat de effecten van dit geloof dezelfde zijn als bij het vorige. De mens wikt, maar het brein beschikt; gelukkig kunnen we het trainen. Als we heel hard ons best doen, lukt dat ook en zal de genade van de nieuwe neoliberale god op ons nederdalen. De ZZP’er koopt boeken over hoe hij dat voorbeschikte brein kan trainen om toch maar de genade van de nieuwe neoliberale god te kunnen verwerven. Intussen blijft hij heel hard werken, zoals alle ZZP’ers, moeten dat doen, allemaal zelfstandig en autonoom. Ondertussen loopt iedereen netjes in de pas. Met een eigen mening, dat spreekt. Onderling overleg ontbreekt, de debatcultuur overheerst.
 
Divide et impera, je zou er bijna de hand van een kwade genius in kunnen vermoeden. De meest pijnlijke illustratie daarvan treft het hart van oranje, en dan heb ik het over jullie nationale elftal. Al decennialang heeft Nederland voldoende topvoetballers om twee elftallen te vullen. Maar er staat nooit een team op het veld, wel elf ZZP-ers, elk met hun eigen mening. Weer perfect uitgedrukt door Van Kooten en De Bie: ‘samen voor ons eigen’.
 
Terug naar de titel van deze avond, Nederland op de sofa. Ik doceer al dertig jaar diagnostiek, voldoende lang om te weten dat labels geen diagnoses zijn, en dat elke uitspraak onvolledig en voorlopig is. Een diagnostisch verslag over de patiënt Nederland moet zeker ingaan op de dwang om een eigen mening te hebben, met op de achtergrond een schijnzelfstandigheid; op de illusie van autonomie, met op de achtergrond een alternatieve conformiteit en een angst om af te wijken van vaak absurde regels.
 
‘Moet kunnen’ en ‘samen voor ons eigen’ zijn daarvan de gevolgen.
 
Een diagnose kan best ook een aanwijzing geven voor de behandeling. Wat moet het doel daarvan zijn, is er een aangewezen methode? Het doel is verbinding (in plaats van een steeds valse autonomie), de methode is luisteren (in plaats van een pseudo-debat). Het nieuwe Nederlands zit vol Engels, dus kan ik de aanwijzing best in die taal formuleren. Bovendien is het een vraag die deel uitmaakt van een zelfdiagnostische vragenlijst, zodat jullie helemaal zelfstandig tot jullie eigen diagnose kunnen komen.
 
‘Are you listening?’
‘Or are you just waiting to talk?’

Kom ook naar de Filosofie Nacht 2016
Tijdens de Filosofie Nacht spreekt Paul Verhaeghe over intimiteit.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.