Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement

Subtiele hervertelling van Camus

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Frank Meester
filosoof, publicist, muzikant

In Camus’ meesterwerk De vreemdeling vermoordt een Fransman een naamloze Arabier. Kamal Daoud geeft die Arabier in zijn roman een naam en een gezicht.

Kamal Daoud schreef met Moussa of de dood van een Arabier een genuanceerd boek over Algerije en de verhouding met zijn voormalige overheerser Frankrijk. Je kunt de roman lezen als een hervertelling van Albert Camus’ De vreemdeling, dat in 1999 bij een verkiezing van het Franse dagblad Le Monde werd gekozen tot beste boek van de eeuw. De verteller van Moussa of de dood van een Arabier heet Haroen en is de broer van ‘een Arabier’ uit Camus’ De vreemdeling. Deze ‘Arabier’ wordt in het boek van Camus vermoord door Meursault.
 
Daoud maakt van Haroen een soort spiegelbeeld, of beter nog negatief, van Meursault. Soms zelfs heel letterlijk. Zo is Meursault uit De vreemdeling een Fransman die om twee uur ’s middags een Arabier vermoordt, met de zon als enige getuige. Haroen daarentegen is een Arabier die om twee uur ’s nachts een Fransman doodt in het maanlicht. De hoofdpersonages uit de twee romans zijn beiden eenzaam en voelen zich een vreemde onder de mensen omdat ze niet bereid zijn zich aan te passen aan wat de anderen van hen verwachten. Haroen weigert mee te doen aan de onafhankelijkheidsstrijd van Algerije en weigert daarna om zich te gedragen zoals een moslim dat hoort te doen. Van Meursault wordt verwacht dat hij om zijn overleden moeder treurt en zich een goed christen toont. Ook hij weigert te doen wat van hem verlangd wordt. Dat wordt hem uiteindelijk fataal. 
 
Daoud vertelt de andere kant van Camus’ verhaal, hij geeft de Algerijnse kijk op de zaak. En hij is daarin bepaald niet rancuneus. Daoud heeft zelfs grote waardering voor de schrijver van De vreemdeling, vooral voor Camus’ prachtige taal, die uit steen gehouwen lijkt. Maar daarin schuilt ook het gevaar. Door die krachtige, meestal korte zinnen, laat de lezer zich gemakkelijk meevoeren met Meursault. 
 
Deze moordenaar is in de standaardinterpretatie de ‘vreemdeling’ waarnaar de titel van het boek verwijst, maar je kunt je afvragen of in werkelijkheid de Arabier die hij doodt niet de echte vreemdeling is of beter nog ‘De Ander’, zoals de roman van Camus in Moussa of de dood van een Arabier blijkt te heten. Camus doet in ieder geval geen enkele poging die ander tot een mens te maken. Hij krijgt niet eens een naam. Zijn dood is alleen van belang voor zover die van invloed is op de levensloop van Meursault. Wat er verder met het lichaam van ‘een Arabier’ gebeurt en of hij nog een familie achterlaat, dat komt überhaupt niet ter sprake. Een van de eerste dingen die Daoud dan ook in zijn eigen boek doet, is deze Arabier een naam geven, Moussa, hem met familie omringen en hem zo tot mens maken.
 
Ook uit de vorm van het boek blijkt de waardering van Daoud voor Camus. Van begin tot eind is Moussa of de dood van een Arabier een monoloog van Haroen. Een oudere man, die in een café wijn drinkt en zijn verhaal vertelt aan een andere gast. Deze vorm lijkt op die van De val, een andere roman van Camus. Alleen speelt dat boek zich af in Amsterdam af, dat daarin wordt vergeleken met de hel. Haroen vergelijkt op zijn beurt de Algerijnse stad waar hij zijn verhaal vertelt, Oran, met de hel. Oran is dan weer het decor van een andere roman van Camus: De Pest. Ja, Daoud heeft Camus aandachtig gelezen.  
 

Opstandelingen

Camus kende Algerije goed. Van zijn geboorte in 1913 tot aan de Tweede Wereldoorlog had hij er geleefd. Hij was een zogenaamde pied-noir – een in Algerije wonende Fransman. Toen in de jaren vijftig de opstanden in Algerije serieuze vormen begonnen aan te nemen, had Camus Algerije al verlaten. Progressief Frankrijk, onder wie Camus’ toenmalige vriend Sartre, stond aan de kant van de opstandelingen. Camus kon wel enig begrip voor hen opbrengen, maar meende toch dat Frankrijk een rol zou moeten blijven spelen in Algerije. De kolonisatie zou volgens hem moeten worden omgezet in een associatie. Zag hij Algerije en de Algerijnen inderdaad nog te veel als een decor waarin Fransen uiteindelijk de hoofdrol speelden? Misschien wel. In ieder geval ging het hem meer om mensen dan om principes. Toen hem na de uitreiking van de Nobelprijs voor de literatuur tijdens een openbare discussie werd gevraagd naar zijn mening over de vrijheidsstrijd in Algerije, sprak hij de inmiddels beroemde woorden: ‘Ik moet ook een terrorisme veroordelen dat blindelings te werk gaat, in de straten van Algiers bijvoorbeeld, en dat op een dag mijn moeder of mijn familie kan treffen. Ik geloof in gerechtigheid, maar eerder dan de gerechtigheid zal ik mijn moeder verdedigen.’ 
 
Kamel Daoud, die als journalist voor de Quotidien d’Oran werkt, lijkt ook niet echt iemand van de principes. Haroen, de verteller, maakt zich soms wel kwaad om zijn verloren Algerijnse leven door de moord op zijn broer, maar mildheid heeft toch de boventoon in zijn relaas. Als hij beschrijft dat hij ooit met een vrouw verstrengeld naar het station liep, zegt hij daarna: ‘toen kon dat nog’. In dergelijke subtiele opmerkingen schuilt de kracht van dit mooie boek.

Verder lezen?