Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
24-09-2015

Wie zich als onvrij beschouwt, wordt onvrij

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Florentijn van Rootselaar
Filosoof, journalist, schrijver

We beschikken over een grootse en creatieve geest. Maar die gedachte staat onder druk. De mens is zijn brein, horen we immers, en dus onvrij. Daarom organiseren wij een tegenbeweging, een evenement over de grootsheid van de geest.
 
We leven in de tijd van creatieve ideeën, van grootse wetenschappelijke ontdekkingen. Toch is de vrije wil – de grootse geest – dood verklaard, waarschijnlijk het sterkst  door de hersenwetenschap, of door een gepopulariseerde versie daarvan. En dat heeft zijn weerslag op mensen. Steeds vaker hoor ik om me heen dat iemand iets doet, of iets voelt, door een ‘stofje’ in de hersenen. Steeds vaker hoor ik dat ‘een inhoud uit het hoofd weggehaald moet worden’.

De mens is in deze visie een wezen dat het leven niet meer in eigen hand heeft –  nadenken over dat leven is zinloos. En, zo hoorde ik laatst van een psychiater, we vertellen tegenwoordig ons levensverhaal niet meer. We verwijzen alleen nog naar oorzaken die een bepaalde ziekte veroorzaken.

Deze tendens is niet alleen zichtbaar in de geestelijke gezondheidszorg, maar doorgedrongen tot in het dagelijks leven. De mens is zich steeds meer als een wezen gaan beschouwen dat geen invloed op zijn leven heeft. En als je dat doet, daar wijzen verschillende cultuurcritici op, dan zal dat ook zo zijn. Wie zich als onvrij beschouwt, is onvrij.
 
De grote paradox is dat we tegelijkertijd meer dan ooit uitgaan van de mens als een wezen met een grootse geest. We vertellen wel levensverhalen (mensen schrijven steeds meer biografieën, praten met vrienden, wisselen ervaringen uit zoals ze dat altijd deden). We kijken terug op het verleden, dat  daardoor betekenisvol voor ons wordt. We maken plannen voor het heden, waarmee we onszelf vrij verklaren. We scheppen met de grootse geest de mooiste verhalen, schilderen de mooiste schilderijen.

Misschien is het juist wel omdat het officiële verhaal over de geest zo neerbuigend is, dat we ons massaal storten op allerlei evenementen waarin die geest weer wordt opgewekt. We zoeken het in yogakampen, meditatiesessies, verhalenvertelfestivals of ook nog steeds bij klassieke psychoanalytici.

Maar de geest die daar weer wordt opgewekt, verbleekt en verflauwt door het overbekende verhaal over de onvrijheid van de geest. Het is alsof we kinderen zijn die tevergeefs verhalen blijven vertellen over ons leven. Gelovend in de illusie van vrijheid, van betekenis. Verhaaltjes om ons in slaap te sussen, om ons niet te hoeven confronteren met een hardere waarheid. Die waarheid is dat de menselijke geest definitief onttroond is, de mens is niet meer dan zijn instinct, zijn DNA of dan zijn brein.
 
Als we teruggaan naar het verleden van Nederland vinden we daarin een traditie waarin de menselijke geest wel groots was: de Gouden Eeuw. Dat tijdperk is nog steeds urgent en belangrijk, zo werd me weer eens duidelijk toen ik sprak met onze hoofdspreker, de Amerikaanse schrijver en historicus Russell Shorto. Hij vertelde me een verhaal dat me trots maakte. Trots op Nederland, trots op Amsterdam, trots op de filosofie. Met de zeventiende-eeuwer Spinoza hebben we een denker die heel Europa en zelfs de Verenigde Staten zou beïnvloeden met zijn ideeën over de vrijheid van de menselijke geest.

In dat vrije Amsterdam leefde aan het begin van de zeventiende eeuw de Franse filosoof Descartes, tegenover de Westerkerk, de historische plek waar ons evenement over de geest plaatsvindt. Noam Chomsky, nog steeds ’s werelds meest geciteerde intellectueel, legde me ooit uit wat Descartes zegt over de menselijke geest: ‘Een belangrijk aspect van de menselijke natuur is het verlangen te onderzoeken en te creëren.  

Voor Descartes stond het creatieve gebruik van taal centraal in zijn denken. Er is volgens hem maar één manier om te bepalen of een ander organisme een geest heeft, en dat is door na te gaan of het op een creatieve manier taal gebruikt. Die creativiteit weerspiegelt de voor de mens kenmerkende vrijheid om te denken. Jij en ik gebruiken de taal nu ook op een creatieve manier; dat is standaardgedrag voor menselijke taalgebruikers. We construeren uitdrukkingen die soms volledig nieuw zijn. Taal veronderstelt het oneindige gebruik van eindige middelen.’

Een andere grote Nederlander – ik lijf hem maar bij ons in – is de filosoof John Locke, die zijn belangrijkste ideeën over mensen en samenleving ontwikkelde in het zeventiende-eeuwse Amsterdam, waar hij na zijn vlucht uit Engeland verbleef. Locke ontwikkelde, geïnspireerd door ideeën van Newton over zwaartekracht, nieuwe ideeën over de menselijke geest.

Chomsky zei het zo:  ‘De filosoof John Locke bijvoorbeeld was bijzonder onder de indruk van Newtons theorie. Als God onbegrijpelijke eigenschappen zoals zwaartekracht aan materie kon geven, dan zou God volgens hem ook de eigenschap “denken” aan materie kunnen toevoegen. Denken is net als zwaartekracht geen aparte substantie, maar een kenmerk van de materie zelf. De geest – vond Locke – is niet meer dan georganiseerde materie. Er is geen aparte substantie, geen losse geest meer nodig. Tegenwoordig wordt dat in de philosophy of mind een radicaal nieuw idee genoemd. Maar in de zeventiende eeuw werd dat al begrepen.’
 
Chomsky gaat nog verder: volgens hem is de neurowetenschap een nog nauwelijks ontwikkeld wetenschapsgebied, in ieder geval is die minder samenhangend en theoretisch minder ver dan de zeventiende-eeuwse natuurwetenschap dat was.  Volgens Chomsky is de visie van Locke over geest en brein nog steeds relevant voor de moderne hersenwetenschap. En precies in dat zeventiende -eeuwse denken van Locke, dat zich ontwikkelde in het Amsterdam van die tijd, was een grote ruimte voor menselijke vrijheid, creativiteit en grootsheid.

Het mooie, vind ik, is dat een terugkeer naar de zeventiende eeuw niet betekent dat we ons afwenden van de modernste inzichten uit de neurowetenschap. Juist als we die tijd als inspiratiebron nemen, zorgt dat voor een verdieping en een beter begrip van ons brein, van ons grootse brein.

Chomsky denkt overigens niet dat we met die inzichten de menselijke geest hebben verklaard. We weten veel, en steeds meer, over ons brein, maar daarmee ontglipt ons nog steeds de creativiteit die eigen is aan de menselijke geest. Chomsky gebruikte het beeld van een andere grote zeventiende-eeuwer uit Amsterdam om dat duidelijk te maken: ‘We kunnen zeggen hoe handen bewegen, maar niet verklaren hoe Rembrandt een schilderij maakte.’
 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.