Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
30-06-2015

Nero & Seneca

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Anton van Hooff

In het boek Nero & Seneca schrijft historicus en auteur Anton van Hooff over de verplichte zelfmoord van Seneca. Anton van Hooff is een spreker op de School of Death. Hier volgt een korte publicatie uit zijn boek.

‘Volgt meteen de doodslag van Annaeus Seneca, de vorst zeer welkom, niet omdat hij hem echt medeplichtig aan de samenzwering had bevonden, maar om met ijzer tekeer te kunnen gaan, nu vergif geen succes had gehad.’ Met deze bitse woorden begint Tacitus de schildering van Seneca’s levenseinde in het jaar 65. Vooraf gaat een hele reeks van moorden en gedwongen zelfdodingen in de terreurcampagne die Nero voerde na de ontmaskering van Piso’s samenzwering tegen zijn leven. Met de vorst wordt Nero bedoeld: hem was de liquidatie van Seneca zeer welkom.
 

Stoïsch sterven

Het motief was volgens Tacitus dus niet de mogelijke betrokkenheid van Seneca bij het complot, maar pure moordlust waarvan nu ook Nero’s oude tutor het slachtoffer werd. Er was alleen een vage verklaring van een verrader dat hij berichten had uitgewisseld tussen Piso en de ziekelijke Seneca. Piso had geklaagd dat Seneca hun oude vriendschap tekortdeed door hem niet bij zich toe te laten, waarop Seneca had gezegd dat persoonlijke ontmoetingen voor geen van beiden zin hadden. ‘Overigens hing zijn eigen behoud af van dat van Piso.’ Een argwanende geest als die van Nero leidde uit deze woorden af dat Seneca minstens vermoedde waarmee Piso bezig was. Hij wilde zich kennelijk verre van de onderneming houden, maar hoopte wel dat Piso zou slagen en overleven, omdat alleen zo Seneca’s behoud verzekerd was. Maar het weigeren van contact paste in het maatschappelijke isolement dat Seneca zich in zijn laatste levensjaren had opgelegd. Hij was de politiek en misschien het leven beu. Dat zijn eigen behoud afhing van dat van Piso was niet meer dan een beleefdheidsformule. Romeinse brieven beginnen steevast met ‘als jij gezond bent, ben ik het ook’. Maar in de stalinistische terreurgolf van die dagen was iedere
uitlating verdacht.
 
Een opperofficier van de garde werd op Seneca afgestuurd om te vragen of hij die woorden als de zijne herkende. ‘Hij was toevallig of met opzet op dat moment uit Campanië teruggekomen en op de vierde mijlsteen had hij in zijn voorstadsvilla kwartier gemaakt.’ Die voorstadsvilla, zijn suburbanum, was een van de bezittingen die Seneca had aangehouden toen hij een jaar tevoren na de grote brand van Rome veel bezit had weggegeven om het herstel van de hoofdstad te helpen bekostigen. Zoals andere leden van de Romeinse elite bezat hij in Rome een herenhuis, een domus, waar hij in het politieke winterseizoen verbleef. Voor korte recessen hadden de aristocraten landhuizen in de directe omgeving. In de zomer trokken ze naar hun plattelandsvilla’s, villae rusticae, die in de eerste plaats landbouwbedrijven waren, maar ook aan de landheer een aangenaam vakantieverblijf boden. Of Seneca ook aan de Golf van Napels een of meer villa’s had is ongewis, hoewel iemand van zijn stand aan deze Romeinse Rivièra een zomerverblijf hoorde te hebben. Campanië was namelijk in zekere zin het binnenste buitenland van Italië, zoals Zuid-Limburg in de negentiende eeuw al bijna Zuid-Frankrijk was voor de Nederlandse elite. Steden zoals Napels hadden hun Griekse karakter behouden. Nero kwam er graag, zoals we nog zullen zien. Daarom kan het ook zijn dat Seneca, die zich niet helemaal uit Nero’s kring had kunnen terugtrekken, daar in het gezelschap van de heerser had verkeerd.
 
Naar die voorstadsvilla begaf de gardeofficier zich tegen het vallen van de avond en liet het complex omringen door groepen soldaten. Seneca zat in gezelschap van zijn vrouw Pompeia Paulina en twee vrienden aan het avondmaal toen de officier van de garde Nero’s orders aan hem overbracht.
 
Seneca bevestigde dat Piso zich had beklaagd over zijn weigering om elkaar te bezoeken. Hijzelf had zijn gezondheid en behoefte aan rust als excuus opgegeven. Hij had geen reden gehad om het welzijn van een particulier persoon boven dat van zichzelf te stellen. Op elegante wijze weerlegde Seneca zo het verwijt dat hij Piso’s leven belangrijker vond dan zijn eigen bestaan. Dat zou majesteitsschennis zijn, want een trouw onderdaan hoorde het leven van de vorst boven alles te stellen. Deze kon echter zeker zijn van Seneca’s loyaliteit en dat was geen loze praat, want ‘hij had nu eenmaal geen aard geneigd tot vleierij. En dit was niemand beter bekend dan Nero, die vaker Seneca’s vrijmoedigheid dan zijn slaafsheid had ondervonden.’ Deze meesterlijke slaafse vleierij past helemaal bij de aard en de woordkunst van Seneca. We zullen daarvan nog talrijke staaltjes tegenkomen.
 
Deed Seneca met deze betuiging van trouw een laatste, opportunistische poging om zijn hachje te redden? Of wilde hij het nageslacht doordringen van de willekeur van de tiran tegenover zijn eigen
absolute trouw? Seneca maakte zich geen illusies. Hij wist dat zijn laatste uur had geslagen. Het ging er nu om het laatste levensbedrijf zo goed mogelijk te spelen.
 
De gardeofficier bracht verslag uit aan Nero in aanwezigheid van diens vrouw Poppaea Sabina en de commandant van de garde Tigellinus, ‘die voor de razende vorst de intiemste raad waren. Hij vraagt of Seneca aanstalten maakte tot een vrijwillige dood.’ De uitdrukking ‘vrijwillige dood’, voluntaria mors, is de gangbare aanduiding voor ‘zelfdoding’ in het Latijn. In de oudheid bestond immers het begrip zelfmoord niet. Daarom ontbrak ook een sinistere benaming. Pas in de christelijke middeleeuwen bedacht een theoloog de term suicida voor iemand die zich ombrengt, nota bene om zijn afkeer tegen Seneca uit te drukken, de heiden die door zijn moraalfilosofische geschriften veel prestige onder collega-godgeleerden genoot (p. 243).
 
‘Hierop bevestigde de gardeofficier dat er niets droevigs in zijn woorden of gelaat te bespeuren was geweest. Dus kreeg hij het bevel terug te gaan en de dood aan te zeggen.’ Dit ‘aanzeggen van de dood’ hield een zelfdodingsbevel in. Doorgaans gaf de getroffene daaraan willig gehoor. Niet alleen bespaarde de gedoemde zich zo foltering, veroordeling en executie, maar ook verzekerde hij zich van een fatsoenlijke begrafenis en voorkwam hij confiscatie van het familiebezit. Een ‘premie op haast maken’, pretium festinandi, noemt Tacitus deze postume zorg voor de nabestaanden cynisch (Jaarboeken 6,29).
 
De gardeofficier had niet veel trek in deze missie en begaf zich naar een van de twee commandanten van de garde, Lucius Faenius Rufus, die net als hij aanvankelijk had deelgenomen aan Piso’s complot.
Moest hij het bevel van de vorst gehoorzamen? Wel degelijk, kreeg hij te horen, ‘in de laffe gelatenheid van iedereen’ tekent Tacitus grimmig aan. ‘Hij bespaarde zich echter spraak en aangezicht’, met andere woorden hij durfde de persoonlijke confrontatie niet aan, maar stuurde een honderdman naar Seneca toe ‘om hem de uiterste noodzaak aan te zeggen’, een ander eufemisme voor het zelfdodingsbevel.
 
Seneca ‘vraagt onverschrokken om de papieren van zijn testament. Als de honderdman weigert, wendt hij zich tot zijn vrienden. Nu hem belet werd dank uit te drukken voor hun verdiensten, verklaarde hij wat hij als enige, maar wel mooiste bezit had na te laten, namelijk het beeld van zijn leven. Als ze dat in ere hielden, zouden ze de faam van een goede levenshouding erven als vrucht van bestendige vriendschap.’ Het is duidelijk dat Seneca bepaald niet aan deemoed leed. In zijn filosofische geschriften stelt hij zich op als iemand die nog maar op weg is naar het volmaakte inzicht. Hij is maar een imperfectus of een proficiens, iemand die vorderingen maakt op weg naar de ware wijsheid, de sapientia. Maar in zijn laatste levensakte legt hij alle valse bescheidenheid af en demonstreert een messiaans zelfbewustzijn: doe dit tot mijn gedachtenis.
 
‘Nu eens met zachte, dan weer met strenge woorden probeert hij hun verdriet te beteugelen en roept hen op tot fermheid.’ De antieke en moderne lezer moet hier de scène in Socrates’ kerker herkennen. Ook de Atheense wijze troostte en bemoedigde in de dodencel zijn vrienden. Niet alleen de auteur Tacitus roept dat tafereel in herinnering, ook de acteur Seneca zorgt daarvoor. Hij is bewust bezig met een heropvoering van Socrates’ laatste uren. Socrates was immers voor alle filosofische richtingen het toonbeeld van de wijze. Hij was voor antieke intellectuelen wat Jezus voor de christenen werd. ‘Waar waren nu lessen van wijsheid, waar de rede die zoveel jaar lang zich had bezonnen op bestaansrisico’s?’ Met deze retorische vragen verwijst Seneca naar de stoïsche leer. Deze wilde zijn aanhangers wapenen tegen alle wisselvalligheden van het leven. Door zijn eigen ratio te gebruiken beseft de wijze dat alles wat hem overkomt deel uitmaakt van de grote wereldorde. Zich verzetten tegen de lotsbeschikkingen is onwijs.

Anton van Hooff is een van de sprekers op 16 juni in de School of Death

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.