Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
03-06-2015

Wijsgeer in het wild

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Johan van de Gronden

Is er nog wel ongerepte natuur? En wat hebben wijsbegeerte en wildernis met elkaar te maken? Filosoof en directeur van het Wereld Natuur Fonds Johan van de Gronden geeft in zijn nieuwe boek Wijsgeer in het wild antwoord op deze vragen en meer. Hij liet zich onder andere inspireren door wildernisprofeet en filosoof Henry David Thoreau en bezocht diens geboortedorp. Lees hier een voorpublicatie. 
 

Echo’s uit Concord
Het plaatsje Concord in de Amerikaanse staat Massachusetts zucht onder de strenge winter. Het is al begin maart, maar er zijn nog maar weinig tekenen van een naderend voorjaar. De dorpsbewoners waarschuwen elkaar voor weer een nieuwe sneeuwstorm. De bittere kou speelt mij in de kaart. Bij mildere temperaturen wordt de plaats overspoeld door toeristen. Ik heb nu vrijwel het rijk alleen. De zeventienduizend inwoners van Concord verwelkomen jaarlijks een miljoen bezoekers, merendeels landgenoten, die de plek willen bezichtigen waar in de ochtenduren van 19 april 1775 de plaatselijke burgermilities voor het eerst in de nog jonge geschiedenis van de Britse kolonie het vuur openden op de ‘Redcoats’, het leger van de Engelse koning. Mijn reisdoel betreft niet de historische plaatsen van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Ik ben op een literaire pelgrimage. Concord is wel eens het ‘Athene van Amerika’ genoemd. Hier legden in de negentiende eeuw schrijvers en dichters als Ralph Waldo Emerson, Nathaniel Hawthorne, Henry David Thoreau en Louisa May Alcott het fundament onder de Noord-Amerikaanse literaire cultuur. Vooral Henry Thoreau, wildernisprotagonist van het eerste uur, oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit.

 



 
Maar op deze koude zondagochtend wandel ik eerst naar de ruwe houten brug over de rivier de Concord met het bescheiden monument voor de burgermilitie aan de overzijde. ‘The Minuteman’ heet het standbeeld, naar de denkbeeldige minuut die de jonge mannen toen nodig dachten te hebben om gevechtsklaar aan te treden. Wanneer ik mij omdraai zie ik de drie eenvoudige ramen op de bovenverdieping van de oude houten pastorie vanwaar de grootvader van Waldo Emerson op die vroege aprilmorgen een goed zicht moet hebben gehad op de schotenwisseling.

Als ik de dichtregels van zijn kleinzoon op het monument lees, stelt een eenzame wandelaar, die eveneens de kou heeft getrotseerd, zich aan mij voor: ‘John.’ Hij draagt een warme bivakmuts. Ik vermoed dat hij de pensioenleeftijd heeft bereikt. Hij voldoet aan alle clichés: hij is joviaal, wil meteen weten waar ik vandaan kom, wat mij naar Concord voert en praat met mij als met een oude vriend. Hij vraagt of ik weet wie het gedicht geschreven heeft. Als een scholier die zijn geschiedenisles kent, antwoord ik braaf: ‘Ralph Waldo Emerson.’ Of ik ook weet dat het gedicht oorspronkelijk gezongen werd? ‘Alle goede poëzie laat zich zingen,’ zeg ik. Zijn ogen beginnen te twinkelen onder de borstelwenkbrauwen. Of ik het wil horen? Voor ik het weet zet hij met luide basstem in. Daar staan we, op een zondagochtend in de ijskoude winter van 2014 in Massachusetts, met z’n tweeën in de wonderbaarlijke leegte van een historisch nationaal park dat gewoonlijk gonst van de bezoekers. Hij zingt alsof hij de herinnering aan Caruso wil doen verbleken. Bij de tweede zin begin ik al mee te deinen. Hij trekt een register open uit mijn jeugd. Met daverend orgelspel en naar ingekuild gras ruikende boerengezinnen die slepend de Heere prijzen. Verrek, de melodie van Psalm 100! ‘Juich aarde, juich alom den Heer. Dient God met blijdschap, geef hem eer.’ John zingt de eerste stanza van de hymne van Emerson met gusto:
 
‘By the rude bridge that arched the flood,

Their flag to April’s breeze unfurled,

Here once the embattled farmers stood,

And fired the shot heard round the world.

 
De domineeszoon Emerson koos voor zijn Puriteinse landgenoten bij de inauguratie van het monument op 4 juli 1837 het ritme van een pompende psalm. Ik beken met een grijns aan de wildvreemde John: ja, ik herken de wijs. We nemen hartelijk afscheid.

Ik struin nog wat door de bevroren sneeuw rond ‘the Old Manse’. Hawthorne schreef er een aantal korte verhalen, gebundeld in Mosses from an old manse (1846). De pastorie hield er zijn naam aan over. Maar veel belangrijker nog: hier schreef Emerson zijn eerste essay over de natuur, simpel getiteld Nature (1836), het begin van de invloedrijke stroming van het ‘transcendentalisme’.

Emerson opent zijn essay prachtig. We doen tegenwoordig niks dan terugkijken, zegt hij. We schrijven biografieën, geschiedenis en kritieken, maar we slagen er niet in om de wereld met frisse blik te bezien. Hij zoekt voor zichzelf en zijn tijdgenoten naar een originele relatie met God en de natuur. Niet de overlevering, maar eigen inzicht telt. Daarin herkennen we een verlichtingsmotief. De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804), berucht vanwege zijn vuistdikke en uiterst ingewikkelde verhandelingen, had vijftig jaar eerder een voor zijn doen verrassend eenvoudige definitie gegeven van het verlichtingsbegrip. In een kort en helder essay, gepubliceerd in een Berlijns tijdschrift, had hij uitgelegd dat Verlichting vooral mondigheid inhoudt. Het even onverschrokken als onafhankelijk gebruik van je eigen verstand. Sapere aude! Durf te denken! is het motto dat hij aan de Verlichting geeft. Het lijkt er sterk op dat Emerson zich door Kant heeft laten inspireren. Ook de term ‘transcendentaal’ lijkt zo afgeleid uit een van Kants hoofdwerken. Maar in Emersons bibliotheek treffen we geen originele werken aan van Kant. Pas in 1848, twaalf jaar na het verschijnen van Nature, schafte hij een Engelse editie aan van de Kritik der reinen Vernunft, in een vertaling van William Pickering. Het is waarschijnlijk dat het gedachtengoed van de Duitse Verlichting via een Britse omweg de Noord-Amerikaanse kolonie heeft bereikt. Emerson was goed bevriend met de Schotse historicus en kenner van de Duitse literatuur Thomas Carlyle (1795-1881) en kreeg zo een sterk verdunde versie aangereikt van het Duitse idealisme. Een andere Britse interpreet van Kant, de Romantische dichter Samuel Coleridge (1772-1834) had eveneens grote invloed op de receptie van het Duitse idealisme in de Nieuwe Wereld. Coleridge maakte het de Engelse lezer allemaal wat gemakkelijker. Honderden pagina’s dundruk had Kant nodig gehad om de grenzen van de menselijke kennis vast te stellen en zijn lezers ervan te doordringen dat intuïtieve kennis de mens ten principale niet is gegeven. Coleridge legt het verschil tussen verstand en rede op zijn beurt uit als dat tussen discursieve en intuïtieve verwerving van inzicht. Een uitleg die de meeste aanhangers van het Amerikaanse transcendentalisme moeiteloos zullen overnemen, vaak zonder te weten hoezeer zij daarmee het gedachtengoed van Kant geweld aandoen.

Emersons behoefte aan een frisse, nieuwe start straalt ook nu nog af van zijn werk. De Amerikaanse natie is nog jong, de veelal onontgonnen natuur overweldigend, de drang naar vrijheid en persoonlijk autonomie groot en de ontvankelijkheid voor ideeën van elders enorm. Thoreau en Emerson, beiden opgegroeid in een streng religieuze omgeving, waren (evenmin als Kant overigens) geen grote kerkgangers. Thoreau zei vaak dat een wandeling door de natuur voor hem gelijkstond aan een godsdienstoefening. En beide natuurfilosofen kozen eclectisch hun inspiratiebronnen, met een voorkeur voor teksten met een zekere pantheïstische strekking. De grote wereldreligies waren allemaal op zoek zijn naar eenzelfde goddelijke bron, die je vooral in de natuur kunt ervaren. En dan was er nog iets, een element waarom we vandaag de dag in het sceptische Europa nog altijd moeten grinniken, vooral in Amerikaanse verkiezingstijd, een zweem van uitverkorenheid: God’s own country. Ergens leefde bij de schrijversgroep rond Emerson het idee dat je in de Amerikaanse wildernis een grotere kans had God te ontmoeten dan in het oude, geciviliseerde Europa. Het werk van Thoreau staat dan ook bol van de zorg om de teloorgang van de Amerikaanse wildernis en het steeds verder verleggen van de pioniersgrenzen. Tegelijkertijd is er nog steeds de belofte van een ongerepte natuurervaring: wild, onbeheerst en ruig. Voor Thoreau lag die werkelijkheid aan de oppervlakte. Aan het einde van zijn leven had hij een kleine volkenkundige privécollectie opgebouwd van pijlpunten, vijzels, vuurstenen beitels en potscherven van de Algonkinbeschaving, die ‘Nieuw Engeland’ al duizenden jaren bevolkte voor de komst van de kolonisten. Beroemd zijn de anekdotes waarin kennissen van Thoreau verzuchten hoe het toch kan dat hij toch altijd moeiteloos gave pijlpunten lijkt te verzamelen, terwijl zij zelden iets vinden. Waarop Thoreau vooroverbuigt, wat grond wegkrabt en zijn gezelschap een verse pijlpunt aanreikt. Je moet natuurlijk wel oog hebben voor de wilde grond waarop je loopt.

De veertien jaar oudere Emerson was Thoreau’s mecenas en beschermheer. Concord was een kleine gemeenschap, en de zonderlinge levensstijl van de zoon van de plaatselijke potloodfabrikant bleef niet geheel onopgemerkt. Hij behaalde weliswaar netjes zijn Harvarddiploma, maar in een normale betrekking hield Henry Thoreau het niet lang vol. Hij werkte een blauwe maandag als onderwijzer, bouwde hier een schuur, repareerde daar een hek, hielp enkele weken in de zaak van zijn vader, trad op als landmeter voor de plaatselijke boeren, maar leefde vooral als een vrijbuiter zonder regelmatig inkomen.

Zijn eerste boek, A week on the Concord and Merrimack rivers, verscheen in 1849 en werd amper verkocht. Het betrof een reisverslag van een tocht die hij met zijn twee jaar oudere broer John in 1839 had gemaakt. John overleed drie jaar na de trip plotseling aan tetanus, een gebeurtenis die Henry diep raakte. Het schrijven van het boek moet hem goed hebben gedaan, als een eerbetoon aan zijn broer, maar in zijn dagboek noteert hij op 27 oktober 1853 schamper: ‘Ik ben nu in het bezit van een bibliotheek met bijna 900 boeken, waarvan ik er meer dan 700 zelf heb geschreven.’ Thoreau deed er vier jaar over om zijn schuld  van 290 dollar aan de uitgever terug te betalen. Dat komt neer op een hedendaagse schuld van ongeveer tienduizend dollar. Van een oplage van 1000 exemplaren kocht hij er 706 terug.

Het is bijzonder dat Emerson zo veel talent zag in de jonge Thoreau. Hij had zich tot dan toe nog maar in weinig onderscheiden. Op Harvard blonk hij niet uit, zijn wat ruwe gedichten wees Emerson merendeels af voor publicatie in the Dial, het literaire tijdschrift dat hij zelf uitgaf, en Thoreau’s debuut was een flop. Misschien was Emerson gegrepen door zijn wilde, ongepolijste energie en onafhankelijkheidsdrift. Misschien vormde de jongeman een welkome, wat rauwe tegenpool van de kamergeleerde die hij zelf was. In elk geval nodigde Emerson hem regelmatig uit voor het diner, liet hem soms wekenlang logeren en stond hem uiteindelijk toe om een eenvoudige blokhut te bouwen op een stuk grond dat hij had gekocht aan de oever van een nabijgelegen meer, Walden Pond.

Thoreau was al geruime tijd op zoek naar een eenvoudige boerderij of verblijfplaats in de landelijke omgeving van Concord. Hij kende de velden, bossen, weiden en heuvels goed door de vele lange wandelingen die hij er maakte. Een paar weken voor zijn achtentwintigste verjaardag, in het voorjaar van 1844, kwam er nog een motief bij om zich terug te trekken uit het dorpsleven. Met een vriend ging hij enkele dagen kamperen langs de oevers van de rivier de Concord. De eerste avond dat zij hun kamp opslaan gaat het al mis. Ze zijn onvoorzichtig met het maken van een kampvuurtje en een snel om zich heen grijpende veldbrand is het gevolg. Er vallen geen slachtoffers, maar tientallen boeren uit de omgeving zijn uren aan het blussen en de schade is aanzienlijk. Het zal de reputatie van de jonge Henry Thoreau geen goed hebben gedaan. De vrijbuiter is nu ook een brandstichter. Hij mag dan de mond vol hebben over wildernis en het vrije leven, je kunt hem nog niet met een pakje lucifers veilig op pad sturen naar het eerstvolgende dorp. Thoreau moet zich enorm hebben gegeneerd voor zijn dorpsgenoten.

Op 4 juli 1845 is het zover. Thoreau brengt met een handkar zijn schamele bezittingen over naar zijn tweedehands eenkamerwoning op zo’n drie kilometer buiten het dorp. In de weken die voorafgingen heeft hij een simpele fundering aangebracht. Het benodigde grenenhout kapt hij zelf. Het huisje is opgetrokken uit het sloopmateriaal van een arbeiderswoning even verderop. Thoreau had de Ierse buurman, waarschijnlijk een spoorwegarbeider, eenvoudigweg een paar dollar geboden voor de kozijnen, de wandplaten en de dakspanten. Emerson was nog zo vriendelijk geweest om het belendende perceel te kopen. Het ging om een kleine plantage van pekdennen (Pinus rigida) van de plaatselijk kroegbaas, Bigelow. Als die het in zijn hoofd zou halen om de bomen te rooien, was het met Thoreau’s wildernis meteen gedaan. Emerson was niet alleen bemiddeld, maar ook pragmatisch.

Er is door commentatoren veel gespeculeerd over de datum, 4 juli, Onafhankelijkheidsdag. Thoreau zegt er niet veel over in zijn dagboeken, maar hij zal er zeker behagen in hebben geschept dat zijn persoonlijke onafhankelijkheidsqueeste samenviel met die van de natie. Twee jaar, twee maanden en twee dagen zou het experiment duren. Thoreau verbleef niet voortdurend bij Walden Pond. Om de andere dag wandelde hij naar het dorp voor de laatste nieuwtjes of om zijn moeder wasgoed te brengen. Hij dineerde regelmatig bij de Emersons, en in het tweede jaar ging hij enkele weken op expeditie naar Mount Katahdin (of ‘Ktaadn’ in Thoreaus spelling) in Maine.

Het waren productieve jaren. Hij voltooide de memoire aan zijn broer John, A week on the Concord and Merrimack rivers, schreef de eerste 117 pagina’s van Walden, produceerde de eerste versie van het prachtige Ktaadn, schreef naar aanleiding van één nacht gevangenschap in het kot van Concord (Thoreau weigerde om de plaatselijke belasting te betalen) Resistance to Civil Government en vond ook nog de tijd om een essay te schrijven over Thomas Carlyle. Zeven concepten en zeven jaar later (in 1854) verschijnt Walden eindelijk in boekvorm. Het wordt het cultboek van de wildernisbeweging en bereikt 150 jaar na dato nog vele lezers.

Het kost mij enige moeite om het begin van de ‘Emerson-Thoreau Amble’ te vinden. Ik weet dat de wandeling begint naast of achter de statige, witte houten woning waar Emerson van 1835 tot aan zijn dood in 1882 in Concord woonde. Er schijnt inmiddels een bleek zonnetje. Door het dikke pak sneeuw is het pad aan het oog onttrokken. Ik beproef mijn geluk in zuidelijke richting, waar ik Walden Pond vermoed. Ik zak nu en dan tot aan mijn knieën in de sneeuw. Dat maakt de route nog enigszins avontuurlijk. Na het eerste houten bruggetje over een beek zie ik een embleem met het groene silhouet van twee wandelaars voor een witte achtergrond. Het is een leuke wandeling, door het soort bos dat ik ken uit mijn jeugd op de Veluwe. Het bos is merendeels jong, met enkele sparren die misschien de eeuw hebben getrotseerd. Op de achtergrond hoor ik voortdurend verkeersgeruis. Ook dat is vertrouwd. Na iets van veertig minuten zie ik waar het lawaai vandaan komt. Ik moet vlak bij het meer zijn, maar plotseling sta ik voor een vrijwel onneembare hindernis: de Concord tolweg, de R2 naar Boston. Vijf banen versperren de doorgang. Ik zoek naar een veilige oversteekplaats voor wandelaars. Uit een dikke hoop vuilzwarte sneeuw steekt nog net het puntje omhoog van wat de bedieningsknop van een voetgangerslicht moet zijn. Het blijkt te werken. Na een paar minuten komt het autoverkeer uit beide richtingen tot stilstand en kan ik veilig oversteken.

De rechthoekige omtrek van de plek waar Thoreau’s eenvoudige woning moet hebben gestaan is gemarkeerd met enkele grijze stenen. De plek ligt op de zuidelijke helling van een licht glooiende heuvel met uitzicht op het meer. Van de openbare weg moest je ook toen al de woning hebben kunnen zien liggen. Thoreau hield er een moestuin op na. Hij verbouwde er knolraap en een witte variant van de sperzieboon. Is dit nu de plek waar de wildernisprofeet zich onttrok aan het keurslijf van de samenleving om bewust te leven naar de wetten van de vrije natuur? Het voelt een beetje als een deceptie. De wandeling door het town forest van Concord. De geringe afstand tot de bewoonde wereld (als Thoreau stevig doorstapte kon hij een uurtje later aanschuiven aan de dis van Emerson). Het bos dat sterke gelijkenis vertoont met een houtplantage op de Veluwe. De geringe omtrek van het meer. En de spoorverbinding met Boston ten westen van Walden Pond die net was aangelegd voor Thoreau zich aan het meer vestigde.

De magie van Walden zit ‘m dan ook niet in de plek waar het boek is geschreven. Het is meer een literaire zoektocht naar autonomie en een verkenning van de relatie tussen mens en natuur. Thoreau voelde zich hier te gast tussen de andere levende wezens. De beschrijvingen van de vroege ochtenden in het boek zijn euforisch. Ondanks de met enige regelmaat voorbijstomende treinen is het er relatief stil, en de nachten zijn er nog gewoon pikdonker. Thoreau kan er zich geconcentreerd wijden aan het schrijverschap en voorzag door te vissen en zijn moestuin te bewerken grotendeels in zijn eigen onderhoud. De wildernis moet vooral in zijn hoofd hebben gezeten, als een begeerd en kwetsbaar contrapunt in een steeds verder mechaniserende beschaving. Thoreau wist dat de kolonisten de plek langs de Musketaquid (de Algonkinnaam voor de Concord) hadden uitgekozen omdat deze hen herinnerende aan de oude weidegronden in Engeland. In zekere zin hadden ze gelijk, want wat zij voor een wild en onbewoond landschap hielden was in werkelijkheid een extensief bewerkt cultuurlandschap met gemeenschappelijke weidegronden in het vruchtbare rivierdal die al eeuwen werden gebruikt. Thoreau idealiseerde als een wat late Rousseau de oorspronkelijke bewoners van het gebied. Walden is veel meer verlangen dan beschrijving, meer een zwanenzang van een wild en natuurlijk landschap dat definitief verloren dreigt te gaan dan een ode aan de wildernis.

Een confrontatie met wildernis in een meer ongenaakbare gedaante doet Thoreau zelfs terugdeinzen. Op 31 augustus 1846 onderneemt hij een expeditie naar Mount Katahdin in Maine. De piek is iets meer dan zestienhonderd meter hoog en daarmee de hoogste berg in Maine. Tegenwoordig is het Baxter State Park een gewilde locatie voor hikers en klimmers, maar in het midden van de negentiende eeuw waren er nog niet zo veel Europeanen die de berg hadden bedwongen. Thoreau is er helemaal van ondersteboven. In het naar de berg vernoemde essay Ktaadn dat hij later publiceert klinkt hij meer als een extatische John Muir in de Sierra dan als de theoretiserende Thoreau van Walden. De dag dat de expeditie begint aan het laatste traject naar de top is het weer matig. Thoreau raakt het zicht op zijn vrienden kwijt en klimt alleen verder tussen flarden mist en wolken. Soms scheurt het wolkendek even open en heeft hij een majestueus uitzicht, dan weer ziet hij geen hand voor ogen. ‘It was vast, Titanic and such as man never inhabits.’ Hij voelt zich als een vreemde in Jeruzalem. Het landschap kent geen menselijke maat en hij kan zich er niet toe verhouden. Het voelt vijandig en ongenaakbaar. Thoreau spreekt van een onmenselijke Natuur, en legt de natuur vervolgens allegorisch oudtestamentisch klinkende woorden in de mond, alsof hij zich als een overmoedige Mozes te dicht heeft gewaagd bij een verzengende macht:
 
Why came ye here before your time. This ground is not prepared for you. Is it not enough that I smile in the valleys? I have never made this soil for thy feet, this air for thy breating, these rocks for thy neighbors. I cannot pity nor fondle thee here, but forever relentlessly drive thee hence to where I am kind. Why seek me where I have not called thee, and then complain because you find me like a stepmother? Shouldst thou freeze or starve, or shudder thy life away, here is no shrine, nor altar, nor any access to my ear.
 
Thoreau druipt af en begint tussen de talloze sporen van beren en elanden aan de afdaling. De onherbergzame natuur is hem te barbaars, te inhumaan, en hij gaat op weg naar een veiliger haven in het dal. Opmerkelijk: de verkondiger van het wildernisideaal buigt uiteindelijk het hoofd en ziet om naar een landschap met een maatvoering die de mens beter past. Thoreau speelt hier ook met oude indiaanse mythen die met ontzag spreken over de Allerhoogste Berg, waar geen sterveling iets te zoeken heeft. Een verblijfplaats van de goden bezoek je niet zonder gevaar voor lijf en leden.

’s Avonds in mijn hotel, de Colonial Inn (‘est 1716’) aan Monument Square lees ik het kleine werkje met de beroemdste uitspraak van Thoreau. Het telt amper zestig bladzijden en draagt de simpele titel Walking. Hij schreef het aanvankelijk als een lezing kort voor zijn dood in mei 1862. De lezing heeft hij nog uitgesproken in het Lyceum, iets verderop aan het plein waar ik nu logeer. Het was een vroege voorloper van de Volksuniversiteit. De openingszin klinkt als een klok: ‘I wish to speak a word for Nature, for absolute freedom and wildness […]’. Hij wil het niet hebben over burgerlijke vrijheden of over de mens als lid van de samenleving, de polis, maar over de mens als onderdeel van de natuur. Hij vervolgt met een lofzang op het wandelen, niet het maken van een ommetje, maar het vrijelijk zwerven door veld en bos als de symbolische zwerftocht van het leven. Wat moet er van ons worden als we straks alleen nog kunnen wandelen door tuinen en winkelcentra, vraagt hij zich retorisch af. Wij zouden die vraag moeten kunnen beantwoorden, want de meesten van ons doen niet anders. Thoreau is bang dat we iets onvervangbaars zullen verliezen. Hij vergelijkt de Atlantische Oceaan, waarover de kolonisten westwaarts zijn gereisd, met de Lethe, de mythologische rivier van de vergetelheid, en hij stelt zijn hoop op het Westen, de pioniersgrens, het wilde land. Het Avondland met al zijn vergissingen kunnen we maar beter vergeten. ‘The West of which I speak is but another name for the Wild; and what I have been preparing to say is that in Wildness is the preservation of the World.’ Daar is het weer, het serum van Amerika, het Wilde Westen, de belofte van onontgonnen land, van nieuwe mogelijkheden, van ruwe wetten die aan de beschaving voorafgaan. Van het behoud van het wilde, het ongerepte hangt het hele Amerikaanse project af: een belangrijk motief dat doorwerkt tot in de Amerikaanse Wilderness Act van 1964.

Hier lijkt Thoreau zijn ervaringen op de berg Katahdin even vergeten. Maar niet helemaal. De laatste paragrafen van de lofzang op de wandeling vormen niet een beschrijving van een ontzagwekkende natuurervaring. De laatste woorden die Thoreau schreef betreffen een bucolisch tafereel op het platteland. Badend in gouden herfstlicht meandert een beekje kalm door vochtig grasland. Door het zwerk glijdt geluidloos een eenzame blauwe kiekendief. De wandelaar voelt de warme stralen van de late namiddagzon in de rug als de voorzichtige aansporing van een herder die hem naar de Elyzeese velden leidt.

Henry David Thoreau ligt begraven op de ‘auteursrichel’ van Sleepy Hollow. Een kleine steen met de eenvoudige inscriptie ‘Henry’ markeert zijn graf. Schuin tegenover de Thoreaus liggen de Hawthornes, iets verderop de Emersons. Verbonden in leven en dood. Thoreau overleed op 6 mei 1862 aan de gevolgen van tuberculose, zoals veel van zijn familieleden. Ralph Waldo Emerson hield de grafrede, die later met wat lichte wijzigingen is afgedrukt in de Atlantic Monthly.

Emerson schetst Henry Thoreau als een goudeerlijk man, protestants tot in zijn tenen, hard voor zichzelf, niet gehecht aan aardse zaken en een tikje onaangepast in gezelschap. Een natuurmens die met het minste genoegen neemt, ontberingen ondergaat als een lentebries, meer verwant aan de oude beschaving van de Algonkins dan aan de nieuwbakken mores van de kolonisten. Een eenling, gesteld op afzondering, maar ook iemand die pas tot bloei komt in verzet en tegenspraak, un homme révolté. Wars van conventies, zonder ambitie om zich enig maatschappelijk aanzien te verwerven, gekant tegen regels, overheidsbemoeienis, belastingen en instituties. Maar ook een nauwgezet man, een vakman die een huis of een schuur kon ontwerpen én bouwen. Iemand die zijn natuurlijke omgeving op zijn duimpje kende, maar niet inging op herhaalde verzoeken van de natuurhistorische vereniging om een systematische beschrijving te geven van de botanische rijkdom. Hij kende de plaatselijke flora dusdanig goed dat hij naar eigen zeggen bij benadering de datum van het jaar meende te kunnen bepalen als hij door een of ander vreemd toeval uit een trance zou ontwaken in een moeras in de omgeving van Concord, simpelweg door het ontwikkelingsstadium van de lokale vegetatie te determineren. Daarmee was hij ook enigszins overmoedig. Natuurlijk zag Emerson in zijn te vroeg overleden vriend ook de ‘ware Amerikaan’: gepassioneerd, vrij, diep gehecht aan zijn omgeving en met een even raadselachtig als stellig vertrouwen in zijn bestemming. Godsvruchtig zonder God. Een kind van de ongetemde natuur.
 
Benieuwd naar meer? Meld u aan voor de wandeling met Johan van de Gronden op 5 augustus en krijg 'Wijsgeer in het wild' daar gratis bij.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.