Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
26-01-2015

De mens egoïstisch? Borrelpraat!

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Matthieu Ricard
filosoof, boeddhist

De opvatting volgens welke de mens gezien moet worden als individu die in alle omstandigheden probeert zijn persoonlijke belangen na te jagen heeft vaste vorm aangenomen onder invloed van de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Hij zet de mens neer als een door en door egoïstisch wezen, en die opvatting is vervolgens door een aantal eigentijdse denkers overgenomen. De theorie die niet alleen stelt dat egoïsme bestaat (daar twijfelt niemand aan), maar dat het ook de drijfveer is voor al onze daden, wordt door menswetenschappers ‘universeel egoïsme’ of ‘psychologisch egoïsme’ genoemd. Zelfs als we het geluk van anderen wensen, zou dat slechts een ‘omweg’ zijn om zelf zo goed mogelijk aan onze trekken te komen. We mogen dan erkennen dat we soms anderen helpen uit eigenbelang, toch gaat de theorie van het universele egoïsme veel verder, door te stellen dat we uitsluitend uit eigenbelang hulp bieden.

David Hume, een van de grootste tegenstanders van Hobbes, had weinig geduld met de aanhangers van universeel egoïsme. Hij was van mening dat die opvatting blijk geeft van ‘het meest onbezonnen en overhaaste onderzoek van de feiten dat ooit is gedaan’. Hij was meer geneigd menselijk gedrag empirisch te observeren dan morele theorieën te construeren. Over de denkers van zijn tijd merkte hij op: ‘Het wordt de hoogste tijd dat zij ieder ethisch systeem, hoe subtiel en vernuftig ook, afwijzen als het niet op feiten en observatie berust.’ Hij vond dat ontkenning van altruïsme tegen het gezonde verstand indruist:

'Zelfs de meest achteloze waarnemer meent te zien dat er neigingen als welwillendheid en edelmoedigheid bestaan, naast hartstochtelijke gevoelens als liefde, vriendschap en dankbaarheid'.

Maar wanneer de verdedigers van universeel egoïsme worden geconfronteerd met de talrijke voorbeelden van altruïsme, waarvan ze, net als wij allemaal, in hun dagelijkse leven getuige zijn, doen ze hun best verklaringen te vinden die het gezonde verstand tarten. Over een man die uit zijn auto sprong en zonder aarzelen in ijskoud water dook om iemand van de verdrinkingsdood te redden, heeft de Amerikaans sociobioloog Robert Trivers gezegd dat ‘het duidelijk is dat de redder [zonder egoïstisch motief] niet de moeite zou nemen een drenkeling uit het water te halen’. Het probleem is dat deze theorie een bekrompen en reductionistisch beeld geeft van de menselijke motivaties. De filosoof Joel Feinberg constateert:

'Er bestaan in feite maar heel weinig bewijzen voor psychologisch egoïsme. [...] In de regel is het ‘wetenschap van de borreltafel’ die de stelling van universeel egoïsme staande houdt; haar argumenten zijn over het algemeen gebaseerd op indrukken, of grotendeels van niet-empirische aard.'
 
Een wetenschappelijke hypothese moet niet alleen geschikt zijn voor experimentele verificatie, maar het moet ook mogelijk zijn haar te weerleggen met behulp van feiten die, als ze zich voordoen, de onjuistheid ervan bewijzen. Als een theorie zo is geformuleerd dat ze altijd wordt bevestigd, ongeacht de waargenomen feiten, kan ze zich niet tot echte kennis ontwikkelen. Zoals Karl Popper heeft aangetoond, is een theorie die in principe niet te falsifiëren is geen wetenschappelijke theorie, maar een ideologie.


Pruim 

Psychologisch egoïsme blijkt ongegrond te zijn wanneer deze theorie pretendeert alle menselijke gedrag te verklaren. Het is egoïstisch een kind geen pruim te geven (omdat je die zelf wilt opeten) én het is egoïstisch het kind die pruim wel te geven (dat doe je om je goed te voelen of om een einde te maken aan dat gejengel waar je gek van wordt). Zonder de echte motivatie van de persoon in kwestie experimenteel te verifiëren zou je evengoed de omgekeerde hypothese kunnen opperen: het is even altruïstisch een kind een pruim te geven (je weet dat hij van pruimen houdt) als om hem die pruim niet te geven (je weet dat hij er buikpijn van krijgt).
Het woord ‘egoïstisch’ van toepassing achten op al ons gedrag, zonder uitzondering, leidt tot absurde situaties: de soldaat die zich op een granaat werpt om te voorkomen dat zijn kameraden worden gedood, zou even egoïstisch zijn als de soldaat die zijn kameraad op de granaat duwt om zijn eigen huid te redden. Egoïstisch zijn zou zo synoniem worden met leven en ademen. Abraham Maslow schreef: ‘Als je alleen maar een hamer hebt, kom je in de verleiding elk ding als spijker te zien.’
De verdedigers van universeel egoïsme hebben voornamelijk de volgende filosofische argumenten naar voren gebracht:
  •  we doen iets voor anderen omdat dit ons uiteindelijk voldoening geeft;
  • een heldendaad is niet werkelijk altruïstisch, want de held handelt impulsief en heeft dus eigenlijk geen keuze;
  • wat we ook doen, we kunnen nooit iets anders wensen dan ons eigen welzijn, en dat is op zich al een egoïstische houding;
  • omdat alles wat we uit vrije wil doen uitdrukking geeft aan onze eigen wil en onze eigen verlangens, zijn onze daden dientengevolge egoïstisch.
Sommige mensen zeggen graag: ‘Ik heb anderen vaak geholpen, en dat gaf me een geweldige voldoening. Eigenlijk zou ik die mensen moeten bedanken.’ Engelsen spreken van een warm glow (een warme innerlijke gloed) bij het voldane gevoel goede daden te hebben verricht.
Maar zo’n hypothese kunnen we niet op alle altruïstische gedrag toepassen. Wanneer een brandweerman een brandend huis binnenrent om iemand eruit te halen, denkt hij vast niet eerst: Kom, ik duik in die vuurzee! Wat zal ik me daarna goed voelen! Dat is natuurlijk absurd.
De psycholoog Alfie Kohn zegt nadrukkelijk: ‘Om de juistheid van deze hypothese aan te tonen, is het niet genoeg de glimlach te laten zien van iemand die zojuist andermans leven heeft gered. Daarvoor moeten we bewijzen dat de redder al aan dat moment van opgetogenheid dacht voordat hij met gevaar voor eigen leven ingreep.’
Bovendien betekent voldaan zijn over een altruïstische daad niet dat die daad egoïstisch is, want streven naar die voldoening is niet het belangrijkste motief ervan. Als je een bergtocht gaat maken om eten te brengen aan een vriend die vastzit in een berghut, is die tocht zeker goed voor je gezondheid en zal je de heilzame effecten ervan op prijs stellen, maar het zou toch onzinnig zijn te beweren dat je daarom je vriend bent gaan bevoorraden?
 

Voldoening

Bij een egoïstische berekening van het type ‘als ik me bij deze persoon altruïstisch gedraag, zal ik me daarna goed voelen’ krijg je in feite nul op het rekest. Want voldoening ontstaat uit echt altruïsme, en niet uit berekenend egoïsme. Herbert Spencer, een Engelse filosoof en socioloog uit de negentiende eeuw, had dit al opgemerkt: ‘Van de heilzame effecten van goede daden [...] profiteren we alleen volledig als ze werkelijk geen zweem van egoïsme vertonen.’ Kortom, mensen die iedere altruïstische daad egoïstisch noemen die voordeel brengt aan degene die deze daad uitvoert, halen de belangrijkste oorzaak en secundaire effecten door elkaar.
We zouden ook kunnen aanvoeren dat altruïstische daden niet altijd gepaard gaan met aangename emoties. Mensen redden uit noodsituaties en vervolgden voor langere tijd een toevluchtsoord bieden leiden vaak tot momenten van min of meer heftige angst. Zulke daden komen het vaakst voor in tragische situaties, waarin ‘gevoelens’ van minder belang zijn, vergeleken met de dringende noodzaak tot handelen. Die soms zeer hoog oplopende spanning kun je bepaald niet aangenaam noemen.
 
Tijdens de oorlog heeft Irene Gut Opdyke keer op keer haar leven op het spel gezet om Joden te redden die in Polen met de dood werden bedreigd. Zij geeft duidelijk het verschil aan tussen de emoties die in het heetst van de strijd worden ervaren en het gevoel van vervulling bij de herinnering eraan. Was ze zich bewust van de grootsheid van haar daden? ‘Destijds was ik me daar niet van bewust,’ vertelt ze, ‘maar hoe ouder ik word, des te rijker voel ik me. Als ik het moest overdoen, zou ik precies hetzelfde doen. Het is geweldig te beseffen dat veel mensen tegenwoordig nog leven, dat sommigen van hen getrouwd zijn en kinderen hebben, en dat die kinderen ook weer kinderen hebben, alleen maar omdat ik moed en kracht genoeg had.’ Een optreden achteraf terecht achten kan het alleen maar grootser maken en doet niets af aan het altruïsme ervan.

Er bestaat een variant op de theorie van universeel egoïsme, namelijk de theorie van psychologisch hedonisme, van aanhoudend streven naar genot, die we aantreffen in de geschriften van de Engelse filosoof John Stuart Mill. Volgens die theorie ‘[zijn] we egoïstisch omdat aangename ervaringen en de verlenging daarvan het enige is wat we werkelijk willen, en omdat we onaangename ervaringen willen vermijden of bekorten’. Volgens het psychologische hedonisme zijn we dus slechts altruïstisch voor zover dit ons genoegen biedt en zullen we altruïsme vermijden als we daardoor aan ongenoegen kunnen ontsnappen. Maar dit argument is vrijwel zinloos: het spreekt vanzelf dat we een positief gevoel ontlenen aan het besef een gewenste daad te hebben uitgevoerd. En wel door het simpele feit dat de voltooiing ervan de spanning wegneemt die blijft bestaan zolang we het doel van onze inspanningen niet hebben bereikt. Een hardloper die de eindstreep haalt, een ambachtsman die een huis voltooit, een kunstschilder die een schilderij afmaakt, een vrouw die klaar is met de was, ze vinden het allemaal prettig hun werk tot een goed einde te hebben gebracht. Maar we doen de was omdat we schoon wasgoed willen en niet om ons voldaan te voelen omdat ‘de was aan kant is’. Het simpele feit dat we blij zijn omdat we iets voor een ander hebben gedaan, betekent niet dat onze motivatie egoïstisch is: we hebben dit gedaan ten behoeve van het welzijn van die ander en niet om er zelf voldaan over te zijn.


'Ze konden niet anders'

Bovendien onderstreept Feinberg dat onze voldoening over een altruïstische daad er al bij voorbaat op wijst dat we van nature geneigd zijn anderen gelukkiger te maken. Als hun lot ons volkomen koud liet, waarom zouden we ons dan zo graag met hen bezighouden?
In het geval van onverschrokken redders hebben verdedigers van universeel egoïsme nog een argument achter de hand. Ze ontlenen dat aan verklaringen van talrijke helden uit het leven van alledag, die zeggen dat ze ‘niet anders konden’ na anderen, vaak met gevaar voor eigen leven, te hebben geholpen. Margot, een vrouw die grote risico’s had gelopen om door de nazi’s vervolgde Joden een toevluchtsoord te kunnen bieden, zei tegen Kristen Monroe: ‘Wanneer iemand verdrinkt, vraag je je niet af of je iets moet doen of niet, en ook niet of je dat zus of zo moet doen.’
Verdedigers van universeel egoïsme concluderen daaruit dat we automatisch gedrag niet altruïstisch kunnen noemen omdat er geen intentie aan voorafgaat. Maar zonder aarzelen handelen betekent niet dat we geen keus hebben, en ook niet dat we niet bij voorbaat al een intentie hadden. Het betekent simpelweg dat de keuze zo duidelijk was dat er onmiddellijk een handeling op volgde, en dat is heel iets anders dan zich als een automaat gedragen.

Daniel Batson merkt op: ‘Je kunt achteraf zeggen dat je hebt gehandeld zonder na te denken, zoals mensen doen die een brandend huis binnenrennen of in gevaarlijk water springen. Toch heb je waarschijnlijk wel nagedacht, net als die anderen, anders zou je spontane hulp niet zijn afgestemd op de situatie [...]. Mogelijk is het juister te zeggen dat jij en die anderen niet bewust hebben nagedacht, maar wel degelijk een keuze hebben gemaakt. Want jullie reactie was op een bepaald doel gericht.’
Wanneer we bij een onverwachte en zich zeer snel ontwikkelende situatie, die geen ruimte laat om te aarzelen, een beslissing moeten nemen, is ons spontane gedrag de uitdrukking van onze innerlijke toestand. Wat op instinctief gedrag lijkt, is in werkelijkheid een duidelijke en spontane manifestatie van een zijnswijze die we in de loop van de tijd hebben verworven.
We moeten eigenliefde, of, preciezer gezegd, ‘je eigen welzijn wensen’ en egoïsme niet met elkaar verwarren. Volgens de filosoof Ronald Milo leidt eigenliefde tot een verlangen naar eigen welzijn, maar egoïsme tot uitsluitend dat verlangen. Joseph Butler, een Engelse filosoof en theoloog uit de achttiende eeuw, benadrukt de veelvormigheid van wat ons bezighoudt, evenals de gedachte dat het wensen van het eigen welzijn én dat van anderen heel goed te combineren is. Hij pleit voor ‘verlichte eigenliefde’; daarbij kan een van de bijverschijnselen van altruïsme zijn dat het bijdraagt aan ons eigen geluk, zonder dat onze aanvankelijke motivatie daardoor egoïstisch wordt. We doen trouwens allerlei dingen die aan ons eigen welzijn bijdragen, zoals lopen, slapen en ademhalen, die noch egoïstisch, noch altruïstisch zijn.
Als het eigen welzijn wensen altijd egoïstisch zou zijn, zo benadrukt Norman Brown, filosoof aan de Cambridge University, dan zouden onze inspanningen om wijs of deugdzaam te handelen, twee lofwaardige wegen naar zelfontplooiing, egoïstisch genoemd moeten worden.
In werkelijkheid zondigt de egoïst uit onwetendheid. Als hij de processen van geluk en lijden beter zou begrijpen, zou hij voor zijn eigen welzijn zorgen door goed voor anderen te zijn. Jean-Jacques Rousseau wees daar al op: ‘Ik weet en ervaar dat goeddoen het meest ware geluk geeft dat een menselijk hart ten deel kan vallen.’ In het boeddhisme betekent werkelijke eigenliefde: ernaar streven ieder moment van het bestaan te ervaren als een moment van vervulling, dat wil zeggen, een staat van wijsheid willen bereiken, vrij van haat, egocentrische begeerte, jaloezie en andere mentale vergiften. Dat is een gemoedstoestand die niet meer wordt verstoord door egoïsme en die samengaat met een goedheid die tegenover alle mensen om ons heen tot uitdrukking kan komen.

Dit is een voorpublicatie uit Altruïsme. Matthieu Ricard gaat op 2 februari in De Nieuwe Liefde in gesprek met Roman Krznaric, auteur van Empathie - een revolutionair boek

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.