Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
20-11-2014

Allemaal afleiding

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Damon Young
filosoof, publicist

De huidige economie vraagt steeds meer van ons. Op het werk moeten we steeds meer doen in dezelfde tijd. Hierdoor wordt het steeds moeilijker om voldoening uit ons werk te halen. Werk is een middel geworden om de rekeningen te betalen, maar wordt niet meer gezien als een verrijking van het leven. Tegelijkertijd tast deze verhoogde werkdruk ook onze beleving van vrije tijd aan. We gaan op zoek naar drukte en vermaak of ploffen apathisch neer voor de televisie. In deze exclusieve voorpublicatie uit Afgeleid van Damon Young leest u meer over ons drukke bestaan.

Het probleem met de moderne, ultrasnelle werkplek is niet dat er geen winst wordt gemaakt. Het probleem is dat je er vaak met geen mogelijkheid enig werk gedaan krijgt: wat geacht wordt een hypermoderne baan te zijn, blijkt in de praktijk tijdvulling. Onvoorstelbare hoeveelheden informatie zijn in de hele ‘bekabelde’ (en in toenemende mate kabelloze) wereld onmiddellijk oproepbaar. Daarbij gaat het niet alleen om nuttige gegevens, maar ook om zinloos nieuws, groepsmail, spam, virussen, irrelevante bedrijfsmemo’s, doorgestuurde grappen, enzovoort. Dat is allemaal afleiding. En dan zijn er nog de onvermijdelijke opdrachten van de baas, verzoeken van de directie, mededelingen over nieuw bedrijfsbeleid en richtlijnen voor projecten, die allemaal in real time moeten worden afgehandeld. Uiteraard wordt dit alles ‘gestroomlijnd’ middels de laatste netwerkarchitectuur en bedrijfssoftware (waarvoor ongetwijfeld weer trainingscursussen nodig zijn). Terwijl het bureaucratische administratieve apparaat van het moderne kantoor met de mond efficiëntie belijdt, zorgt het op deze manier vaak alleen maar voor een overdosis informatie en verschillende vormen van tijdvulling. Het resultaat van deze veranderingen is dat we worden overspoeld met bits en bytes vol flauwekul. Er wordt vaak gesproken over de ‘informatie-economie’, maar de markt behoort te worden gedreven door schaarste, niet door overvloed. In feite is dit een ‘aandachtseconomie’ – schaars zijn de geestelijke en lichamelijke middelen waarmee we dingen werkelijk opmerken en proberen te bevatten. Voor bedrijven is het van belang dat consumenten zich op hun producten concentreren en dat personeel hun memoranda en richtlijnen tot zich door laat dringen. Daarom bedenken pr-, communicatie- en reclamemanagers voortdurend nieuwe manieren om mensen enthousiast te maken, te prikkelen en lastig te vallen, met als doel zo veel mogelijk aandacht voor hun product, voorstel of persbericht te genereren. Vooral in de reclamewereld doet dit denken aan een kleine wapenwedloop, waarbij de ene slagzin nog absurder is dan de andere (in een advertentie voor een kledingmerk valt te lezen: ‘Diesel: Global Warming Ready’).

Dit leidt tot een oorlog om het territorium van onze geest, dat thuis en op het werk wordt bestookt met de meest vulgaire, uitzinnige of indringende boodschappen, die stuk voor stuk om onze ogen en oren strijden. Een andere oorzaak van uitputting en frustratie op het werk is de opkomst van de ‘flexkrachten’, die vaak op uitzendbasis of met een tijdelijk contract werken. Door de baan voor het leven overboord te gooien, zorgen bedrijven ervoor dat ze slanker, lichter en sneller worden. Ze zitten niet meer opgescheept met de ‘ballast’ van vast personeel en kunnen snel verhuizen wanneer de arbeidskrachten te duur worden (of de aandeelhouders snel dividend willen beuren). Net als variabele werktijden kan dit voor werknemers natuurlijk een voordeel zijn – voor zelfverzekerd, assertief personeel is het eventueel een oplossing voor die lastige balans tussen werk en privéleven. Maar voor veel jonge, kwetsbare werknemers betekent het opnieuw een offer. Ze doen nog steeds hetzelfde saaie werk, maar moeten het stellen zonder de zekerheid van een vaste baan, de erkenning van collega’s en het geruststellende saamhorigheidsgevoel (om nog maar te zwijgen van de bonussen en verlofrechten). En de kans is bovendien groot dat ze tot volgzaamheid worden gedwongen – je zult niet snel dwarsliggen wanneer je smeekt om de verlenging van je contract of de continuering van je werktijden. Je kunt zo best je geld verdienen, maar het maakt veel arbeidskrachten onzeker, nerveus en bezorgd. Uiteindelijk raken ze uitgeput door al het onbetaalde overwerk dat ze doen en doordat ze bij ziekte doorwerken (waarbij ze vaak ook hun collega’s aansteken). Idioot genoeg is daar zelfs een woord voor: ‘presenteïsme’ – het tegendeel van absenteïsme. In het gunstigste geval maakt het van werk iets onbeduidends; in het ongunstigste geval verandert het werk in een deprimerende, afmattende last. Dan wordt het, om met Marx te spreken, ‘een arbeid van zelfopoffering, van zelfkastijding’.

In de ogen van de Amerikaanse filosoof John Dewey, die zijn werk in de jaren dertig van de twintigste eeuw schreef, was de versnelling van het leven gevaarlijk – het gaat eenvoudig tegen onze aard in om zo hard, zo snel en tegen zo’n geringe (fysieke of existentiële, dan wel geldelijke) beloning te werken. Dewey wees erop dat mensen – zoals alle levende wezens – nauw verbonden zijn met hun omgeving. Om te kunnen overleven, gaan we er voortdurend een interactie mee aan, of we nu paden banen, naar voedsel zoeken en een hut bouwen of autorijden, boodschappen doen en ons huis renoveren. Wij beïnvloeden de wereld en de wereld beïnvloedt ons. Dewey noemde de algemene omgang met de wereld ‘ervaring’ en elk onderdeel daarvan ‘een ervaring’. Die ervaringen kennen elk hun eigen ritme: er is een begin, een middendeel en een einde, een moment van vertrek en van aankomst, een start en een finish. Maaltijden bereiden, autorijden, schrijven en tal van andere dagelijkse bezigheden hebben hun cycli en patronen, waarin ze tot een eindpunt komen: we dienen de pasta op, we parkeren op de oprijlaan of we ronden de laatste zin af. Dewey merkt op dat we echt kunnen genieten van zulke climaxen, of zoals hij het omschrijft: ‘ervaring wordt op gezette tijden geaccentueerd door momenten van voldoening’. Met andere woorden, bij een leven dat voldoening schenkt hoort het vermogen en de gelegenheid om dingen af te maken – kleine dingen zoals boodschappenlijstjes of spelletjes, of grote dingen zoals werkprojecten en renovaties.

Het is bijzonder bevredigend om je over te geven aan de natuurlijke levensritmes. Het is belangrijk te beseffen dat er niet slechts één ritme bestaat. Liefdesrelaties zinderen, smeulen en bekoelen in de loop van jaren, terwijl ruzies in luttele minuten kunnen oplaaien en uitdoven. Kunstenaars hebben hun eigen werkritme – Simone de Beauvoir begon haar werkdag met een kop thee, schreef van tien tot een, lunchte en werkte verder van vijf tot negen. Joan Miró sloot zich op in zijn atelier, werkte vijf uur op een dag en ging daarna boksen in een plaatselijke sportschool. De dagelijkse routine gaat hand in hand met die van penseelstreken en stemmingen – Henri Matisse neuriede tijdens het werk vaudevilledeuntjes. Dichters werken met het ritme van intonatie en accent, en met het tempo van de lettergrepen. Romanschrijvers zijn zeer gevoelig voor de cadans van plot en proza. Het leven zelf heeft een ritme: de cycli van dagelijkse voeding en ontlasting, van voortplanting en verval. Hierdoor kennen alle organismen hun eigen tijd – van de eeuwen van het oerbos tot de dagen van de horzel. Tijd is geen ‘eindeloze, gelijkmatige stroom,’ schreef Dewey in Art as Experience, ‘maar een ritmisch eb en vloed van sluimerende impulsen, voorwaartse en terugtrekkende bewegingen, weerstand en spanning.’ Alles heeft zijn eigen ritme, tempo en tijdsspanne, en onze momenten van vreugde zijn daar vaak nauw mee verweven. Tot Deweys ontzetting wordt tegenwoordig de menselijke behoefte aan voldoening in het werk veelal de kop in gedrukt. Door het eenzijdige streven naar productiviteit worden alle verschillende ritmes teruggebracht tot één meetbare tijd, waarbij het tempo van vrijwel elk kantoor, elke fabriek, elke werknemer wordt opgevoerd. Dewey betoogde dat dit leidt tot een werkleven waarin de vreugde tijdens het werk wordt opgeofferd aan toekomstige productie (of het nu gaat om een artikel, een rapport of ‘eersteklas klantenservice’). Anders dan het ritmische ambacht van de schrijver, schilder of pottenbakker schenkt dit werk zelf geen bevrediging, maar is het slechts een middel om een doel te bereiken. De doeleinden worden bepaald en gedicteerd door werkgevers en managers, terwijl al het overige (ruwe grondstoffen, materieel, tot werknemers aan toe) wordt behandeld als ‘werktuigen’, die zo moeten worden ingezet dat tegen minimale kosten maximale winst wordt behaald. Mens en machine worden dan geprogrammeerd om zo snel mogelijk te werken. Optimistisch als hij was, hoopte Dewey dat werknemers weer plezier zouden krijgen in hun dagelijkse routine, maar hij vreesde dat maar al te veel van hen onderworpen waren ‘aan de plicht de machines steeds sneller te laten draaien’.

De ironie, zoals we hebben gezien, is dat versnelling vaak een obstakel vormt voor productieve arbeid. Dat komt voor een deel doordat er zoveel wordt verlangd en er zo weinig tijd is. Automatiseringstechnieken besparen heel wat tijd, maar ze creëren ook een klimaat waarin urgentie en directe resultaten, in plaats van geduldige, betrokken aandacht, de boventoon voeren. Daardoor verandert de werkplek in een plaats waar gejaagd wordt gewerkt aan de winst van morgen en niet aan vakkundigheid en de vervulling van de taken van vandaag. De voldoening van uitdagend werk die voortkomt uit dat werk zelf wordt opgeschort en zelden verwezenlijkt. Door winst ingegeven versnelling verbreekt niet alleen het dagritme maar kan er ook toe leiden dat werknemers teleurgesteld en geïrriteerd raken en niet meer oprecht gemotiveerd zijn – ze genieten niet meer van die kostbare ‘momenten van voldoening’ die Dewey beschreef. Gefrustreerd door haastwerk en half voltooide klussen, en vermoeid door korte deadlines en een versnelde workflow, beschouwen velen werk niet langer als een bezigheid die de moeite waard is en hun leven verrijkt. Het is gewoon een middel geworden om de rekeningen te betalen. Er is niets mis met het betalen van de rekeningen – maar het zou niet de enige beloning moeten zijn voor de inspanning, stress en verloren uren waarmee de meeste banen gepaard gaan. Volgens Dewey was het tragische hieraan niet alleen dat het mogelijk emancipatorische karakter van werk verloren gaat, maar ook dat op die manier de ‘vrije tijd’ wordt aangetast. Omdat het een tegenpool vormt van het werkleven, dat ernstig en belangrijk is, wordt vrije tijd nu een soort zinloos spel of een wanhopige poging bij te tanken – wat Dewey in Human Nature and Conduct omschreef als ‘een koortsachtige drang naar vermaak, opwinding, drukte, anders vervalt men in de vrije uren slechts tot abrupte apathie’. Wat hem betreft was dit het onvermijdelijke gevolg van de opvatting dat werk slechts een middel is dat winst en productiviteit genereert: banen zonder enige vreugde, en ‘vrije tijd’ beroofd van al wat werkelijk creatief en constructief is – beroofd van ‘vrijheid’. 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.