Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
WP nr. 1/2012

Ten geleide: Sportfilosofie

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Frits Schipper

Hoewel het in de huidige naam ‘Wijsgerig Perspectief’ niet meer tot uitdrukking komt, gaat het nog steeds om een filosofisch tijdschrift met aandacht voor ontwikkelingen in maatschappij en wetenschap. Het dragende idee daarbij is om wijsgerige reflectie op het menselijk leven in al haar uitingen te stimuleren en toegankelijk te maken voor een breder publiek van geïnteresseerden. Vaak zijn die uitingen verbonden met een bepaald veld van activiteiten (wetenschap, recht, kunst, enzovoort), dat soms ook wel aangeduid wordt als een sociale of culturele praktijk. Sport is, in al haar verschijningsvormen, ook te zien als een dergelijk praktijk en de redactie wil met dit nummer aandacht vragen voor een aantal sportfilosofische thema’s.

Er is wel eens gezegd dat de geschiedenis van de filosofie zich laat lezen als een serie voetnoten bij Plato. Of dat juist is of wellicht overdreven, is nu niet aan de orde. Terugkijkend zien we echter wel dat er in het werk van Plato al vragen worden gesteld die nu – met recht – als ‘sportfilosofisch’ kunnen worden gezien. Het gaat dan met name om de mogelijk morele waarde van fysieke activiteit, dat wil zeggen in hoeverre en op welke wijze de oefening en training van het lichaam van betekenis is om een deugdzaam mens te worden (iets vergelijkbaars is door Plato aan de orde gesteld in relatie tot muziekbeoefening). De laatste veertig jaar is er toenemende aandacht voor filosofie in relatie tot sport. In 1972 is de Philosophical Society for the Study of Sport opgericht, later omgedoopt  tot International Association for the Philosophy of Sport. In diverse tijdschriften, onder andere de Journal of the Philosophy of Sport en SportEthics and Philosophy, wordt aandacht gegeven aan een veelheid van filosofische thema’s. Naast onderzoek is er op sommige universiteiten en hogescholen ook onderwijs in de sportfilosofie. Verder zijn er filosofen die boeken schrijven over hun, meestal recreatieve, beoefening van sport als een wijsgerig relevante vorm van menselijke ervaring. Al met al kan gezegd worden dat sportfilosofie zich inmiddels een erkende plaats heeft verworven binnen de wijsbegeerte. 

De huidige sportfilosofische studies en discussies richten zich op een breed scala van onderwerpen (inclusief het thema van Plato). Sommige daarvan betreffen sport-ethische vragen, bijvoorbeeld in relatie tot het gebruik van stimulerende middelen, de rol van spelregels en indeling van personen in bepaalde klassen. Daarbij is ook steeds de notie van fair play in het geding. Andere gaan over techniek, zowel in de zin van lichaamstechniek verbonden met vaardigheden als in de vorm van moderne technologie. Dat laatste kan dan gaan om de betekenis ervan in de sportbeoefening zelf (dienend of overheersend?), maar ook om de inzet van technische artefacten bij arbitrage. Verder is de verbinding van sport met andere maatschappelijke domeinen, zoals politiek en commercie, ook een belangrijk thema van sportfilosofische studies: ‘Wat kan wel en wat niet?’, ‘Waar liggen de grenzen?’, ‘Wanneer verliest de sport haar integriteit?’. Dit soort vragen dringt zich daarbij op, meestal naar aanleiding van concrete situaties en ervaringen.

Op de achtergrond van alle discussies speelt steeds de kwestie wat sport nu eigenlijk is. Een van mijn vroegere docenten wiskunde was een tijdje verbonden aan een wiskundig instituut in de VS. Op een ochtend stond hij bij de ingang van dit instituut (boven de deur de woorden ‘Mathematical Institute’). Hij vroeg aan iedereen – studenten, docenten, onderzoekers, ander personeel – die naar binnen ging: ‘Wat is wiskunde?’ De meesten wisten zich geen raad met deze vraag, laat staan dat ze een antwoord konden geven. Bij sporters en andere betrokkenen zal het, wanneer zij worden geconfronteerd met de vraag ‘Wat is sport?’, vermoedelijk niet anders liggen. Nu zijn er in de geschiedenis steeds momenten geweest dat de vraag ‘Wat is wiskunde?’ zich opdrong, en deze werd met name door sommige wiskundigen zelf gesteld. Analoog zijn er in relatie tot sport ook situaties waarin de betrokkenen niet om de vraag ‘Wat is sport?’ heen kunnen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de verbinding van sport met politiek of commercie, meestal in de vorm van dominantie van de laatste twee, te denken geeft.

De vier thematische bijdragen zijn, de een meer expliciet dan de ander, steeds verbonden met een verstaan van sport waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de sport als praktijk en de bijkomende instituties. Van Hilvoorde en Steenbergen concentreren zich vooral op spelregels, hun constituerende rol en de verbinding met technologie. Ook de invloed van de zojuist aangeduide instituties (onder meer sportkoepels en andere organisaties) en de maatschappij meer in het algemeen op de vormgeving en verandering van regels wordt door hen besproken. In verband met dat laatste onderstrepen zij de betekenis van de bij een bepaalde sport behorende ‘praktijkgemeenschap’, i.e. de sporters zelf. De traditie van de sport en de verbinding met fair play zijn daarbij belangrijk. Fair play komt ook aan de orde in de bijdrage van Halsema over het thema classificatie en lichamelijke verschillen. Ze bespreekt verschillende indelingen, onder andere man-vrouw en normaal-gehandicapt en achterliggende criteria. Haar punt is dat indelingen fair play kunnen bevorderen, maar ook het risico in zich dragen van uitsluiting. Het gaat bij dit laatste onder andere om systeem-ethische kwesties en niet om die welke samenhangen met gedragingen van personen. Dit laatste is wel aan de orde in het artikel van Vorstenbosch over de rol van commercie en geld. Hij gaat in op de idee achter de Olympische Spelen en ziet sport als een praktijk in de zin van MacIntyre, gericht op de realisering van internal goods in onderscheid van externe zoals macht, status en geld. De focus van zijn analyse is de (negatieve) invloed van geld (wanneer wordt in geval van omkoping een wedstrijd zinloos?) en commercie(tv-rechten en de eisen die daarbij aan de sport worden gesteld). Het laatste artikel in dit themanummer is geschreven door Devisch. Zijn reflectie gaat over een onderwerp dat verband houdt met het thema dat we (zie boven) al bij Plato kunnen vinden: is er iets inherent in sport aanwezig dat wijst op morele deugdzaamheid? Hebben sporters een voorbeeldfunctie? Devisch beantwoordt deze vragen ontkennend en stelt de vraag of er vanuit de maatschappij, als gevolg van morele fragmentatie, niet iets op sport wordt geprojecteerd dat allang verdwenen lijkt te zijn. Naast de vier artikelen bevat dit nummer van WP ook weer bijdragen in het kader van de rubrieken. De filosofische videotheek, gewijd aan Olympia van Leni Riefenstahl, sluit goed aan bij het thema.
 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.