Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement

Heidegger zegene de greep

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Sjoerd de Jong

Aan lef ontbreekt het Henk van der Waal niet, getuige de radicale wijze waarop hij de ‘denkervaring’ van het onbestemde analyseert. Aan originaliteit, consistentie en kennis van de filosofiegeschiedenis helaas wel.

Waar moet de filosofie zich mee bemoeien? Met alles, met het meeste, bijna nergens mee, of met Niets?

Moderne analytische filosofen vinden bijvoorbeeld dat de filosofie moet aansluiten bij de wetenschap, of daar zelfs een verlengstuk van is. Filosofen kunnen vragen over kennis, taal en moraal verhelderen, en soms zelfs beantwoorden, maar hebben niets te zoeken in ‘wat niet gezegd kan worden’. Daar staan andere filosofen tegenover, die menen dat de taak van filosofie nu juist ligt aan – of zelfs voorbij – de grenzen van logica en wetenschap. Ze heeft dan een therapeutische taak, door ons te verlossen van de dwalingen die ons denken beheersen, zoals ‘Zijnsvergetelheid’ (Heidegger) of ‘beheksing door de taal’ (Wittgenstein).

Henk van der Waal valt in de tweede categorie. Hij zoekt een wijsbegeerte die ernst maakt met de zaken en ophoudt met academisch geneuzel of theologische hoogdravendheid. Om filosofie haar plaats te wijzen, onderscheidt hij drie ‘ervaringsbereiken’: ‘waarheid’, ‘aanspraak’ en ‘het onbestemde’. Filosofie moet zich niet bemoeien met de eerste twee: niet met waarheid (het domein van de wetenschap) en ook niet met aanspraak of moraal (dat maken mensen onderling wel uit).

Waar dan wel mee? Met het onbestemde dat ons verbindt. Volgens Van der Waal heeft de filosofie dat mysterieuze onbestemde, de bron van taal en denken, eeuwenlang verwaarloosd. Het is ‘ingekapseld’ geraakt door de Griekse filosofie, de christelijke wijsbegeerte, de Verlichting en het kapitalisme. We hebben er herinneringen aan in het ritueel, waar Van der Waal op ingaat aan de hand van sanskritist Frits Staal. En we kunnen er gevoelig voor worden door in afzondering ‘inkeren’, wat leidt tot angst, maar ook tot vreugdevol ‘optogen’. Ook kunst en de liefde bieden daar een opening voor, volgens Van der Waal.

Denken op de plaats rust bevat zo een radicale visie op de geschiedenis van de filosofie, een kritiek op de moderne, rusteloze mediacultuur, en een analyse van de ‘denkervaring’ van het onbestemde. Een grote greep dus. Dat dwingt hoe dan ook bewondering af.
 

Tweespalt

Maar hoe geslaagd is deze greep? Origineel is Van der Waal in elk geval niet (of zelfs ‘revolutionair’, zoals de uitgever meent). Integendeel, hij sluit aan bij een tweespalt in de moderne filosofie. Bovendien staat hij in een traditie van filosofische cultuurkritiek die aan Nederlandse universiteiten opgang maakte, geïnspireerd door de fenomenologie en het denken van Martin Heidegger.

Ook volgens Heidegger was de filosofie ten prooi aan ‘vergetelheid’ van waar het echt om gaat: het ‘Zijn’, dat ons alles schenkt en tegelijk zichzelf verbergt. Van der Waals diagnose is in feite één lange variatie op Heideggers onderscheid tussen dat schenkende ‘Zijn’ en de concrete ‘zijnden’ die onze wereld en ons zelfbeeld uitmaken.

Maar de kracht van die benadering van filosofie is ook de zwakte ervan. Als je er gevoelig voor bent, kan ze je de sensatie geven dat de schellen je eindelijk van de ogen vallen: aha, nu begrijp ik het Geheel! Aan de andere kant: wie filosofie ziet als een academische discipline, of intellectueel precisiewerk, heeft er niets aan. Dat zal Van der Waal geen probleem vinden, want hij wil nu juist buiten die grenzen treden, of ertegenaan rennen als Heidegger en Wittgenstein. Maar hoe doet hij dat?

Eerst het goede nieuws. Van der Waal is in elk geval geen hippe tralala-filosoof, waarvan er al zoveel zijn. Zijn boek is een ernstig avontuur, waarin hij zichzelf – en het wereldbeeld van zijn lezers – op het spel zet. Het is een boek van ‘van dik hout zaagt men planken’, zegt hij zelf.

Overigens moeten die lezers eerst wel hun kop houden, want Van der Waal eist dat ze hun kritiek opschorten en met hem ‘meegaan’. Ze mogen het boek afmaken in hun hoofd. Of in een recensie, natuurlijk. Toch aardig.
Maar dan komt het minder goede nieuws. Want Van der Waal erft niet alleen de inzet van therapeutische filosofen, maar ook veel van hun gebreken. Ondanks zijn (vaak overdreven) duistere imago kon Heidegger bijvoorbeeld het werk van andere filosofen hoogst subtiel analyseren. Van der Waal is eerder bot: zijn geschiedenis van de filosofie als ‘inkapseling’ van het onbestemde is polemisch en grof, ondanks zijn duidelijke affiniteit met Kant.

Zo laat hij de complete analytische traditie na Wittgenstein links liggen – een doodzonde voor iemand die de pretenties van traditionele filosofie wil ontmaskeren. En hoe serieus moet je een auteur nemen die de middeleeuwse scholastiek, allang gerehabiliteerd als scherpzinnig, nog zo typeert: ‘Een beetje nadenken over de drie-eenheid, een beetje nadenken over de verhouding tussen denken en geloven […] en klaar is Kees’?
Je hoeft geen postmoderne dwerg te zijn om zulke zevenmijlslaarzen wat ruim te vinden.
 

‘Ervaringsbereiken’

Ook Van der Waals eigen constructie overtuigt niet. De ruimtelijke metafoor van ‘ervaringsbereiken’ waar zijn boek op rust, is obscuur en problematisch. Hij meent dat filosofie bescheiden moet zijn en niets te zoeken heeft in de domeinen van wetenschap en moraal. Woest gaat hij tekeer tegen waarheid in de filosofie als een overschat, pretentieus woord ‘dat geen enkele bescheidenheid kent’.

Het tegenstrijdige is natuurlijk: ook dát zijn filosofische uitspraken. De filosoof blijft hier dus de grote spelverdeler tussen wetenschap, moraal en ‘echt denken’, net als bij Heidegger. Je zou bijna zeggen: een beetje denken over Zijn en zijnden, een beetje dat ‘Zijn’ vervangen door ‘het onbestemde’, en klaar is Kees.

Bovendien: waarom zou waarheid exclusief het domein zijn van de wetenschap? Van der Waal stelt waarheid kennelijk gelijk aan feitelijke, empirische beweringen over de werkelijkheid, en die zijn inderdaad het domein van de wetenschap. Maar is die gelijkstelling terecht? Maakt Van der Waal zelf dan geen aanspraak op waarheid met de beweringen in dit niet-wetenschappelijke boek, of als klant aan de kassa in de supermarkt?
Dan heeft hij een halve eeuw filosoferen gemist. Sinds het revolutionaire werk van Frege (1848-1925) en Tarski (1901-1983) zien de meeste vakfilosofen waarheid als een fundamenteel maar bescheiden, zelfs ‘minimaal’ begrip, wie weet ondefinieerbaar of zelfs overbodig, maar in elk geval ontdaan van metafysische kalkaanslag. Van der Waal legt voor die ontwikkeling geen belangstelling aan den dag. Maar intussen stelt hij wel vast dat de filosofie het eeuwenlang ‘behoorlijk heeft laten afweten’.

Tussen de regels door kolken in dit ogenschijnlijk rustige boek dan ook woede en agressie. Bij vlagen breken die door, in snerende verwijzingen naar andere denkers (‘Wat Marx niet doorhad...’). Uit zulke vermaningen lijkt de ontgoocheling te spreken van de student die zich door al die grote denkers – op enkelen na – bedrogen voelt. Die afkeer van de academische filosofie is een teken hoe ver die is afgedreven van het geïnteresseerde publiek.

Nog een probleem. Van der Waal haast zich te benadrukken dat het niet de bedoeling is dat we opgaan in de ‘totale gemeenschappelijkheid’ van het onbestemde. Dat is immers de kiem van fascisme en communisme, en daarom moeten we de ‘drieslag’ met waarheid en aanspraak ‘in het oog houden’. De sluis naar het onbestemde moet dus wel open, het liefst met een thermostaatkraan. Maar waarom eigenlijk? Met zijn notie van gescheiden ervaringsbereiken kan Van der Waal dat niet goed beargumenteren. Hij heeft het onbestemde immers juist losgemaakt van waarheid, van moraal, van goed en kwaad. Maar dit zal het muggenziften zijn waar Van der Waal zo’n hekel aan heeft. Tenslotte gaat het hem ook niet om redeneren, maar om het vinden van een ‘levenshouding’.

Filosofie ‘laat alles zoals het is’, vond Wittgenstein. Het gaat erom te ontsnappen uit de ‘beelden’ die ons gevangen houden. Ook van der Waal zoekt zo’n therapie. Maar de rust die hij bepleit, en zijn dogmatische indeling van menselijke ervaring, zijn de dood in de pot voor elke filosofie die nog iets wil beweren.


Geen dogmatiek te bekennen

Reactie Henk van der Waal op recensie van Sjoerd de Jong


Onder de kop ‘Heidegger zegene de greep’ publiceerde Filosofie Magazine in de maand november een recensie van Denken op de plaats rust, een boek dat ik onlangs publiceerde. De recensent, Sjoerd de Jong, begon zijn bespreking met een enkel schouderklopje, maar raakte allengs geïrriteerd vanwege de zijns inziens te grofmazige geschiedenis die ik schets als voorbereiding op mijn eigen verhaal. Wellicht doe ik er beter aan niet op De Jongs bespreking in te gaan, maar omdat hij de kern van mijn betoog zonder deugdelijke argumentatie karakteriseert als ‘de dood in de pot van elke filosofie die nog iets wil beweren’, waar ik juist wel wat beweer en de filosofie ook nog eens nieuw leven inblaas, kan ik niet anders dan een poging ondernemen zijn kritiek te pareren. Om daarbij niet te wijdlopig te worden laat ik een aantal andere punten die De Jong me voor de voeten werpt, zoals het niet behandelen van Frege en Tarski en mijn vermeende schatplichtigheid aan Heidegger, hier onbesproken. Die kanttekeningen bij mijn boek lijken vooral voort te komen uit een vooroordeel tegen het soort filosofie dat ik voorsta en vragen eerder om een debat dan om een schriftelijke reactie.

De kern van mijn betoog kwalificeert De Jong behalve als ‘obscuur en problematisch’ ook als een ‘dogmatische indeling van menselijke ervaring’. Inderdaad sta ik een indeling voor van de menselijke ervaring, en wel in drie ervaringsbereiken. Die indeling is helemaal niet obscuur, maar zo logisch en helder dat De Jong zich er blijkbaar door in de hoek gedreven voelt en uiteindelijk grijpt naar het woord ‘dogmatisch’ om ervan af te zijn.

Het klopt dat ik niet zo erg houd van het filosoferen met open eindjes dat in de lage landen nogal eens wordt bedreven en dat ik probeer de inzichten die ik over het voetlicht breng, met argumenten te onderbouwen. Mijns inziens is dat het handwerk van de filosoof: onderscheidingen aanbrengen die logisch zijn en die inzicht bieden in en geënt zijn op de menselijke ervaring. Dit filosofisch handwerk karakteriseer ik in mijn boek expliciet als het doen van een voorstel: het zou zo kunnen zijn dat het je inzicht vergroot als je er zo en zo tegenaan kijkt. Daar is niets dogmatisch aan.

Daar komt nog bij dat alle begrippen die ik in dit boek introduceer een bijzonder helder handvat aanreiken om zaken als dogmatiek en fundamentalisme te definiëren, te herkennen en te bestrijden. Of De Jong heeft er niets van begrepen, of ik ben in mijn eigen zwaard gevallen, dat kan ook.

Maar over welke onderscheidingen hebben we het hier nu eigenlijk? Heel in het kort beweer ik dat de mens in drie logische verhoudingen leeft. Die verhoudingen kleuren de ervaring die binnen het bereik van die verhouding optreedt. De eerste verhouding is die van de mens tot de materie of objectieve werkelijkheid. Met wat moeite en wat mitsen en maren kunnen we over die werkelijkheid kennis vergaren en ware uitspraken doen. Deze verhouding ligt daarom ten grondslag aan het ervaringsbereik van de waarheid. Niemand kan zich daaraan onttrekken, omdat iedereen is uitgerust met een lichaam en via zijn zintuigen kennis op moet doen over de werkelijkheid om dat lichaam in leven te houden.

De tweede verhouding is die tot de ander. Die ander is niet tot iets objectiefs terug te brengen. Doe je dat wel, dan maak je een ‘categoriefout’ en doe je die ander tekort. Ik ben natuurlijk niet de eerste die dat zegt, maar wel een van de weinigen die daar ook precies de reden voor probeert te geven, en wel door de categorieën of bereiken die ik onderscheid niet alleen maar te stellen, zoals de meeste filosofen hebben gedaan, maar ook te funderen. Hoe komt het dat de ander zich niet alleen als object, maar ook als subject aan mij voordoet, is de vraag die dan voorligt. Dat komt mijns inziens doordat die ander mij aanspreekt op wie ik ben en op wat ik doe. Via dit aanspreken subjectiveren mensen elkaar en introduceren daarmee een nieuw bereik in dat van de objectiviteit, namelijk het bereik van de intermenselijke subjectiviteit of de aanspraak.

Ik vind het van eminent belang dat het inzicht doordringt dat de bereiken van de waarheid en de aanspraak, hoewel ze constant door elkaar heen lopen, zo sterk van elkaar verschillen dat ze niet uit elkaar verklaard kunnen worden. Alleen dat inzicht en de fundering daarvan kan een dam opwerpen tegen de toenemende en alsmaar voortschrijdende verwetenschappelijking van de mens en het menselijke samenleven.

De vraag die vervolgens gesteld moet worden, is waaróp een ander mij aanspreekt als hij mij aanspreekt. Die ander spreekt mij aan op het gemeenschappelijke dat ons bindt, een gemeenschappelijke dat we, en ik beredeneer dat uitgebreid in mijn boek,  meedragen in ons zelf. Door bij ons zelf te rade te gaan kunnen we nadenken voor we iets doen. Precies die mogelijkheid van zelfreflectie onderscheidt ons van een voorgeprogrammeerde entiteit.

De verhouding van de mens tot zichzelf vormt daarmee de grondslag van onze subjectiviteit en opent een derde ervaringsbereik. Dit ervaringsbereik heb ik dat van het onbestemde genoemd, omdat dit zelf, dat dus ook het voorportaal is van het gemeenschappelijke, geen ding is en nooit definitief is te bepalen. Daarom zijn er ook geen onomstotelijke waarheden aan te ontlenen. Dogmatiek ontstaat als er aan dat zelf of aan het bereik dat in dat zelf wordt geopend, wel dergelijke waarheden worden onttrokken. En dat gaat helemaal mis als die waarheden verpakt als goddelijke ingeving of wetgeving aan de samenleving worden opgelegd. Om die reden is het niet verstandig je daar volledig aan over te geven en te veronachtzamen dat je je ook in de andere twee bereiken te bewegen hebt. Dit gedoceerd omgaan met het onbestemde is niet ‘nog een probleem’, in de woorden van De Jong, maar simpelweg datgene waar het hele boek op aanstuurt en waar  ik onophoudelijk argumenten voor aanreik.

Het is ook precies de reden waarom ik betoog dat de filosofie, samen met de kunst, een leidende rol te spelen heeft in het exploreren en toegankelijk houden van het ervaringsbereik van het onbestemde. De filosofie en de kunst zijn daar zo geschikt voor omdat zij, in tegenstelling tot religies en ideologieën, inzichten kunnen formuleren zonder die om te zetten in algemene waarheden of voorschriften die als wetten gaan gelden in het bereik van het handelen. Het hele concept dat ten grondslag ligt aan Denken op de plaats rust is dus gericht tegen de slaafsheid die het gevolg is van religieuze of ideologische dogmatiek en maakt de weg vrij voor de ontwikkeling van een individueel en persoonlijk filosofisch denken. Niet om van de filosofie een therapie te maken, zoals De Jong suggereert, maar omdat alleen zo de menselijkheid van de mens kan worden geborgd. En dat is net even wat anders dan het hoeden van het zijn van het zijnde. Soms verbergen originaliteit en creativiteit zich in de nuances.
Wilt u toegang tot alle artikelen van filosofie.nl? Word dan lid.