Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 1/2009

Wat Darwin echt zei en vooral: wat niet!

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Sebastien Valkenberg

‘Survival of the fittest’ betekent níét dat de sterkste overwint. En natuurlijke selectie betekent níét dat organismen zich aanpassen aan hun omgeving. De belangrijkste gedachten van Darwin én de belangrijkste misverstanden over zijn theorie.

Van veel wetenschappers blijft raadselachtig wat ze nu precies hebben gezegd. Voor Charles Darwin geldt het omgekeerde: wat heeft hij allemaal níét gezegd? We denken zijn theorie over het ontstaan van de soorten wel zo’n beetje te snappen. Maar hoe terecht is die claim eigenlijk? Zodra we zijn werken erbij pakken, blijkt dat tal van uitspraken die we hem toeschrijven niet van hem zijn. De echte Darwin is behoorlijk uit het zicht geraakt.

Hij is de geschiedenis in gegaan als de vader van de evolutieleer. Dat is meteen al een eerste misser. Het woord speelt maar een beperkte rol in zijn werk. Aanvankelijk kwam het niet eens voor in On the Origin of Species (1859). Maar wat nog veel belangrijker is: we doen zijn formidabele prestaties tekort door hem een evolutiedenker te noemen. Daarvan waren er vele in de vroege negentiende eeuw, van wie de Franse bioloog Jean-Baptiste de Lamarck de bekendste is. Een halve eeuw eerder had hij al geconcludeerd dat soorten zich aanpassen aan hun omgeving. Zo had de afkoeling van de aarde dieren gedwongen warmbloedige vormen te ontwikkelen. Daar zie je zelfs al de gedachte dat uit eenvoudig leven complexere soorten kunnen ontstaan.

‘Sprakeloos’ was de jonge Darwin toen hij voor het eerst over deze theorie hoorde. Zijn kennismaking met Lamarck vond plaats in 1827, toen Darwin in Edinburgh medicijnen studeerde. Dankzij de biografie Darwin, van de biologen Adrian Desmond en James Moore, maken we zijn intellectuele ontwaken van nabij mee. De colleges boeiden Darwin matig, maar zijn lidmaatschap van de Plinian Society maakte veel goed. Deze vereniging was een broeinest van politiek radicalisme, materialisme en antiklerikalisme. Geen wonder dat Darwin juist hier in aanraking kwam met de theorie van Lamarck, die ‘baarlijke onzin’ werd genoemd, ‘onbesuisd’ en ‘blasfemisch’.


Natuurlijke selectie

Het laatste verwijt is begrijpelijk. Want de evolutie staat op gespannen voet met de christelijke gedachte dat God de wereld in zes dagen zou hebben geschapen. Toch vonden gelovigen al snel manieren om de twee wereldbeelden met elkaar te verzoenen, aldus de filosoof Michael Ruse in Charles Darwin, een studie naar de filosofische implicaties van de evolutieleer. Ze konden zich beroepen op de kerkvader Augustinus, die het scheppingsverhaal fors relativeerde. Dat moest niet letterlijk worden genomen; het was een allegorie. God had de natuur niet als een kant-en-klaar product afgeleverd. Hij had alleen de kiemen van het leven geschapen. Die hadden vervolgens tijd nodig om tot wasdom te komen. Anders gezegd: om te evolueren.

Darwins eigen theorie over het ontstaan van de soorten was daarentegen veel moeilijker te verteren. Ruim twintig jaar had hij eraan gewerkt. Hij was begonnen in 1837, een paar maanden nadat hij was thuisgekomen van zijn reis met de Beagle. Hij publiceerde veel en zijn ster in wetenschappelijke kringen rees snel. Maar zijn meest stoutmoedige gedachten ontwikkelde hij in geheime notitieboekjes, volgens zijn biografen een ‘bijkans mitrailleurachtig salvo van cryptische notities’. Zo ontstond het fundament voor zíjn evolutieleer: het principe van natuurlijke selectie – een van zijn centrale ideeën, waarover nog altijd veel misverstanden bestaan.

Beslissend waren zijn observaties op de Gálapagos Eilanden. Daar kreeg hij een kijkje in de keuken van de natuur. De archipel werd bewoond door vinken. Opvallend was dat de vorm van hun snavel verschilde per eiland, evenals hun voedingspatroon. Op de ene plaats was die stomp, een paar kilometer verderop spits. Hoe was die variatie te verklaren? Na jaren van onderzoek was Darwin eruit: de vogels hadden een gemeenschappelijke voorouder op het vasteland. Ooit was deze over de eilanden uitgezwermd. Per locatie verschilden de omstandigheden. Langzaam hadden de vinken zich hieraan aangepast. Uiteindelijk weken ze zo af de vooroudersoort dat ze een nieuwe soorten waren gaan vormen.


Vorm of functie?

Hoe vernieuwend was Darwins analyse? Schreef Lamarck niet al over adaptatie? Toch verschillen hun visies hemelsbreed. Dat laat zich het best uitleggen aan de hand van een discussie die nog steeds actueel is: vorm of functie? Volgt de eerste uit de tweede of is het omgekeerde het geval? Voegt de vorm van organen, zeg de snavel van de Darwins vinken, zich naar hun functie? Of is hun functie het resultaat van vormen die toevallig voorhanden zijn? In het eerste geval is aanpassing een doelgericht proces: organismen stuiten op een probleem en lossen dat op door zich aan te passen. Met deze interpretatie van evolutie was men vertrouwd. Lamarck was er een verdediger van, net zoals hedendaagse Intelligent Design-aanhangers dat zijn. Onder de indruk van de complexiteit van een orgaan als een oog, kunnen dezen zich niet voorstellen dat dit zomaar is ontstaan. Dus concluderen zij dat de vorm ervan is afgestemd op zijn functie. Of, om het in hun jargon te zeggen: op een ontwerp, dat wellicht weer verwijst naar een Ontwerper…

Het revolutionaire inzicht van Darwin was dat hij het tweede scenario verdedigde: adaptatie is een kwestie van stom toeval. Organismen muteren op tal van manieren. De natuur probeert zogezegd allerlei vormen. En soms ontstaan daar nuttige toepassingen uit. Zulke mutaties helpen organismen overleven. Daarnaast zijn er ook vele mutaties die tot hun ondergang leiden. De kans op succes is vooraf niet uit te maken. Dat moet de praktijk uitwijzen. Ziehier de natuurlijke selectie aan het werk. Darwin heeft het zelfs het over de ‘zeis van de natuur’, die ongelukkige mutaties meteen opruimt. Alleen de voltreffers blijven bestaan. Achteraf is het mogelijk het pad aan te wijzen dat de evolutie heeft afgelegd. Maar dat betekent niet dat deze route vooraf vastlag. Het had allemaal heel anders kunnen uitpakken. De mens is geen noodzakelijk product van de natuurlijke ontwikkeling. Dat hij bestaat, is stom toeval.


‘Fit’ betekent ‘aangepast’

Harmonie is ver te zoeken in de natuur; uit strijd ontstaat het leven. Door deze visie is het geen wonder dat mensen bij Darwin prompt denken aan survival of the fittest. In zijn eigen tijd zagen verschillende Duitse denkers er een rechtvaardiging voor oorlogvoering in. Ook de Engelse filosoof Bertrand Russell vond het darwinisme een verdorven ideologie die zich richtte op macht. En ook nu nog is het een wijdverbreid idee dat de mantra een pleidooi inhoudt voor het recht van de sterkste. Als Darwin ergens het collectief bewustzijn heeft bepaald, dan op dit punt.

Opnieuw moet Darwin in bescherming worden genomen. Ten eerste was hij niet de bedenker van deze catchy frase. ‘Survival of the fittest’ is afkomstig van Herbert Spencer, die faam zou maken door zijn toepassing van dit beginsel op maatschappelijke vraagstukken. Pas in latere edities van zijn hoofdwerk ging Darwin deze formulering ook gebruiken.
Bovendien is de term ten onrechte in een kwade reuk komen te staan. De dubieuze reputatie ervan is het resultaat van slecht lezen. Om te beginnen biedt de frase geen legitimering voor welk gedrag dan ook. Een ethische theorie ontleent Darwin er niet aan. Hij wilde ermee laten zien hoe het er in de natuur aan toegaat – meer niet. Maar het slordige lezen manifesteert zich ook op een andere manier. Want wat betekent ‘survival of the fittest’ eigenlijk? Wie bij ‘fit’ associaties krijgt met de sportschool is inderdaad geneigd te denken dat de winnaars in het darwiniaanse universum de grootste spierballen hebben. Testosteron, daar gaat het om. Niet dus. Het Engelse werkwoord to fit betekent iets anders: ‘passen’ of, beter nog, ‘zich aanpassen’. Dat kan op vele manieren.

Een voorbeeld dat Darwins gebruik van ‘survival of the fittest’ goed illustreert, is de mens. Qua lichaamskracht zijn wij bepaald niet royaal bedeeld. Ook missen wij attributen zoals giftanden of scherpe klauwen. Toch moet de mens een evolutionair succes genoemd worden. Dat heeft hij te danken aan zijn vernuft. Via ideeën en theorieën krijgen we grip op onze omgeving en kunnen we die naar onze hand zetten. Ze helpen ons overleven, zoals een lange nek dat doet met giraffen.


Achterstevoren richting waarheid

Deze parallel roept de vraag op of theorieën dan ook onderhevig zijn aan evolutiebiologische wetmatigheden. In zijn overzichtswerk Evolutionair denken, een must in het genre, gaat de wetenschapsfilosoof Chris Buskes hier uitvoerig op in. De invloed van de evolutietheorie op andere wetenschappen heeft Darwin amper verkend. Dat zouden zijn erfgenamen doen, van wie de wetenschapsfilosoof Karl Popper de grootste faam verwierf. Hij hechtte grote waarde aan trial and error in het proces van kennisverwerving. Wetenschap bestaat voor een groot deel uit speculaties. Hoe levensvatbaar die zijn, stellen we vast aan de hand van experimenten. Die vervullen de rol van zeis en maken uit welke hypothesen wordt behouden – en welke geëlimineerd. Zo scherpen we gaandeweg onze theorieën aan en schuifelen we volgens Popper in de richting van de waarheid. Achterstevoren, welteverstaan. Want ook voor wetenschappelijke vooruitgang geldt, net als voor evolutionaire ontwikkelingen, dat die pas achteraf kan worden vastgesteld.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.