Home Nabij de technowetenschap

Nabij de technowetenschap

In deze rubriek leest, wikt en weegt een vakgenoot recent verschenen Nederlandstalige boeken of belangrijke vertalingen in het brede wijsgerige veld.

Door Bas de Boer op 27 mei 2022

Nabij de technowetenschap
Cover van Wijsgerig Perspectief nr 2/2022
Wijsgerig Perspectief nr 2/2022 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Wetenschap is een van de belangrijkste pijlers van onze maatschappij. In tijden van crisis wenden we ons tot haar, bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van een vaccin tijdens de COVID-19 pandemie. In Continental Philosophy of Technoscience betoogt filosoof Hub Zwart dat we wetenschap het beste als ‘technowetenschap’ kunnen zien. Hij beroept zich op de dialectiek om die technowetenschap beter te begrijpen, waarbij hij gebruik maakt van centrale auteurs in het continentaal-filosofische canon (Hegel, Marx, Engels, Bachelard, Lacan, Althusser, Heidegger, en Teilhard de Chardin). Wetenschap is voor Zwart een technologische praktijk omdat zij onlosmakelijk verbonden is met een rijk technologisch instrumentarium (van de telescoop tot CRISPR-Cas9) en omdat zij de natuur als een platform voor interventie begrijpt. Continentale filosofie vormt voor Zwart een gezamenlijk onderzoeksprogramma dat beoogt ‘het heden te diagnosticeren tegen de achtergrond van een brede temporele horizon, om zo een prognose van de toekomst te geven’ (Zwart 2022: 3). En omdat de technowetenschap de metafysica van het heden bij uitstek karakteriseert, dient zij het voornaamste object van reflectie te zijn.

Zwart betoogt dat filosofische reflectie niet zozeer ‘in de bibliotheek’ plaats moet vinden, maar veeleer ‘in laboratoria’, in nabijheid en in dialoog met de technowetenschap zelf. Om dit te doen moeten we volgens Zwart een ‘dwars’ perspectief innemen. Dwars dient hier niet opgevat te worden als tegendraads, alsof het de taak van de filosofie zou zijn om tegen de logica van de technowetenschap in te denken, maar eerder als een denken dat de technowetenschap en haar vooronderstellingen als expliciet object van onderzoek neemt.

De dialectische logica biedt een methodologisch principe voor Zwarts ‘dwarse’ denken: ‘een initiële situatie van relatieve stabiliteit (M1) wordt uitgedaagd en verstoord door ervaringen van contradictie, negatie en crisis (M2), totdat een nieuw tijdperk van stabiliteit opnieuw vergaard is, maar nu op een hoger niveau van begrip en complexiteit (M3): M1 –> M2 –> M3’ (Zwart 2022: 29). De originaliteit van Zwarts interpretatie van de dialectiek is dat hij stelt dat verschillende continentaal-filosofische stromingen, zoals de psychoanalyse, het dialectisch materialisme en de fenomenologie, een dialectisch uitgangspunt delen. Zwart beschouwt dus niet alleen de geschiedenis dialectisch, maar ook de ontwikkeling van de natuur en het menselijk subject.

Zwart analyseert legio voorbeelden, uiteenlopend van de ontwikkeling van het concept ‘leven’ in de biologie tot de zoektocht naar het Majorana-deeltje. Empirisch georiënteerde wetenschapsonderzoekers zullen fronsen bij de manier waarop Zwart met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis springt. Maar het is ook niet Zwarts bedoeling om wetenschapsgeschiedenis te bedrijven: hij wil een perspectief innemen dat de technowetenschap als geheel kan vatten en haar logica kan voltrekken. De dialectiek biedt hier een ingang tot een reflectie op ‘de’ technowetenschap, en niet tot een beschrijving van concrete historische ontwikkelingen.

Ondanks de omvattende titel is Zwarts filosofie van de technowetenschap niet compleet. Dit is soms storend. Ten eerste blijft het enigszins enigmatisch hoe Zwarts dialectische kader nu precies gebruikt kan worden in hedendaagse discussies over de technowetenschap. Ten tweede loopt Zwarts verwondering over technowetenschappelijke verworvenheden soms over in een bijna grenzeloos optimisme. Terwijl een kritischer perspectief, dat bijvoorbeeld bij feministische of postkoloniale denkers te vinden is, op zijn plaats is in een tijdgewricht waarin we ook met de negatieve gevolgen van de technowetenschap worstelen. Ook gaat Zwart grotendeels voorbij aan recent werk in de filosofie en sociologie dat de technowetenschap kritisch benadert middels gedetailleerd onderzoek naar concrete praktijken. Eveneens blijft de toegepaste ethiek die zich bekommert om technowetenschappelijke uitwassen onderbelicht. Dit werpt de vraag op of Zwarts dialectische perspectief voldoende gevoelig is voor de politieke en ethische aspecten van de technowetenschap, of dat zulke ‘details’ in zijn overkoepelende verhaal onvermijdelijk verloren gaan.

Zwart presenteert zijn boek uitdrukkelijk als een onaf programma waar filosofen zich omheen kunnen organiseren. Hij laat dan ook voldoende ruimte om te onderzoeken of bovengenoemde filosofische stromingen geïntegreerd kunnen worden in zijn dialectische perspectief. Zo kan Zwarts boek inspiratie bieden voor continentale filosofen met een interesse in wetenschap, en kan het wetenschaps- en techniekfilosofen uitdagen hun vragen of reflecties bij particuliere wetenschappelijke praktijken te integreren in een alomvattend perspectief. Zwart laat zien dat filosofie in nabijheid van de technowetenschap tot verwondering kan leiden; de vraag of, en hoe, deze verwondering kritiek stimuleert, blijft nog onbeantwoord.

Continental Philosophy of Technoscience
Hub Zwart
Springer
247 p. / € 43,99