Wij zijn de erfgenamen van de verlichting, maar toch kunnen we vandaag niet langer verlicht zijn zoals de achttiende-eeuwers dat waren. Daarvoor hebben vooral geschiedenis, maar ook de actuele processen van multiculturalisme en mondialisering de idealen van de verlichting te zeer ‘onttoverd’. Maar misschien zitten er nog mogelijkheden in een reflexieve verlichting: een verlichting die zich bewust is van haar eigen grenzen, en precies daarom ook accepteert te kunnen verschijnen in een veelheid van nieuwe gestalten. Tot die slotsom kan men althans komen bij een terugblik op twee eeuwen verlichting.
In de schaduw van een zonsopgang
‘De natuur’, zo schrijft de jonge Schelling, ‘heeft er wijselijk voor gezorgd dat onze ogen via de ochtendschemering aan het volle daglicht wennen. In die zin hoeft het ook niet te verwonderen dat er in de lager gelegen gebieden nog nevelslierten hangen, terwijl de bergen reeds in het volle zonlicht baden. Maar eens het ochtendgloren is aangebroken, kan de zon niet uitblijven.’ Zelden is de kracht van de metafoor van de Aufklärung zo trefzeker benut als in deze formulering. De verlichting is als een zonsopgang. Aanvankelijk heerst nog het schemer en hier en daar zijn de dingen nog in nevelen gehuld, maar met de zonsopgang kondigt zich het volle daglicht aan dat onherroepelijk alle duister zal verdrijven. Behalve in het beeld van een toenemende helderheid en klaarheid waarin alles gevat wordt, schuilt de kracht van de vergelijking vooral in de voorstelling dat het om een natuurlijke én dus niet tegen te houden ontwikkeling zou gaan. Daarmee herneemt Schelling een visie die reeds te beluisteren viel in Kants beroemde opstel over de verlichting: ‘Wanneer men vraagt of we vandaag in een verlichte tijd leven, dan is het antwoord: nee, maar wel in een tijd van verlichting.’ Ook hier is de diagnose dat de verlichting aan de gang is, maar nog niet haar eindbestemming – een verlichte tijd – heeft bereikt.
Wanneer we vandaag op die achttiende-eeuwse verlichting terugblikken, dan blijken we niet alleen het geloof in de onafwendbare voortgang van de verlichting te hebben afgelegd, of de zelfverzekerdheid omtrent haar eindbestemming, maar zijn er ook vragen gerezen omtrent de verlichtingsidealen zelf. Vandaag delen we niet langer de overtuiging dat we definitief opgenomen zijn in een historische beweging naar méér redelijkheid en méér vrijheid. We weten zelfs niet goed meer wat daarmee bedoeld zou kunnen zijn, laat staan dat we ons een beeld zouden kunnen vormen van wat het betekent in een ‘verlichte tijd’ te leven. Die vaststelling is evenwel behoorlijk paradoxaal. Tenslotte zijn wij toch de erfgenamen van de verlichting. Wie wij zijn, de samenleving waarin wij leven, de manier waarop we ons tot onszelf, tot elkaar of tot de realiteit verhouden, de manier ook waarop wij politieke gemeenschap vormen en de idealen die ons daarbij leiden: al die fundamentele aspecten van ons hedendaagse menszijn zijn door en door bepaald door de verlichting. In die zin is de verlichting een niet weg te denken element van ons hedendaagse zelfverstaan. Maar tegelijk, zo moeten we vandaag vaststellen, hebben de perspectieven en idealen van die verlichting in belangrijke mate aan geloofwaardigheid ingeboet. Hoe komt dat? Hoe kunnen we begrijpen dat de denkbeelden en idealen die ons gemaakt hebben tot wie of wat we zijn, vandaag veeleer voorwerp zijn van scepsis en kritiek dan dat ze op bijval kunnen rekenen en aanzetten tot enthousiasme?
De keerzijde van de verlichting
Een belangrijke oorzaak van het geschokte vertrouwen in de idealen van de verlichting is natuurlijk te zoeken in de 250 jaar die ons scheiden van haar geboortestonde. In die tussentijd zijn die verlichtingsidealen herhaaldelijk ter discussie gesteld, vaak in het spoor van ingrijpende en turbulente sociaal-politieke gebeurtenissen. Reeds in de achttiende eeuw was dit het geval. Met de Franse Revolutie verscheen de verlichting op het politieke toneel, maar de dageraad die ze aankondigde van een samenleving gebouwd op vrijheid, gelijkheid en solidariteit onder leiding van de rede, sloeg algauw om in een nachtmerrie van onderdrukking en terreur. Van die politieke mislukking van de verlichtingsidealen is de romantiek de kritische reflectie. Vanuit de meest uiteenlopende gezichtspunten neemt zij de achterliggende aanspraken inzake maakbaarheid en beheersbaarheid van mensen en mensengemeenschappen op de korrel. Tegenover het ‘mechanisch’ rationalisme van de moderne staat plaatst zij de ‘organische’ verwevenheid van mens en milieu, tegenover de idealen van transparantie en universalisme wijst zij op de ondoorgrondelijkheid en uniciteit van het individu en zijn verhoudingen. Daarmee vestigde de romantiek de aandacht op belangwekkende dimensies die door de verlichting dreigden ondergesneeuwd te raken. Maar het was onvoldoende om het elan van de verlichting te breken, laat staan om haar fundamentele aspiraties in diskrediet te brengen. Daarvoor waren de opmars en het succes van de wetenschap – op haar beurt een van de dragende exponenten van de verlichting – te overrompelend, te overtuigend.
De eigenlijke, diepgaande breuk in het zelfvertrouwen van de verlichting komt er pas in het spoor van het grote twintigste-eeuwse gebeuren dat we hier gemakshalve ‘de opkomst en de ondergang van de totalitaire systemen’ zullen noemen – in de periode van 1914 tot 1991 en dus nagenoeg de hele twintigste eeuw. In de loop van de negentiende eeuw hadden de ideeën van de verlichting namelijk hun weg gevonden naar de grote sociale en politieke bewegingen en hadden er zich uitgekristalliseerd tot wervende ideologieën, die elk op hun manier de gedachte van ‘emancipatie door inzicht’ uitdroegen. In de eerste helft van de twintigste eeuw verstarden socialisme en nationalisme tot totalitaire systemen, en mondden uit in het trieste verhaal van wereldbranden, pogroms en goelags. De belofte van ‘bevrijding door kennis’ was omgeslagen in haar tegendeel. De redelijkheid was blinde irrationaliteit geworden, de bevrijding mensonterende onderdrukking. De dialectiek van de verlichting – naar het beroemde essay van Horkheimer en Adorno – was een feit. Zij vormt het begin van een toenemend wantrouwen tegenover de verlichting, dat tot op vandaag aanhoudt en ons individuele en maatschappelijke zelfverstaan kleurt. Want na de val het Derde Rijk en de geleidelijke ontmaskering van het sovjetcommunisme als een totalitair regime, bleef ook het Westen niet gespaard van ontwikkelingen die het vertrouwen in het emancipatorische vermogen van de verlichtingsideeën ondermijnden. Vanaf de jaren zeventig onderging de in de na-oorlogse periode opgebouwde welvaartstaat een diepgaande crisis, zowel op het vlak van zijn ideologische draagvlak als op het niveau van zijn feitelijke vermogen om het hoofd te bieden aan nieuwe sociale en economische ontwikkelingen. Niet alleen blijkt de samenleving van na ’68 grondig uiteenlopende opvattingen en idealen te hebben omtrent waar zij heen moet, maar bovendien slaagt de welvaartstaat er allang niet meer in om grote delen van de bevolking, waaronder vooral de groeiende migrantengemeenschappen en de eigen jongeren, in het zogenaamd gedeelde samenlevingsproject te integreren.
De echo’s van die processen zijn in de daaropvolgende decennia te beluisteren in concepten als postmodernisme en individualisering. Beide termen signaleren het einde van een tijdperk. Voor het postmodernisme is dat het einde van de geloofwaardigheid van de moderne ideologieën, en dus indirect ook van de ‘moeder’ van die ideologieën: de verlichting. Het postmodernisme verwijt de ‘grote verhalen’, zoals het die ideologieën noemt, in aanzet en dus intrinsiek totalitair te zijn. In naam van de grote idealen van vrijheid en gelijkheid neigen ze ertoe de samenleving te stroomlijnen: de verschillen uit te vlakken en elke heterogeniteit te bannen. In die zin herneemt het postmodernisme zowel de romantische kritiek op het vervlakkende universalisme van de verlichting als de kritiek van de Dialektik der Aufklärung op het totalitaire karakter van het daarin werkzame ‘beheersingsdenken’. De notie ‘individualisering’ van haar kant wijst erop dat het individu intussen losgemaakt is uit de verbanden waarin het destijds opgenomen was. Of preciezer: die notie geeft aan dat die vroegere verbanden opgehouden hebben te bestaan, en dat het individu daardoor meer dan ooit tevoren op zichzelf is komen te staan. Het individu maakt niet langer vanzelfsprekend deel uit van een ruimer geheel, ongeacht of dit geheel nu begrepen wordt als een concreet sociaal verband dan wel als een collectieve historische dynamiek waardoor het individu zich gedragen weet. In die zin nemen postmodernisme en individualisering als concepten afscheid van hetzelfde: van de verlichte idee dat we met z’n allen op weg zijn naar een nieuwe en betere gestalte van ons individuele en collectieve zelf.
Grenzen van de verlichting
Deze geschiedenis en de kritische reflecties waartoe ze aanleiding heeft gegeven, maakt ons vandaag op een scherpe wijze bewust van het problematische gehalte van de centrale concepten van de verlichting zoals rationaliteit en universaliteit, vrijheid en autonomie, emancipatie en vooruitgang, maakbaarheid en beheersbaarheid. Geen van deze concepten heeft nog een onbesmet verleden. Het geloof in de verlichting als ‘emancipatie door inzicht’ heeft dan ook niet langer een spontaan mobiliserend karakter, maar ontlokt vooral kritische vragen naar het waarvan en het waartoe van die emancipatie en naar de aard en de herkomst van het weten dat die bevrijding zou moeten bewerkstelligen. De zelfbewuste zelfverzekerdheid van het eerste uur heeft vandaag plaatsgemaakt voor twijfel en onzekerheid, voor scepsis en kritiek. Maar er is meer. Door kritisch afstand te nemen van de verlichting en haar principes zijn we ook gevoeliger geworden voor wat traditioneel door de verlichting werd verguisd. De ervaring met name dat niet alles maakbaar is, of dat artefacten evengoed risicovol zijn en dus eveneens ontsnappen aan onze controle, de ervaring verder dat niet alles wat kan ook in morele zin geoorloofd is – dit alles maakt ons vandaag nadrukkelijk bewust van het belang en de betekenis van wat ons gegeven is, ongeacht of nu gaat om de heilzame werking van een ongerepte natuur, de vertrouwdheid van de cultuur waarin we zijn ingebed of de oriënterende kracht van tradities inzake normen en waarden. Voor een deel verklaart dit de hernieuwde aandacht voor allerlei oude en nieuwe vormen van spiritualiteit en religie. Het zijn de plaatsen waar die ‘gegevenheid’ erkend wordt en waar aan die erkenning ook vorm gegeven wordt – weg van het activisme van het maakbaarheidsideaal. Precies daarom zijn zij ook de gedroomde uitvalsbasis voor een militante afwijzing van de verlichting, zoals dat vandaag het geval is in bepaalde christelijke en islamitische gemeenschappen.
Op een vergelijkbare wijze heeft de bewustwording van de grenzen van de verlichting onze aandacht gescherpt voor ‘het andere’ of ‘de ander’ (de alteriteit) en voor ‘het verschil’ (de differentie). De consequente en onverkorte realisatie van de verlichtingsidealen, zo heeft de geschiedenis ons geleerd, gaat al te gemakkelijk voorbij aan de verschillen tussen mensen en de onderscheiden betekenissen die zij verbinden met die idealen. Maar bovenal is een dergelijk rigide verlichtingsdenken blind gebleken voor het andere in onszelf. Wij zijn niet de in aanzet autonome subjecten die in volle redelijkheid zichzelf de wet stellen, zoals de verlichting ons voorhoudt. Wij zijn voor onszelf niet zonder meer transparant. Wat ons drijft en wat ons bepaalt, wat ons verbindt en wat ons scheidt, ontsnapt ons in belangrijke mate, blijft voor onszelf vreemd en ondoorgrondelijk. In die zin zijn er onoverschrijdbare grenzen aan onze rationaliteit en is het voor onszelf ook nooit helemaal duidelijk wat het betekent bevrijd of zelfs maar vrij te zijn. Ook die bewustwording fungeert vandaag als bruggenhoofd om de verlichting met haar steile ambities inzake de ‘zelfbevrijding van het individu’ onder kritiek te brengen. Zeker wanneer die ondoorgrondelijke ‘ander’ binnen mezelf verbonden wordt met de cultuur en tradities waarin ik ben opgenomen en die mij, ondanks mezelf, ten voeten uit tekenen.
Naar een reflexieve verlichting
Het resultaat van dit alles is de gesignaleerde paradoxale verhouding die we vandaag met de verlichting onderhouden. Enerzijds kunnen wij de verlichting en haar idealen onmogelijk loslaten omdat ze door en door deel uitmaken van wie of wat we zijn, maar anderzijds kunnen we ook onmogelijk nog verlichters zijn zoals de aanhangers van de verlichting uit de afgelopen tweehonderd jaar. Dit heeft alles te maken – om het bovenstaande in één formule te vatten – met het ‘reflexief worden’ van de verlichting. Hiermee worden drie onderscheiden, maar ten zeerste met elkaar verweven processen bedoeld. Om te beginnen toont bovengeschetste geschiedenis een verlichting die er voortdurend toe neigt zichzelf ten gronde te richten door haar principes en idealen op een blinde manier toe te passen en na te streven. De drang om de verlichtingsidealen strikt en onverkort te realiseren, zo is gebleken, schiet vaak zijn doel voorbij en genereert zo zijn tegendeel. De niet meer te stuiten dynamiek van het complex wetenschap-techniek-industrie die ons moest bevrijden uit de greep van een almachtige natuur en die intussen zelf is uitgegroeid tot een onbeheersbare bedreiging, is daarvan een sprekend voorbeeld. Maar de verlichting is ook reflexief geworden in de zin dat we ons vandaag van het gevaar van een dergelijke dialectiek op een pijnlijk scherpe manier bewust zijn geworden. In dat opzicht is de verlichting vandaag ‘onttoverd’. Niemand – tenzij misschien de Amerikaanse neoconservatieven in kringen rond George W. Bush – gelooft nog dat de formele en desnoods met militair geweld opgelegde installatie van de principes van vrijheid en gelijkheid op zich volstaat om van een dictatuur een democratie te maken. Dergelijke principes, zo weten wij intussen, genereren niet uit zichzelf en automatisch het rijk van de vrijheid, integendeel. En die bewustwording zorgt ervoor dat de verlichting vandaag ook nog op een derde manier reflexief wordt. Meer dan ooit tevoren proberen we tegenwoordig bij de realisatie van onze plannen en projecten toch enigszins aandacht op te brengen voor wat ervoor wordt opgeofferd, wat erdoor wordt verdrukt of anderszins uitgesloten. We willen ‘effectrapporten’ die een balans opmaken van de eventuele zijdelingse schade die de implementatie van bepaalde normen of principes zou kunnen veroorzaken. Evident is die praktijk nog lang geen gemeengoed, maar er is een begin mee gemaakt en dat bevestigt alvast het huidige ‘reflexief worden’ van de verlichting.
Een verlichting in veelvoud
Maar behalve de geschiedenis die de verlichting en haar emancipatorische beloftes sinds enige tijd op een reflexief spoor lijkt uit te zetten, zijn het vooral de processen van multiculturalisering en mondialisering die vandaag levensgrote vraagtekens plaatsen bij de reikwijdte van haar aanspraken en ambities. Beide processen hebben in de voorbije decennia duidelijk gemaakt dat de verlichting vooral deel uitmaakt van onze particuliere, westerse geschiedenis, en niet noodzakelijk de universele betekenis heeft waarmee ze oorspronkelijk werd bekleed. Het toegenomen contact en de grotere vertrouwdheid met andere culturen en tradities heeft ons intussen geleerd dat in zowat alle grote culturen stromingen en tendensen aan het werk (geweest) zijn waarvan de principes en idealen in hoge mate verwant zijn met die van ‘onze’ verlichting. Veelal gaat het weliswaar om bewegingen die vooral de eigen (religieuze) tradities onder kritiek stellen om ze te ontdoen van dogmatismen en obscurantismen, en ontbreken de karakteristiek ‘Europese’ verlichtingscomponenten, zoals het insisteren op het belang van de emancipatie van het individu en de maakbaarheid van de samenleving, maar precies daarin toont zich ook de particulariteit van die Europese verlichting. Overigens brengt die vaststelling in herinnering dat ook de Europese verlichting allesbehalve homogeen was. De Duitse Aufklärung, de Franse Siècle des Lumières en het Britse Enlightenment kan men niet zomaar onder één noemer brengen. Ze vertonen zelfs ronduit tegengestelde tendenzen. De Aufklärung was antiklerikaal, maar zeker niet antireligieus, terwijl de Siècle de Lumières dat wel was. De Franse verlichting was overigens ook streng rationalistisch en werd gedragen door een uitgesproken emancipatiedrang tegenover de traditie. Daartegenover was de Britse verlichting veeleer naturalistisch, met veel zin voor het zintuiglijke en het gevoelsleven, waardoor het dan weer aansloot bij de gevoelsfilosofische verlichting in Duitsland. De verlichting was in die zin van meet af aan een verlichting in meervoud, maar zoals gezegd heeft dit bewustzijn vandaag een uitgesproken mondiale dimensie gekregen.
Mogelijk hangt dit samen met nog een andere ontwikkeling. In het spoor van zijn wereldwijde economische hegemonie heeft het Westen ook de verlichtingsideeën geëxporteerd naar alle uithoeken van de wereld. De effecten daarvan vinden we onder meer terug in de brede ondersteuning, overal ter wereld, van de democratische beginselen en de idee van de mensenrechten. Toch mogen we ons niet verkijken op die ogenschijnlijke universaliteit van ‘onze’ verlichting. Bij nader toezien blijkt immers dat die ideeën op diverse plaatsen op verschillende wijzen ingevuld worden. In de regel zijn ze bovendien het meest succesvol wanneer ze creatieve verbindingen aangaan met de cultuur en de tradities van de betrokken gemeenschappen. Dat verklaart bijvoorbeeld de grote heterogeniteit van regimes die zich vandaag democratisch noemen. Japan is ongetwijfeld een democratische staat waarin de mensenrechten gerespecteerd worden, maar dat belet niet dat wij ons moeilijk zouden kunnen herkennen in de wijze waarop de democratie er concreet gestalte krijgt of in de manier waarop er de facto aan mensenrechten betekenis wordt gegeven. En hetzelfde kan allicht gezegd worden van pakweg India, Zuid-Korea of Peru. Maar mogelijk zouden we diezelfde vervreemding ook vaststellen in de Verenigde Staten, Frankrijk of Israël. Want ook daar zijn de zogenaamd universalistische verlichtingsideeën versmolten met culturen en tradities waardoor ze telkens een andere gedaantehebben aangenomen. Denken we maar aan de wijze waarop in elk van die landen aan de karakteristiek ‘verlichtsingsgevoelige’ verhouding tussen religie en politiek of kerk en staat vorm gegeven is. Die vormgeving laat de inhoud niet onaangeroerd, maar herschept hem steevast tot een andere, nieuwe gestalte.
Die relatief recente ervaring van de vele gezichten van de verlichting vormt een niet te onderschatten correctief voor een van de dragende ideeën van de Europese verlichting. Hierdoor begrijpen we immers dat sociale en culturele differentie geen kwestie is van tijd. Het gaat niet om verschillen die door het verder schrijden van de verlichting weggewerkt en finaal opgeheven kunnen worden in iets universeels. Die ervaring leert ons dat die verschillen een zaak zijn van een onophefbare ruimtelijke gesitueerdheid. De verlichting wortelt op diverse plaatsen, en afhankelijk van de sociale en culturele coördinaten van die plaats ontwikkelt ze zich tot een andere gestalte.
Is dit nog verlichting?
Bij dit alles rijst natuurlijk de vraag of en in hoeverre zo’n ‘reflexieve verlichting in veelvoud’ nog wel verlichting te noemen valt? Is het geen dure naam voor de erkenning van de eigen rationaliteit van elke cultuur en samenleving? Waarom zouden we een proces van geleidelijke emancipatie dat behoedzaam speurt naar de eventuele schadelijke neveneffecten die eraan vastzitten en tegelijk openstaat voor een veelvoud van invullingen van de emancipatiegedachte überhaupt nog verlichting noemen? Moeten we de verlichting geen rigider en substantiëler inhoud geven dan de vage reeks ‘familiegelijkenissen’ waarnaar we tot dusver verwezen hebben? Ten slotte heeft de achttiende-eeuwse verlichting toch een diepgaande omwenteling tot stand gebracht in de moderne Europese cultuur, terwijl de processen die nu geduid worden als vormen van ‘reflexieve verlichting’ allesbehalve hemel- of beelden(be)stormend van aard zijn?
Die bedenkingen zijn ongetwijfeld terecht. Ze dwingen ons om alsnog te proberen het gemeenschappelijke te vatten in de huidige gestalten van de verlichting, en in het bijzonder wat ze nog verbindt met hun achttiende-eeuwse voorloper. Twee centrale elementen lijken mij hiervoor in aanmerking te komen: de ontvoogding van het individu van die aspecten van de traditie die als beknottend worden ervaren en, in functie daarvan, de mogelijkheid van kritiek. Het zijn twee bekommernissen die in een wat andere formulering hun weg hebben gevonden naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het principe van gelijkwaardigheid en het verbod op discriminatie (art. 1 en 2) en als het principe van de vrije meningsuiting (art. 19). Het zijn ook de bekommernissen die reeds centraal stonden in het beroemde opstel van Kant over de verlichting. Verlichting, zo leerde Kant, is de moed hebben om zelf te denken: om zich van zijn verstand te bedienen zonder leiding van de anderen. De voorwaarde daartoe is vrijheid: de vrijheid om van de rede in alle opzichten een openlijk gebruik te maken. Beide elementen keren ook terug bij hedendaagse auteurs als Habermas en Foucault die zich in het spoor van Kant bezinnen over de verlichting. Habermas beklemtoont daarbij het belang van het vrije en publieke circuleren van de kennis als hefboom voor de individuele en collectieve emancipatie, terwijl Foucault de verlichting vooral terugvoert tot een basishouding, tot een ethos van kritische distantie tegenover het heden en de historische ontwikkelingen die het gemaakt hebben tot wat het is.
‘Emancipatie door kritiek’: dat lijkt wel de kern te zijn van ‘elke’ verlichting. Als omschrijving is ze niet alleen een verdedigbare vertaling van de achttiende-eeuwse verlichting, maar drukt ze ook goed uit wat in een hedendaagse ‘reflexieve verlichting’ op het spel staat. Zonder daarom ‘de meervoudigheid’ van de verlichting teniet te doen: oningevuld blijft immers wat ‘emancipatie’ desgevallend kan of moet betekenen. Waaruit we kunnen besluiten dat verlichting vooral van doen heeft met (de mogelijkheid van) kritiek, en waar nodig met een kritiek van die kritiek. Laat dat laatste dan vooral een mogelijkheid zijn die we pas met de reflexieve verlichting hebben leren waarderen.