Home Moeten we Aristoteles cancelen?

Moeten we Aristoteles cancelen?

Sommige mensen zijn van nature slaven, schreef Aristoteles zo’n 25 eeuwen geleden. Moeten we hem zijn ideeën nu kwalijk nemen?

Door Jeroen Hopster op 06 mei 2022

Moeten we Aristoteles cancelen? Beeld: Bas van der Schot
Cover van 05-2022
05-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Twee jaar geleden publiceerde The New York Times een opiniestuk met als titel ‘Should we cancel Aristotle?’. In dat artikel stelt filosofiehoogleraar Agnes Callard dat Aristoteles (384-322 v.Chr.) standpunten verdedigde die moeilijk te verenigen zijn met de hedendaagse moraal: vrouwen zijn gedeformeerde mannen en de meeste slaven worden niet tot slaaf gemaakt, maar zijn dat van nature. Callard brak echter een lans voor Aristoteles en zijn plaats in de filosofiecanon. Aristoteles leefde in een andere tijd en zijn werk is enorm verrijkend. Commentatoren verweten de hoogleraar dat haar opiniestuk een non-discussie aanzwengelde – niemand pleit ervoor Aristoteles te cancelen. Natuurlijk moeten we ons in Aristoteles verdiepen, ondanks het feit dat zijn denkbeelden niet de onze zijn. Een interessantere vraag is of we figuren uit het verre verleden met recht kunnen bekritiseren vanwege hun maatschappelijke stellingname. Neem Aristoteles’ rechtvaardiging van slavernij: had de Griekse wijsgeer beter moeten weten?

Nee

‘Als slavernij niet verkeerd is, dan is niets verkeerd,’ schreef Abraham Lincoln. Toch was slavernij gedurende het overgrote deel van de geschreven geschiedenis de norm. Zo ook in het Athene uit Aristoteles’ tijd. Aristoteles’ visie, uiteengezet in zijn Politika (350 v.Chr.), is dat sommige mensen van nature aan anderen toebehoren, zoals een os aan een boer. Natuurlijke slaven zijn lichamelijk sterk, maar het schort hun aan redelijke vermogens. Ze zijn daarom bij uitstek geschikt om fysieke arbeid te verrichten in opdracht van een meester. Sterker nog: ze hebben er baat bij dat iemand die wél over redelijke vermogens beschikt hen bij de hand neemt. Op deze manier rechtvaardigde Aristoteles slavernij als een natuurlijke institutie. Kunnen we hem dat kwalijk nemen? Veel hedendaagse ethici zijn het erover eens dat iemand alleen blaam treft als hij beter had kunnen weten. Je kunt je afvragen of dat voor Aristoteles gold. De Atheense democratie had een aanzienlijke slavenklasse. Er waren zelfs meer slaven dan burgers. Al het werk dat deze slaven verrichtten stelde de elite in staat zich te ontfermen over zaken als filosofie en bestuur. De samenleving was volledig ingericht op slavernij. Slavernij werd dan ook niet serieus ter discussie gesteld; de doorsnee Griek zag die vermoedelijk als rechtvaardig noch onrechtvaardig, maar als pure noodzaak. Men kon gewoon niet zonder. De universalistische pretentie van hedendaagse critici – slavernij is verwerpelijk en is dat altijd geweest – miskent dat moreel inzicht historisch verworven is. De juiste ervaring, de juiste concepten en de juiste economische en politieke instituties om slavernij te bekritiseren ontbraken in de oudheid. Het zou absurd zijn om Euclides te bekritiseren voor zijn omissie van de relativiteitstheorie. Net zomin kunnen we Aristoteles kwalijk nemen dat hij het onrecht van de slavernij niet herkende.

Ja

Gaat het excuus van onwetendheid op voor Aristoteles? Toegegeven: onze notie van rechtvaardigheid als een universele waarde die op alle mensen betrekking heeft, was de oude Grieken volkomen vreemd. Mensen werden nu eenmaal niet als gelijken geboren. Ook kon het ongelofelijke misfortuin je ten deel vallen om als krijgsgevangene tot slaaf te worden gemaakt. De loterij van het lot en het leven werd in de Griekse ethiek niet gecorrigeerd, maar omarmd, als realiteit van het bestaan. Toch had Aristoteles de scheve machtsrelatie tussen meester en slaaf best wat kritischer kunnen bekijken. Een mogelijke reden dat hij dit niet deed is dat hij, als Macedonische migrant in Athene, zijn eigen hachje moest redden. Slavernij gold als breed geaccepteerde praktijk. Wie ertegen inging zou zichzelf als dissident profileren. Met dissidenten liep het in Athene niet altijd goed af: Socrates stierf door de gifbeker. Aristoteles moest, als niet-Athener, dus op zijn tellen passen. Dat hij de slavernij niet afviel is zo bezien niet vreemd. Die context geldt misschien als verzachtende omstandigheid, maar suggereert ook dat Aristoteles’ rechtvaardiging van slavernij deels uit persoonlijk belang werd geboren, en niet alleen uit zuivere ethische reflectie. En hoewel kritiek op de slavernij in de oudheid hoegenaamd afwezig was, deelde niet iedereen Aristoteles’ opvatting dat slavernij een natuurlijk onderdeel is van de staat. Aristoteles zelf bespreekt in zijn Politika de argumenten van (anonieme) critici die stellen dat slavernij geen natuurlijke institutie is, maar door de maatschappij zelf in het leven geroepen. Het was dus zeker mogelijk om anders over slavernij te denken, en daar was Aristoteles van op de hoogte. We kunnen daarom best kritiek leveren op de grote filosoof. Het lukte hem niet om zich te ontworstelen aan de kleingeestigheid van zijn tijd, terwijl een anonieme enkeling daar beter in slaagde.