Home Michel Foucault als psycholoog

Michel Foucault als psycholoog

Door Hub Zwart op 01 september 2014

Michel Foucault als psycholoog
Cover van 02-2009
02-2009 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In de jaren vijftig raakte Michel Foucault gefascineerd door de fenomenologische psychologie. Vanaf de jaren zestig echter presenteert hij zichzelf als een ‘structuralist’ die slechts anonieme talige en architectonische structuren wil analyseren en die met nadruk wil afzien van elke interesse in de mens als individu of als subject. De psycholoog in hemzelf wordt als het ware hartstochtelijk verdrongen. Toch is er ook in het geval van Foucault sprake van een onvermijdelijke terugkeer van het verdrongene. Een belangrijk symptoom hiervan vormt zijn opvallend ambivalente houding jegens de psychoanalyse. In zijn werk tekent zich een levenslange polemiek af met Freud, soms expliciet, doorgaans impliciet. Ondanks onmiskenbare sporen van latente bewondering en fascinatie blijft wantrouwen domineren. Steen des aanstoots vormen Freuds Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie uit 1905. Volgens Foucault spreekt hieruit een medicalisering van de seksualiteit, die zich uit in medicaliserende technieken zoals het oprakelen en uitspreken van verlangens en de classificatie van ‘normale’ en ‘perverse’ vormen van seksualiteit.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Oogmerk van dit artikel is de ‘verdrongen’ psychologische dimensie in Foucaults werk naar voren te halen. Dat gebeurt in drie stappen. Om te beginnen schets ik de rol die de psychologie speelde in Foucaults biografie. Vervolgens laat ik zien hoe Foucault een methodologie ontwikkelde die als rigoureus antipsychologisch kan worden bestempeld en die zo volledig mogelijk wil afzien van elke belangstelling in de mens als individu of als biografisch subject. Uiteindelijk zal ik echter benadrukken dat Foucault dit methodologisch ideaal niet heeft kunnen volhouden – een ‘mislukking’ die resulteert in de opvallende ‘terugkeer’ van het subject, van het ‘zelf’ als centrale categorie in Foucaults publicaties in de jaren tachtig. Deze beschouwing bouwt overigens voort op en vormt een verdere uitwerking van eerdere publicaties die ik aan Foucault wijdde.
 

Biografische notities

Hoewel de verwachting was dat Michel Foucault net als zijn vader en zijn beide grootvaders geneeskunde zou gaan studeren, verkiest hij een studie filosofie aan de vermaarde École Normale Supérieure (ENS) te Parijs. Daarnaast ontwikkelt hij van meet af aan een sterke belangstelling voor psychologie en psychiatrie. Een van zijn docenten is Georges Gusdorf. Onder diens begeleiding bezoekt hij regelmatig het Hôpital Saint-Anne, een vooraanstaande psychiatrische kliniek waar hij patiëntdemonstraties bijwoont alsmede voordrachten door psychoanalytische psychiaters zoals Henry Ey en Jacques Lacan. Foucault ondergaat in deze periode ook zelf een psychoanalytische behandeling, maar hij houdt dit maar enkele weken vol – al zal de vraag of hij niet alsnog in analyse moet gaan hem nog jaren achtervolgen. Daarnaast maakt hij kennis met de experimentele psychologie, met name de testpsychologie, en is hij geobsedeerd door de Rorschachtest. In deze periode raakt hij bevriend met het echtpaar Georges en Jacqueline Verdeaux. Georges is promovendus van Lacan en met Jacqueline brengt hij een bezoek aan de bekende fenomenologische psychiater Binswanger te Kreuzlingen. Samen vertalen ze diens Traum und Existenz en Foucault schrijft er een uitvoerige inleiding bij. Hij is enige tijd actief als testpsycholoog. Wanneer hij zelf docent wordt aan de ENS zal hij de traditie om studenten mee te nemen naar patiëntdemonstraties voortzetten en jarenlang behoort het afnemen van de Rorschachtest tot zijn favoriete bezigheden. Na zijn tijd aan de ENS is hij werkzaam als psychologiedocent, onder meer in Lille, waar hij college geeft over gestaltpsychologie, de Rorschachtest, Binswanger en Pavlov. Een activiteitenoverzicht uit 1953 vermeldt werk op het gebied van de geschiedenis van de psychologie, existentiële en fenomenologische psychiatrie en conflictpsychologie. In 1954 verschijnt Maladie mentale et Personnalité, zijn eerste boek.

In 1955 aanvaardt Foucault een functie bij het Maison de France te Uppsala in Zweden, waar hij de bibliotheek Carolina Redicica ontdekt, die een unieke verzameling materiaal over de geschiedenis van de geneeskunde herbergt. Hij schrijft er zijn Geschiedenis van de waanzin, een geschiedenis van het psychiatrische kijken, spreken en handelen. De reacties op dit boek uit 1961 stellen Foucault teleur. Het is een complex academisch werk, een dissertatie. Het grote publiek weet hij er (nog) niet mee te bereiken. Pas later, dat wil zeggen na 1968, wordt het boek door maatschappelijke bewegingen geannexeerd en van een politieke lading voorzien. Het wordt dan zowel bejubeld (door de antipsychiatrie) als fel bekritiseerd (door psychiaters zoals Henri Ey). Na vijf jaren in het buitenland gaat hij college geven aan de universiteit te Clermont-Ferrand: over psychoanalyse, de Rorschachtest en waarnemingspsychologie. Een boek over de Geschiedenis van de hysterie, waarvoor hij een contract tekent, zal nooit verschijnen. Maar in 1963 publiceert hij Geboorte van de kliniek: Een archeologie van de medische blik. Ook dit boek vindt aanvankelijk nauwelijks weerklank.

De woorden en de dingen, het boek dat in 1966 verschijnt, wordt daarentegen onverwacht een eclatant succes. Inmiddels presenteert Foucault zich echter nadrukkelijk als de auteur die weigert de subjectieve dimensie (de auteur, de arts, de patiënt, de arbeider, enzovoort als mens) in het onderzoek te betrekken. Deze lijn wordt voortgezet in Discipline, toezicht en straf uit 1975, dat eveneens zeer succesvol is. De jaren vijftig, stelt Foucault in een interview, werden gedomineerd door fenomenologie en marxisme. Ook voor Foucault zelf vormden Husserl en Marx toen het intellectuele referentiekader. Foucault was enige tijd lid van de Franse communistische partij en was aanvankelijk in fenomenologische psychiatrie geïnteresseerd. Maar in 1953 leest hij Nietzsche en dat betekent voor hem het afscheid van de subjectfilosofie. Herhaaldelijk bekent hij dat het Nietzsche was die hem uit zijn fenomenologische sluimer wekte. Hij verliest zijn geloof in het subject als oorsprong van zin.

Voortaan zijn de Franse wetenschapshistorici – Canguilhem voorop – zijn leermeesters. In 1976 verschijnt het eerste deel van de Geschiedenis van de seksualiteit onder de titel De wil tot weten. Het is een in veel opzichten belangrijk, maar ook opvallend onsamenhangend boek. De auteur Foucault lijkt onzeker geworden. Zijn intensieve betrokkenheid bij politieke acties belet hem zijn dagen in bibliotheken en archieven te slijten en De wil tot weten draagt daarvan de sporen. Foucaults hoogtepunt, de periode tussen 1966 en 1976, waarin hij De woorden en de dingen en Discipline, toezicht en straf publiceerde, lijkt voorbij.

Bij nader inzien vormt De wil tot weten echter een nieuw begin. Foucault neemt afstand van het activisme en bezoekt Japan en Californië. In Berkeley geeft hij college over de cultuur van het zelf, het thema van zijn beide laatste boeken. Zijn laatste grote project betreft de geschiedenis van de christelijke ascese. Foucault interpreteert de christelijke bekenteniscultuur als een hoofdstuk uit de vroege voorgeschiedenis van de psychoanalyse, maar hij onderzoekt daarnaast ook protestantse zelfculturen uit de vroegmoderne tijd. Les aveux de la chair (De bekentenissen van het vlees), het vierde en waarschijnlijk belangrijkste deel van de Geschiedenis van de seksualiteit, zal hij echter niet voltooien. Wel verschijnen nog zijn onderzoeken naar Griekse en Romeinse zelfculturen, in feite bedoeld als voorstudies voor het meer fundamentele onderzoek naar christelijk-ascetische praktijken dat hem bezighield. Op 25 juni 1984 sterft Foucault op de afdeling waarover ooit de grondlegger van de neurologie, Charcot, het bewind voerde, in een ziekenhuis dat naar een fabriek was vernoemd, La Salpetrière. De bekentenissen van het vlees werd niet voor publicatie vrijgegeven.

In Foucaults biografie lijken zich, waar het zijn verstandhouding met de psychologie betreft, drie bedrijven af te tekenen: de jaren vijftig als periode waarin hij een expliciete en actieve interesse in de psychologie ontwikkelt; vervolgens een langdurige fase waarin elke psychologische interesse in de mens als individu lijkt te worden afgezworen en de mens als categorie letterlijk dood wordt verklaard; en ten slotte een laatste bedrijf waarin de mens als ‘zelf’ nadrukkelijk opnieuw zijn opwachting maakt.

In de volgende paragrafen zal ik deze ambivalente verhouding tot de dimensie van het zelf en tot de psychologie als wetenschap in een breder kader plaatsen. Enerzijds maakt Foucaults ‘verdringing’ van de psychologie deel uit van een filosofische strategie: de afwijzing van het subject als vertrekpunt van filosofisch onderzoek. In dat opzicht engageert Foucault zich met de ‘structuralistische’ wending die zich op dat moment aftekent in de Franse wijsbegeerte. Anderzijds moet zijn afkeer of afwending van de psychologie worden gezien in het licht van zijn achterdocht jegens de psychoanalyse, een intellectuele stroming die het Franse intellectuele klimaat decennialang domineerde, al zullen we uiteindelijk moeten vaststellen dat ook voor Foucault de psychoanalyse in het algemeen en het werk van Freud in het bijzonder een belangrijke bron van inspiratie is gebleven.
 

Vaders en zonen: een intellectueel generatieconflict

Bij lezing van De woorden en de dingen en Discipline, toezicht en straf is het van belang te beseffen dat deze boeken een polemische inzet hebben. Filosofen van Foucaults generatie, waartoe hij ook Lacan en Lévi-Strauss rekent, verwijderden zich van de generatie Sartre en  Merleau-Ponty. Vertrekpunt van de filosofie van Sartre en de zijnen was het subject. De nieuwe ‘structuralistische’ filosofen daarentegen beschouwen het subject als een effect, een afgeleid fenomeen. Zij gaan uit van het primaat van het systeem, de anonieme structuur, de taal. Het il y a treedt bij hen in de plaats van het je.

In De archeologie van het weten uit 1969 stelt Foucault dat hij zich toelegt op het registreren en analyseren van taaluitingen, van discursieve verschuivingen. Het subject als initiator, als degene die de vraag naar zin en waarheid introduceert, is met nadruk afwezig, een dimensie van discursiviteit die hij niet wil aanroeren – noli tangere. De functie van de auteur wordt door Foucault maximaal geneutraliseerd, geanonimiseerd, geminimaliseerd. Niet de auteur als concreet individu spreekt, maar het anonieme, door de fenomenologie verafschuwde men is in wetenschappelijke vertogen aan het woord. Hoewel Foucault in De archeologie van het weten een rigoureuze anonimisering van het spreken bepleit, voldoet hij als auteur zelf nooit volledig aan dit extreme ideaal. Hij blijft zich, impliciet of expliciet, tot ‘grote’ filosofen en filosofische tijdgenoten verhouden.

Wie anno nu De woorden en de dingen leest, zal waarschijnlijk nauwelijks vinden met een polemisch boek van doen te hebben, aldus Lebrun. Op het moment van publicatie was dat anders. De furor polemicus van waaruit het boek werd geschreven, was voor tijdgenoten zeer herkenbaar. Het oorspronkelijke manuscript, veel omvangrijker dan de uiteindelijk gepubliceerde versie, bevatte uitvoerige discussies met het werk van Husserl, Sartre en Merleau-Ponty. Op de valreep besloot Foucault die passages weer te schrappen. Het filosofische debat werd letterlijk verdrongen. Voor de goede verstaander echter is de impliciete kritiek op de fenomenologie alomtegenwoordig.

In een interview getiteld ‘Qui êtes-vous, professeur Foucault?’ gaat Foucault vrij expliciet in op zijn relatie tot de fenomenologie, met name op de vraag of hij, in zijn quasi-objectivistische pretentie het vertoog zelf te laten spreken, de genese van zijn eigen perspectief niet verduistert, zijn eigen intentionaliteit niet veronachtzaamt. Foucaults antwoord op deze archetypische fenomenologische vraagstelling luidt dat de pretentie om behalve het object ook de eigen subjectieve instelling in ogenschouw te nemen een totaliserende pretentie is. De fenomenologie, aldus Foucault, is een totaliserende methode die zich zowel van het cogito rekenschap wil geven als van datgene wat door het cogito wordt ontsloten. Door het kennende subject buiten beschouwing te laten, door voorbij te gaan aan intentionaliteit, wordt het mogelijk functionerende discursieve systemen te beschrijven. Het blijkt dan mogelijk structuren van het weten te analyseren zonder te verwijzen naar het cogito, het kennende subject. Husserl was de laatste filosoof die een totaalperspectief wilde ontwikkelen, aldus Foucault. Wetenschapsfilosofen zoals Canguilhem en Bachelard daarentegen bakenden specifieke domeinen af. Foucault benadrukt dat deze afwijzing van elke universaliteitspretentie werd geïnspireerd door Nietzsche, die de filosofie een nieuw object verschafte: de wil tot weten.

De woorden en de dingen is onmiskenbaar Foucaults antwoord aan het adres van Husserl en de fenomenologische beweging, een antifenomenologie. Wanneer Foucault zijn betoog eindigt met de befaamde uitspraak dat de mens zal verdwijnen als ‘een gezicht in het zand op de vloedlijn van de zee’, dan moet die zin worden gelezen in de context van zijn debat met het subject denken (die het subject als quasi-onontkoombaar vertrekpunt van elke filosofie opvat).

Evenzo is Discipline, toezicht en straf een antwoord aan het adres van Marx. Foucault neemt hierin afstand van het marxisme, dat zichzelf in Frankrijk in die periode een humanistisch gezicht probeerde te verschaffen. Het boek, dat aan disciplinering en exploitatie van lichamen is gewijd, wil een alternatief bieden voor de traditionele marxistische analyse van moderniseringsprocessen in termen van strijd tussen arbeid en kapitaal als metafysische grootmachten. In plaats daarvan wil Foucault een microfysica van de macht ontwikkelen om als het ware Das Kapital te vervangen.

Zijn Geschiedenis van de seksualiteit ten slotte is onmiskenbaar een afrekening met Freud, een poging om een geschiedenis van het spreken over seksualiteit te schrijven die radicaal afstand neemt van de medicaliserende, klinische blik die (volgens Foucault althans) ook het werk van Freud blijft domineren. In De wil tot weten wordt het freudomarxisme van Wilhelm Reich en anderen met nadruk van de hand gewezen als een variant op de repressiehypothese: de gedachte dat seksualiteit onderdrukt zou worden door een burgerlijke moraal waarvan wij ons zouden moeten bevrijden.
 

Voorbij de repressiehypothese: technieken voor zelfstilering

In De wil tot weten is enerzijds de logica van de disciplinering nog onmiskenbaar werkzaam, met name in het concept ‘biomacht’: het geheel van technieken die overheden ontwikkelen om greep te krijgen op leefstijl en fysieke conditie van de bevolking. Anderzijds benadrukt Foucault dat hij een geschiedenis van de seksualiteit wil schrijven ‘voorbij de repressiehypothese’. De gedachte dat we via de seks zouden worden onderdrukt en dat seksualiteit daarmee het centrale strijdtoneel zou moeten vormen voor elk bevrijdingsoffensief wordt door Foucault nu aangemerkt als de schijnbare evidentie van het politieke en intellectuele discours zoals zich dat vanaf mei ’68 in Frankrijk had ontwikkeld. De vraag die Foucault zich vanaf nu stelt, is of het mogelijk is een heel andere geschiedenis van de seksualiteit te schrijven, die zich van dit verlangen naar ‘bevrijding’ heeft weten te bevrijden. Dat hij zelf lang heeft geworsteld met deze ‘koerswijziging’ wordt benadrukt door het feit dat hij acht jaar wachtte (tot 1984) alvorens de volgende twee delen van zijn Geschiedenis van de seksualiteit te publiceren.

De vervolgdelen zijn geheel anders van stijl en inhoud dan het eerste deel. Foucault beschrijft nu inderdaad een vertoog waarop de repressiehypothese nog geen vat lijkt te hebben, namelijk het antieke vertoog over seksualiteit als zelfpraktijk, dat vertrekt vanuit een geheel andere normatieve logica dan het moderne seksualiteitsdiscours. Het gaat hier niet om een onderscheid tussen geoorloofde en ongeoorloofde, gezonde en perverse seksuele handelingen of praktijken, maar om een logica van de matigheid. Door matigheid te betrachten, slaagt het erotische subject erin zich te onderscheiden en van zijn leven een kunstwerk te maken. Door op een evenwichtige wijze vorm te geven aan zijn seksualiteit constitueert hij zichzelf tot een subject dat verantwoordelijkheid kan nemen voor zijn gedrag. Kennelijk is een seksualiteitsvertoog mogelijk dat niet vertrekt vanuit de logica van ‘repressie’ en ‘bevrijding’. Bepaalde elementen van dit antieke discours zouden van betekenis kunnen zijn voor een nieuwe, toekomstige manier van spreken over seksualiteit. De uitdaging is dan deze lijn verder door te trekken, via een analyse van de christelijke problematisering van de seksualiteit (in monastieke contexten, in het kader van biechtpraktijken, ten tijde van de reformatie, enzovoort) en via een herinterpretatie van de burgerlijke seksuele moraal tot en met het heden. De burgerlijke seksuele moraal bijvoorbeeld verschijnt in deze herschrijving niet langer enkel als een strategie van repressie, bedoeld om erotische energie aan seksuele praktijken (zoals masturbatie) te onttrekken, zodat die geïnvesteerd kan worden in andere activiteiten, in de maatschappelijke strijd om het bestaan. De burgerlijke moraal kan nu ook worden belicht als ‘zelfpraktijk’, als een manier om zorg te besteden aan het eigen lichaam, om aldus tot uitdrukking te brengen dat dit lichaam als waardevol wordt beschouwd.

Dit perspectief opent voor Foucault (en zijn volgelingen) een geheel nieuwe ‘as’ of dimensie voor onderzoek: zelfpraktijken die individuen uit eigen beweging ontwikkelen om vorm te geven aan het eigen lichaam of aan de eigen seksualiteit. Vanuit dit perspectief wordt het in beginsel mogelijk de psychoanalyse in een geheel ander daglicht te plaatsen. De strategie van verbalisering, waarbij de analysant ten overstaan van de analyticus de waarheid omtrent het eigen verlangen moet articuleren, wordt dan niet langer gezien als ultieme disciplineringstactiek, maar veeleer als een zelfpraktijk die het individuen mogelijk maakt zichzelf tot erotisch subject te constitueren. Zo werd de psychoanalyse door Lacan in de jaren vijftig al gepresenteerd: als een vertoog dat voor het eerst het betrokken individu zelf het woord geeft. Psychoanalytische praatsessies en bekentenistaferelen kunnen nu worden gezien als technieken die worden aangewend voor zelfstilering. Door articulatie van het verlangen wordt het mogelijk de eigen ervaring te verfijnen. Communicatie over het verlangen is dan niet alleen zelf een praktijk die lust verschaft, maar ook een manier voor individuen om zorg te dragen voor zichzelf. In plaats van geïdentificeerd en geclassificeerd te worden op basis van geijkte psychiatrische of seksuologische categorieën (‘homoseksueel’, ‘biseksueel’, ‘masochistisch’, enzovoort) wordt het voor individuen mogelijk een eigen erotische stijl te ontwikkelen of zich minstens te nestelen in de plooien van het systeem. De psychoanalytische sessie wordt dan een experimentele praktijk die ertoe uitnodigt of aanmoedigt nieuwe mogelijkheden te verkennen.

Dit perspectief biedt ook mogelijkheden voor een terugkeer van de auteur, van het schrijvende subject als individu. Schrijven is, evenals erotiek, een zelfpraktijk bij uitstek. Tegen de achtergrond van de onmiskenbare macht van de anonieme discursieve transformaties, die Foucault als ‘gelukkige positivist’ zo indringend beschreef, is het voor individuen mogelijk een eigen discursieve stijl te ontwikkelen, zichzelf als schrijvend subject te constitueren, te positioneren. Schrijven verschijnt dan als een bij uitstek experimentele praktijk gericht op zelfstilering. Kortom, in Foucaults laatste publicaties wordt het zelf, het individu, teruggevonden als de microdimensie van het discursieve systeem, een dimensie die niet alleen expliciet aandacht verdient, maar ook een geheel eigen benadering vergt. Om de dimensie van het zelf te analyseren, moeten we naast concepten als biomacht en disciplinering ook termen ontwikkelen die het juist mogelijk maken die technieken te beschrijven waarmee individuen zichzelf actief en creatief verhouden tot en uiteenzetten met het il y a.