Home Literatuur voor filosofen

Literatuur voor filosofen

Door Hans van Stralen op 24 februari 2014

Literatuur voor filosofen
Cover van 01-2008
01-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Men kan op diverse wijzen filosofische concepten op literaire werken toepassen, zij het dat niet alle wegen even vruchtbaar of adequaat afgelegd werden. In dit essay zal daarvan een overzicht gegeven worden en een voorstel voor een verantwoorde wijsgerige benadering van literatuur gedaan worden. Ten slotte zal deze werkwijze aan de hand van een voorbeeld geconcretiseerd worden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De causale benadering

Als we filosofie met literaire werken in verband willen brengen, kunnen we globaal vier wegen inslaan. Allereerst is het mogelijk te veronderstellen dat bepaalde wijsgerige opvattingen invloed uitgeoefend hebben op een auteur, die deze inzichten vervolgens in zijn roman(s) verwerkt heeft. Aldus kan men bijvoorbeeld door brieven van een schrijver te raadplegen achterhalen welke bronnen hem ten dienste stonden bij het ontstaan van zijn literaire tekst. Het nadeel van deze weg luidt dat er – afgezien van het praktische bezwaar dat deze bronnen vaak niet meer achterhaalbaar zijn – een invloedsrelatie verondersteld wordt die lastig te verifiëren valt. ‘Invloed’ is een concept dat binnen de natuurwetenschappen kan functioneren, maar dat binnen het domein van de geesteswetenschappen feitelijk niet werkt. Hoe weet ik immers ondubbelzinnig dat de inzichten van Bergson van invloed geweest zijn op het werk van de schrijfster Woolf? Zij kan aan de Franse filosoof verwante ideeën overal vandaan gehaald hebben; misschien zelfs heeft ze uit eigen beweging deze bevindingen opgedaan. Zolang deze causale relatie niet exact gepreciseerd kan worden, blijft ze nietszeggend. Daarnaast zien we een probleem op het niveau van de chronologie: binnen de benadering vanuit het concept ‘invloed’ dient altijd een wijsgerige bron vooraf te gaan aan de literaire tekst en aldus zal men interes sante experimenten, waarin bijvoorbeeld het denken van Derrida met Dantes Goddelijke komedie in verband gebracht wordt, buiten beschouwing moeten laten. Een typerend voorbeeld in dit verband is ook de freudiaanse interpretatie van Sophocles’ Oedipus rex. Een nijpend probleem is voorts dat de gevonden relaties op tekstueel niveau aangewezen moeten worden. Het is niet voldoende te weten dat Vestdijk het verzameld werk van Nietzsche bestudeerd heeft; het gaat erom diens filosofische inzichten in de romans van deze Nederlandse auteur zichtbaar te maken. Het is dan evenwel denkbaar dat Vestdijk zich bijvoorbeeld niet de inzichten, maar de stijl van deze Duitse wijsgeer eigen gemaakt heeft. Ten slotte leert de praktijk ons dat veel critici de wijsgerige bronnen van een literaire tekst aanwijzen en het vervolgens daarbij laten. Aldus krijgt de lezer de indruk dat dit blootleggen het uiteindelijke doel van het onderzoek vormde, terwijl het redelijk is te veronderstellen dat het eigenlijke interpretatieproces dan pas kan beginnen. Feitelijk gaat deze eerste methode terug op het positivisme van de negentiende eeuw, waarin causale relaties binnen een strikt empirische werkelijkheid vastgesteld dienden te worden. Deze benadering geldt binnen de literatuurwetenschap vandaag de dag als eenzijdig en inadequaat.

De analogische benadering

De tweede weg die men kan bewandelen is die van de analogie. De lezer veronderstelt dan dat binnen een bepaalde tijdgeest relaties tussen de diverse manifestaties daarvan bestaan, dat wil zeggen tussen de rechtspraak, de theologie, de filosofie en de kunsten. Deze benadering, die in de literatuurwetenschap vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw bekendstaat als de Geistesgeschichtliche methode, gaat uiteraard terug op het denken van Hegel, die een bepaalde Geist als motor achter de geschiedenis postuleerde. Ook deze weg wordt heden ten dage in de literatuurwetenschap met enig wantrouwen bezien. In de eerste plaats meent men hier dat literatuur en filosofie tot verschillende taalspelen – in de betekenis die Wittgenstein daaraan gegeven heeft – behoren en dat ze in die zin lastig vergelijk baar zijn. De literaire tekst geldt immers in eerste instantie als een autonoom en esthetisch taalbouwsel, waarin veelal bewust talrijke zogenaamde ‘open plekken’ zijn aangebracht en die ten slotte haar thematiek decontextualiseert, opdat ze op andere plaatsen en op latere momenten geactualiseerd kan worden. Dit alles geldt uiteraard in veel mindere mate voor filosofische werken. Zo zal het wijsgerig essay ernaar streven zo min mogelijk ambiguïteiten te genereren teneinde het aantal ‘open plekken’ relatief te verminderen. Een tweede probleem luidt dat het gemakkelijker is om talloze onderlinge relaties te signaleren, dan aan te geven dat deze verbanden ook betekenisvol zijn. De initiële – en vaak door wijsgeren ontweken – vraag dient zich dus aan welke relaties tussen filosofie en literatuur als zinnig kunnen gelden. Een derde probleem luidt dat de gevonden verbanden vaak vaag zijn. Immers, indien men zowel de filosofie als de literatuur van een bepaald tijdvak recht wenst te doen, dan dient men concepten te formuleren die beide domeinen overstijgen. En ten slotte moeten we vaststellen dat in de geestesgeschiedenis literatuur en filosofie tegengestelde tendensen kunnen ontvouwen, men denke aan de impliciete kritiek in Hard Times (1854) van Dickens op de destijds dominante denkbeelden van het utilitarisme.

De autonomistische benadering

De derde methode luidt als volgt: de lezer beroept zich niet op externe wijsgerige bronnen of op contemporaine relaties tussen literatuur en filosofie, maar stelt zich op een autonomistisch standpunt. De literaire tekst wordt in dit geval verondersteld voldoende materiaal te kunnen leveren ten behoeve van een filosofische benadering. Deze aanpak is zeker zinvol bij een aantal specifieke literaire teksten, zoals Zen and the Art of Motorcyclemaintenance van Robert Pirsig en Der Zauberberg van Thomas Mann. Zo kan men in het laatste geval heel goed een filosofie over de tijd uit de roman van deze Duitse auteur destilleren, een die zich overigens uitstekend met de tijdsopvattingen van Bergson in verband laat brengen. De hoofdpersoon, Hans Castorp, verlaat de burgerlijke samenleving om een vriend die aan tuberculose lijdt in een sanatorium op de (tover)berg te bezoeken.

Kort daarop wordt deze Castorp ook ziek en raakt hij al snel zijn besef van tijd kwijt. In Bergsons termen kan men stellen dat dit personage zich aanvankelijk in het concept van de kloktijd, de temps physique, bewoog en vervolgens het domein betreedt van de durée, door de Franse denker ook wel de temps psychologique genoemd. Castorp leeft immers kort na zijn opname in het sanatorium niet langer met het horloge en hij kan zich al spoedig de exacte datum van zijn aankomst niet meer te herinneren. Nog afgezien van het praktische bezwaar dat deze methode slechts op een beperkt corpus van literaire teksten toepasbaar is, kan men stellen dat dit type geschriften tot een soort taalspel behoort waarvan men geen consistente waarheden behoeft te verwachten. Terecht stelt Sartre dat literatuur weliswaar stellingen kan poneren, maar dat de bewijsvoering daarvan hierin niet ter discussie kan staan. Dit brengt mij op een aanverwant probleem, namelijk dat veel ‘filosofische’ romans in feite zeer schamele wijsgerige theorieën presenteren. Ik bedoel dit geenszins neerbuigend; het gaat mij er slechts om te accentueren dat literatuur eenvoudigweg niet de pretentie kan hebben om wijsgerige constructies in de trant van Hegel en Kant te poneren. Veel literatuur wil vanaf Aristoteles’ poëtica veeleer bepaalde inzichten binnen een specifieke situatie tonen, aanschouwelijk maken, in plaats van ze schematisch en afstandelijk te beschrijven. Zo wordt in La Nausée (1938) van Sartre nergens expliciet uitgelegd dat de werkelijkheid contingent is en dat het être-en-soi in zichzelf geen betekenis heeft, maar deze gedachte wordt tastbaar gemaakt via de lotgevallen van het hoofdpersonage Roquentin.

Als veel literaire werken dus bepaalde inzichten concretiseren, is het duidelijk dat de ethiek in deze gevallen een prominentere rol vervult, een gedachte die we wederom bij Aristoteles ontmoeten. Hij stelde dat literaire teksten in eerste instantie ‘angst en medelijden’ bij de lezer dienen te bewerkstelligen, opdat deze een (morele) reiniging kan ondergaan. Deze ‘catharsis’ keert diverse malen terug in de literatuurgeschiedenis, het meest significant bij de zojuist genoemde Sartre, die het concept van de Griekse denker in de twintigste eeuw tot ‘engagement’ omvormde. Uiteraard behoeft een literair werk niet opzichtig en bewust bepaalde inzichten tastbaar te maken en valt er veel voor te zeggen als literatuur ambiguïteiten rond een thematiek indirect poneert.

Veel filosofen en theologen hebben in het verleden de hierboven beschreven wegen bewandeld en helaas niet altijd met evenveel succes. Te vaak hield men beide taalspelen niet gescheiden, vereenzelvigde men de auteur met diens personages of verleende men aan literatuur een theoretische status. Een recent voorbeeld daarvan is Martha Nussbaum, die over de epistemologie van de romancier Proust spreekt en die een volstrekte blindheid voor de esthetische en formele aspecten van literaire teksten aan de dag weet te leggen. Als zij beweert dat literatuur de lezer – en de filosoof in het bijzonder – op een concrete wijze vertrouwd kan maken met morele posities en hem aldus tot een verbeterde levenshouding kan brengen, is dat niet alleen een platte en eenzijdige herhaling van het aristoteliaanse standpunt, maar geeft dat ook blijk van een pijnlijk blinde vlek in haar theorie: als literatuur lezers tot gevorderde morele posities kan bewegen, dan is het ook mogelijk dat zij daar slechter van worden.

De hermeneutische benadering

In het licht van dit soort misvattingen stel ik voor de vierde weg, die ik als de hermeneutische benadering wil omschrijven, te bewandelen. Deze aanpak komt erop neer dat de filosofie mede in staat is de ambiguïteiten van een specifiek aantal literaire teksten adequaat te benaderen. Om deze werkwijze te preciseren, is het nu zaak de theorie van de ‘open plekken’, zoals geformuleerd door Roman Ingarden (1893-1970), nader te bespreken. Ingarden stelde dat literatuur zich wezenlijk kenmerkt door een overvloed aan Unbestimmtheitsstellen, ‘plaatsen’ in de tekst die zich niet of lastig laten interpreteren. De Poolse fenomenoloog stelde daarom voor om deze ‘open plekken’ door een geoefende lezer te laten benaderen en Ingardens essentialistische hoop luidde dat deze ‘fenomenale lezer’ (dit is niet een lezer die bovenmenselijke vermogens bezit, maar een die men zich noodzakelijk vanuit een fenomenologische analyse voor dient te stellen) aan de hand van andere tekstgedeelten de ‘open plekken’ adequaat zou kunnen interpreteren. Ingardens theorie heeft veel in de literatuurwetenschap teweeggebracht, zij het dat diens concept van de ‘adequate realisatie’ vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw is losgelaten: het literaire werk genereert inderdaad talrijke Unbestimmtheitsstellen, maar we missen duidelijke criteria om interpretaties daarvan definitief als onjuist te bestempelen. Dit inzicht wordt vanaf de opkomst van de receptie-esthetica in de jaren zestig, zoals geformuleerd door Jauss en Iser, steeds dominanter in de literatuurwetenschap. Het literaire werk is in hun visie allereerst het bezit van de lezer, die zich op velerlei wijzen de tekst kan toe-eigenen – of dit adequaat geschiedt, interesseert receptie-esthetici in eerste instantie niet. In hun denken presenteert de literatuurgeschiedenis allereerst een reeks van samenhangende lezersreacties, waarin ‘open plekken’ geïnterpreteerd zijn. Alle ideologische verschuivingen in dit verloop dient men volgens deze literatuurwetenschappers vanuit de wisselwerking tussen lezersconventies en de historische omstandigheden te benaderen om aldus een empirische bestudering van de literatuurgeschiedenis mogelijk te maken. Volgens Jauss bleken grote meesterwerken in staat gevestigde lezersconventies te doorbreken.

Hoe dan ook is Ingarden voor ons betoog nog steeds van belang. Juist omdat de filosofie – zeker tot de jaren zeventig – naar coherente en consistente uitspraken streeft, is deze discipline mede geschikt om ‘open plekken’ van een aantal literaire teksten interpreteren. Uiteraard dient de lezer zich er dan voor te hoeden het zelfstandige karakter van beide taalspelen te veronachtzamen. Directe voordelen van deze hermeneutische weg zijn de overwinning van het chronologieprobleem binnen het causalistische model en de ontsnapping aan het begrip ‘tijdgeest’. Bij de eerste twee benaderingen ontstaat de indruk dat men een tekstexterne rechtvaardiging zoekt om de gekozen wijsgerige werken te mogen gebruiken. In mijn optie daarentegen kan men in principe elk filosofisch systeem benutten om Unbestimmtheitsstellen te benaderen. Uiteraard dient zich dan de vraag aan welke filosofie als adequaat kan gelden in de benadering zo’n literaire tekst. Ik kan hier slechts twee beperkingen noemen: de creativiteit en de kennis van de interpretator enerzijds en de consensus binnen het literaire circuit anderzijds. Anders gezegd: de filosoof kan alle wijsgerige concepten aanwenden die zijn – geschoolde – lezersgemeenschap wenst te accepteren. Haar welwillende houding zal toenemen naarmate de interpretator de fouten van de drie andere wegen weet te vermijden; al te ‘creatieve’ duidingen zullen als gevolg van deze impliciete controle beperkt blijven.

Een interpretatie van Rilkes Begegnung in der Kastanienallee

Om de hierboven beschreven bevindingen te concretiseren, wil ik nu Begegnung in der Kastanienallee (1908) van Rainer Maria Rilke interpreteren. Ik citeer zijn gedicht in de volgende vertaling:

Ontmoeting in de kastanjelaan
Hem werd de toegang met zijn donkere groenheid
koel omgeslagen als een cape van zijde
die hij nog aannam en verschikte: toen hij
vanaf het transparante andere einde
uit groen zonlicht, als door groen glas heen schijnend,
leek het, één enkele gestalte
wit op zag dagen, die lang ver zou blijven
tot zij, door vlekken licht die nederdrijven
bij elke schrede overvallen,
een helle wisseling leek mee te dragen
die in het blonde schuw naar achter liep.
Maar plotseling was toen de schaduw diep,
nabije ogen lagen opgeslagen
in een gezicht als op een schilderij
dat nieuw was, goed te zien, en dat bleef steken
in het moment dat zij van elkaar weken:
eerst was het steeds, en toen was het voorbij.

Om de mijns inziens centrale ‘open plek’ van dit gedicht – een moment dat steeds aanwezig is maar ook weer voorbijgaat – te kunnen interpreteren, wil ik inzichten uit de fenomenologie gebruiken aan de hand van de vierde benadering. Een causale relatie leggen tussen deze filosofische discipline en het werk van Rilke wordt immers lastig, daar deze dichter bijzonder weinig belangstelling voor wijsgerige benaderingen (van zijn werk) toonde. Uiteraard verbiedt niemand de lezer alsnog zulke relaties te leggen, maar in de notities en brieven van Rilke zal men daartoe geen materiaal aantreffen. Uitgaan van een tijdgeest levert eveneens ambigue resultaten op: de fenomenologie was rond 1908 nog niet op haar hoogtepunt, maar tegelijk zien we ook – meer dan vluchtige – relaties tussen Rilkes poëzie en deze filosofische discipline, vandaar mijn keuze. In het geval van de derde weg moeten we vaststellen dat Begegnung in der Kastanienallee te veel wijsgerige ongerijmdheden en tegenspraken poneert om als een autonoom wijsgerig gedicht te kunnen functioneren.
 
Men doet er goed aan Rilkes gedicht allereerst vanuit literaire conventies te benaderen, opdat zijn specifiek poëtische taalspel recht gedaan wordt. We moeten dan vaststellen dat in Begegnung in der Kastanienallee sprake is van een significante verwerking van het zogenaamde belle inconnue-motief, dat als volgt kan worden omschreven: een man ontmoet een bijzondere vrouw en via oogcontact met haar waant hij zich tijdelijk in hemelse sferen. Na deze intense verstandhouding valt de man meestal terug in verveling, apathie of neerslachtigheid. Het bekendste voorbeeld van zo’n literaire ontmoeting is uiteraard het eerste contact tussen Dante en Beatrice, zoals beschreven in La vita nuova (ca. 1293) van deze Italiaanse dichter. Het bijzondere aan Rilkes gedicht is evenwel dat er over een gestalte en niet over een vrouw gesproken wordt.
 
Dit is voor mij een reden te veronderstellen dat Begegnung in der Kastanienallee, zoals de titel ook aangeeft, niet zozeer de personen die contact hebben schildert als wel een ‘literaire’ fenomenologie van de ontmoeting thematiseert. Het gedicht geeft aan dat de volgende factoren onontbeerlijk voor een ontmoeting zijn: een waarnemer, een ander en een ruimte. Over de man wordt niet uitvoerig geschreven, of beter: we krijgen veeleer informatie over de voorwaarden die deze waarnemer in staat moeten stellen de ander te ontmoeten. Zo lezen we dat Rilkes wandelaar een zekere rust en afzondering behoeft, dat zijn blik niet door fysieke factoren vertroebeld mag raken en dat hij de ander voldoende genaderd dient te zijn teneinde oogcontact te kunnen maken. De in de existentiële fenomenologie uitvoerig beschreven ‘ander’ wordt daarentegen in Begegnung in der Kastanienallee specifieker getypeerd. We kunnen aan deze gestalte twee fenomenologische wezenskenmerken toekennen: ten eerste kenmerkt deze persoon zich door zijn/haar blik, ten tweede manifesteert hij/ zij zich als bewegend. Vervolgens lijkt het gedicht te suggereren dat men in een waarachtige ontmoeting de neiging voelt de ander ‘vast’ te houden, waardoor het hierdoor gevormde ‘schilderij’ een zekere eeuwigheidswaarde verkrijgt. We lezen immers dat de man met de gestalte na hun oogcontact kort een eenheid moet hebben ervaren, omdat gesproken wordt van het ‘Moment, da man sich wieder teilte’ / ‘moment dat zij van elkaar weken’. Niettemin verdwijnt dit ‘beeld’ weer snel door de beweeglijkheid van deze gestalte. De ander, zo betoogden Sartre, Merleau-Ponty en andere existentiële fenomenologen en zo lijkt ook Rilke op een esthetische wijze te willen zeggen, kan slechts tijdelijk intensief in mijn bereik verblijven en zal zich gezien zijn/haar dynamiek al dan niet bewust tegen mijn wens tot mentale inbezitneming verzetten.