Home Koester je heimwee

Koester je heimwee

Door Pieter Hoexum op 27 mei 2019

Koester je heimwee
Cover van 06 -2019
06 -2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Is nostalgie gevaarlijk? Wel als je het probeert te verhelpen. Pieter Hoexum adviseert: doe altijd alsof je thuis bent, waar op aarde je ook beland bent.

Beeld: Maus Bullhorst

Op dinsdagavonden bezoek ik geregeld de begraafplaats van het Noord-Hollandse Kwadijk. Mijn dochters hebben daar vlakbij paardrijles. Ik breng ze er meestal naartoe, help een beetje met het opzadelen van de paarden en maak na een kopje koffie in de kantine vaak een ommetje naar de begraafplaats. Die heeft een piepend zwaar hek en knerpend grind. Het mooiste is dat de begraafplaats ligt op een soort verhoging, een terp, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de omringende weilanden en een meanderend watertje.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zoals op alle begraafplaatsen staat op veel grafstenen ‘Hier rust…’. Dit is een echte rustplaats, waar bepaald geen akelige, maar juist een serene sfeer hangt. Onwillekeurig bedacht ik bij mijn eerste bezoekjes dat ik hier graag begraven wil worden. Wat heerlijk om er straks zo mooi bij te liggen. Zou ik hier nu vast een plekje kunnen reserveren of kopen? Of zou het ongepast zijn om me er hier tussen te wringen – alleen vanwege de schoonheid? Waar hoor je eigenlijk begraven te worden? Ik bedoel dat niet juridisch, maar eerder ‘menselijk’ of existentieel: waar is je laatste rustplaats, waar hoor je uiteindelijk thuis? Zou het niet het beste zijn als je geboortegrond, je ‘heimat’, ook je begraafplaats wordt?

Mijn vader ligt begraven op de Algemene Begraafplaats in Meppel, waar hij woonde toen hij overleed. Maar hij is geboren in een dorpje in Noord-Groningen, op het Hogeland. Hij droomde er de laatste jaren van zijn leven hardop van daar begraven te worden; op een van die mooie, ook altijd hoger gelegen begraafplaatsen. Hij speelde serieus met de gedachte ergens op zo’n begraafplaats al vast een graf te kopen. Maar daar is hij nooit aan toe gekomen, hij overleed (elf jaar geleden) volkomen onverwacht, nog geen 67 jaar oud. Het was zo onverwacht dat wij, de nabestaanden, al lang blij waren dat we een fatsoenlijke uitvaart en begrafenis konden regelen. Afgezien van de praktische bezwaren – het is toch nog een hele afstand van Meppel naar het Hoge Noorden – was ik achteraf sowieso blij dat we mijn vader in Meppel begraven hebben.

Bange, onzekere tijden

Je heimat lijkt in bange, onzekere tijden de laatste zekerheid te bieden: als je maar weet waar je vandaan komt, weet je ook waar je ‘eigenlijk’ heen moet. Maar zo eenduidig is het begrip ‘heimat’ niet. Het is zelfs nogal dubbelzinnig, zoals Beatrice de Graaf mooi uitlegde in haar ‘Mr. G. Groen van Prinstererlezing’ van 2018.

De lezing van De Graaf heet ‘Heimat. Angst voor ontheemding en verlangen naar veiligheid’. Je heimat biedt je veiligheid en geborgenheid – maar voor je het weet ben je er opgeborgen, om niet te zeggen: opgesloten. Minstens zo interessant is wat mij betreft een andere dubbelzinnigheid. Heimat kan zowel slaan op je geboortegrond, als op je huidige woon- of verblijfplaats (of streek waar je woont). In die zin hebben we mijn vader toch begraven in zijn heimat. Zijn laatste woonplaats werd zijn laatste rustplaats.
Het belangwekkendste in de lezing van De Graaf, vind ik, is dat bij heimat ook een werkwoord hoort, ‘beheimaten’: huisvesten of herbergen, maar ook thuisraken. De Graaf komt uiteindelijk met een op Helmut Plessner geïnspireerde benadering van heimat en van ‘beheimatung’:

‘Anders dan de dieren die op grond van hun instinct automatisch weten waar ze thuis horen, en in welke biotoop ze het best gedijen, heeft de mens nergens een specifiek biologisch thuis. De mens past zich over het algemeen dan ook niet aan de wereld aan, maar zorgt ervoor dat de wereld zich naar zijn wensen voegt. De mens is voortdurend bezig met die Beheimatung, de creatie van geciviliseerde, comfortabele leefruimtes. En is daar nooit klaar mee.’

Die laatste regel is belangrijk. Heimwee, verlangen naar je heimat, is misschien het beste op te vatten als een ziekte, een ongeneeslijke, maar niet per se fatale ziekte. Een chronische ziekte. Er zijn charlatans die hun ‘patiënten’ een wondermiddel beloven, bijvoorbeeld een heimat in de zin van vaderland. Maar heimwee lijkt mij meer iets om mee naar de huisarts (huis-arts!) te gaan, die je heel kalm kan uitleggen dat tegen heimwee geen kruid gewassen is en je ermee moet leren leven. Heimwee is de condition humaine.
 

​Storm van nostalgie

Het is bepaald niet mijn bedoeling geringschattend over heimwee te doen, integendeel. Ik heb vaak heimwee en heb de afgelopen jaren gewerkt aan een boek dat in zekere zin over heimwee gaat. Maar dan wel over heimwee opgevat als verlangen naar een plek, naar een woonplek. Eigenlijk is het boek een pleidooi voor het koesteren van je heimwee, én een pleidooi tegen nostalgie. Die laatste precisering is nodig, want anders kan het erop lijken dat ik mij laat meeslepen door de steeds sterker wordende storm van nostalgie die door de westerse wereld trekt. Velen willen ‘terug’. De Amerikanen willen terug naar de tijd dat Amerika nog great was, de Engelsen eigenlijk ook, als was dat een stuk langer geleden, en in Nederland zongen protesterende ‘gele hesjes’ in december vorig jaar in Rotterdam het lied ‘15 miljoen mensen’, dat een reclametune en hit was in 1996.

Het probleem met nostalgie is dat het een ‘bitterzoet’ en onbevredigbaar verlangen is. Velen die de onbevredigbaarheid niet willen aanvaarden, worden vervolgens bitter en zelfs rancuneus. Nostalgie is zoet omdat het heerlijk is je te verheugen in mooie herinneringen, een warm bad waarin je – weliswaar slechts in gedachten – kunt stappen en verwijlen. Maar dat is ook het bittere: dat je er in werkelijkheid juist niet in kunt stappen. Die tijd komt niet meer terug.

Anouk Smekes deed sociaal-psychologisch onderzoek naar nostalgie, om precies te zijn naar ‘historisch besef van nationale identiteit en groepsprocessen in Nederland’, en vatte haar onderzoek bondig samen in een artikel voor de website van In-Mind Nederland:
‘Persoonlijke nostalgie doet een mens goed. Zij gaat onder andere verveling tegen en draagt bij aan mentale weerbaarheid. Maar nostalgie heeft ook haar negatieve kanten, vooral als het gaat om nostalgie voor het nationale groepsverleden. Wij-zij-denken en afwijzing van andere groepen liggen dan op de loer.’

Jeugdsentiment is een tamelijk onschuldig tijdverdrijf, nationalisme is dat niet. Wat Smekes ‘persoonlijke nostalgie’ noemt, zou ik eerder ‘heimwee’ noemen en wat zij ‘collectieve nostalgie’ noemt ‘nostalgie’.

Misschien is het goed uit te leggen dat heimwee en nostalgie etymologisch hetzelfde zijn. De term ‘nostalgie’ is een bedenksel van de Zwitserse arts Johannes Hofer (1669–1752). Hij verzon ‘nostalgie’ als deftige ‘Griekse’ term voor het meer volkse ‘heimweh’, een pijnlijk en ongezond verlangen naar huis, of beter gezegd: naar thuis. Nostalgie stond ook bekend als de Zwitserse ziekte, omdat vooral Zwitserse huursoldaten er last van kregen als ze voor langere tijd in het buitenland zaten, in meestal minder bergachtige streken. Daar verlangden ze steeds heftiger terug naar de geborgenheid van de Zwitserse bergen uit hun jeugd.   

Zo komt nostalgie eind achttiende eeuw ook ter sprake in Immanuel Kants laatste geschrift: ‘Pragmatische Antropologie’: ‘Zwitsers en (zoals een ervaren generaal me meedeelde) inwoners van bepaalde streken in Westfalen en Pommeren worden bevangen door heimwee wanneer ze in andere landen terechtkomen. Dit is het gevolg van een door herinneringen aan de zorgeloosheid en de omgang met buren in hun jeugdjaren gewekt verlangen naar plekken waar ze op heel eenvoudige wijze gelukkig waren.’

Dat Kant nostalgie duidt als een verlangen naar een eenvoudig en zorgeloos leven is interessant. In een volgende zin voegt hij er nog een belangwekkende observatie aan toe: ‘Als ze [de nostalgici, PH] later terugkeren, worden ze zeer teleurgesteld in hun verwachtingen en zo van hun heimwee genezen, weliswaar in de mening dat alles er veranderd is, maar in feite doordat ze hun jeugd daar niet opnieuw kunnen beleven.’


Rancune en ressentiment
Ik vrees dat Kant hier nog te optimistisch is. Meestal zal er, na zo’n mislukte terugkeer, helemaal geen sprake zijn van ‘genezing’ van nostalgie, maar zal de mislukking leiden tot frustratie en de heimwee omslaan in rancune en ressentiment. Ik zou zeggen: de heimwee dreigt te verworden tot nostalgie, en vervolgens tot eng nationalisme en xenofobie. Om dat te voorkomen, is het misschien het belangrijkste helemaal niet te willen genezen van de persoonlijke nostalgie. Het is mogelijk de persoonlijke nostalgie, oftewel heimwee, te koesteren zonder deze te laten verworden tot nostalgie. Het is ook mogelijk een gelukkige heimweelijder te zijn, of althans: een niet al te ongelukkige.

Het is wenselijk te beseffen dat – hoe sterk en mooi nostalgie ook is – je niet terug kunt naar het verleden en het dus een onmogelijk te vervullen verlangen is: dat nostalgie kortom inderdaad een bitterzoet verlangen is. De heimweelijder kan daarmee leven, maar de nostalgicus niet, die wil koste wat kost vaste grond onder voeten.

Het is de kunst het hevig verlangen naar thuis, je heimwee, te koesteren, zonder nostalgisch te worden, dat wil zeggen zonder te willen genezen van de heimwee. Het is dus de kunst je te bekwamen in de kunst van het ‘beheimaten’.

Het zou dan ook het beste zijn thúís op te vatten als een activiteit. Thuis is niet zozeer een kwestie van zijn, maar van doen – thuis is een kwestie van ‘doen alsof je thuis bent’. Als dat lukt, en als anderen dat erkennen – want dat maakt thuis zo ingewikkeld, het is naast een puur persoonlijke óók een sociaal-maatschappelijk kwestie – dan is de vraag of je nu ‘echt’ of ‘eigenlijk’ wel thuis bent, of je er wel ‘thuis hoort’, niet meer relevant. Dan zijn al die achterdochtige vragen die aan een begrip als ‘heimat’ kleven overbodig.
 

Drenkelingenkerkhof

Doen-alsof-je-thuis-bent is kortom geen remedie en zeker geen wondermiddel – maar het helpt wel. Het geneest niet, maar verzacht de pijn, maakt de pijn dragelijk. Maakt de pijn zelfs zoet.

Als ik iets ontdekt heb tijdens mijn verkenningen in en rond thuis, dan is het wel dat het vrijwel onmogelijk is grip te krijgen op dat begrip – je kunt er hoogstens af en toe een glimp van opvangen. Want hoe moeilijk het in theoretisch opzicht ook is om vat te krijgen op het begrip ‘thuis’, het is tegelijkertijd in de alledaagse praktijk kinderlijk eenvoudig te hanteren. Ieder kind weet hoe: je neemt een paar stoelen en een kleed dat je over de stoelen drapeert zodat er een soort hut ontstaat, daar ga je dan in zitten en je zegt: ‘En dit was ons huis.’

Ik ga helemaal nergens een begraafplaatsje reserveren. En in plaats van me op mijn plaats van herkomst of op mijn ‘bestemming’ te concentreren, besteed ik liever aandacht aan mijn woonplaats, mijn heimat, mijn thuis.

Trouwens, op de mooiste begraafplaats van Nederland kun je helemaal geen plekje reserveren. De mooiste begraafplaats van Nederland is kerkhof Vredenhof op Schiermonnikoog, een drenkelingenkerkhof. Maar misschien zijn alle begraafplaatsen dat wel: rustplaatsen voor drenkelingen.