Home ‘Kant is al erg broos’

‘Kant is al erg broos’

Door Thijs Lijster en Jan Sietsma, Thijs Lijster en Jan Sietsma op 19 maart 2013

05-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
Zoals zo veel jonge geleerden trok Johann Fichte naar Königsberg om colleges te volgen van de oude Kant. Hij merkt hoe Kants geheugen door de tijd is aangetast.
 
Omstreeks Pasen 1792 was in Königsberg anoniem Versuch einer Kritik aller Offenbarung verschenen, dat, getuige een bericht in de Allgemeine Literaturzeitung aan Immanuel Kant (1724-1804) werd toegeschreven. De krant schreef: ‘[een ieder] die ook maar de minste kennis heeft van de geschriften waarmee de Königsberger filosoof zich voor de mensheid eeuwig verdienstelijk gemaakt heeft, zal hierin de pen van de meester herkennen.’ Maar het boek was niet van Kant.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Nu zat men in Königsberg en omstreken al enige tijd te wachten op een boek van Kant over religie, en aangezien het woord Kritik in de titel voorkwam, is het niet vreemd dat men hem voor de auteur hield. Kant was met name door zijn drie kritieken binnen tien jaar uitgegroeid tot een beroemdheid en een ware attractie. Één van de vele jonge geleerden die hij aantrekt is Fichte.

Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) komt in juli 1791 aan in Königsberg. Enkele jaren daarvoor was hij gedwongen zijn studie theologie wegens geldgebrek te onderbreken en huisleraar te worden. Toen een leerling onderwijs wenste te krijgen over Kants Kritik der reinen Vernunft, zag Fichte zich gedwongen de kantiaanse filosofie te bestuderen. Terwijl hij al enigszins warm loopt voor dit werk is het vooral de Kritik der praktischen Vernunft die hem naar de gebochelde, doch uiterst punctuele criticist trekt.

De ontmoeting met Kant voldoet niet aan Fichtes verwachtingen. In zijn dagboek schrijft hij dat hij koel ontvangen wordt. Evenwel volgt hij de colleges van de oude filosoof. Ook die bevallen hem niet: ‘Zijn colleges zijn niet zo nuttig als zijn geschriften. Zijn zwakke lichaam is te vermoeid om zo’n grote geest te herbergen. Kant is al erg broos, zijn geheugen begint hem in de steek te laten.’ Ondanks deze kritiek wil Fichte indruk maken op Kant en om een tweede bezoek niet in een teleurstelling te laten uitmonden besluit hij een boek te schrijven. Zes weken later is het af. Fichte stuurt het op naar Kant met een begeleidende brief, gedateerd op 18 augustus, waarin hij hem zijn hele levensloop vertelt en ook schrijft: ‘Ik had aanbevelingsbrieven kunnen hebben, maar ik stel enkel prijs op de aanbevelingen die ik voor mezelf maak.’ Kant is enthousiast en zet al zijn connecties in werking om het te laten publiceren. Nadat Fichte het nog eens herziet en de censuur is omzeild verschijnt in april 1792 Versuch einer Kritik aller Offenbarung.

Het feit dat Kant als auteur werd aangewezen zou wel eens precies het effect kunnen zijn geweest dat de uitgever beoogde. Het werk was immers in kantiaanse stijl geschreven, en anoniem en zonder voorwoord uitgegeven. Daarbij was bekend dat er een nieuwe kritiek van Kant aan zat te komen. Het duurde nog enkele maanden tot Kant bekend maakte dat niet hij, maar Fichte de auteur was. Overigens zou enige tijd later het langverwachte godsdienstfilosofische werk van Kant verschijnen onder de titel Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft.
 

Franse Revolutie

De roem die Fichte door moedwil danwel misverstand onmiddellijk verwerft, breidt hij het jaar erop uit door een aantal publicaties over politiek in het algemeen en de Franse Revolutie in het bijzonder. Fichte was een aanhanger van de idealen van de revolutie, wat geen verbazing mag wekken, omdat behalve Goethe elke halve intellectueel dat in die tijd was. Door Kants afwijzende houding tegenover rebellie was Fichte in de veronderstelling dat de eerste een tegenstander van de revolutie was. Niets is echter minder waar. Toen Kant hoorde dat in Frankrijk de republiek was afgekondigd, riep hij dolenthousiast: ‘Laat Uw dienaar nu in vrede ter grave gaan, want ik heb de luister der wereld gezien!’

Ook het theoretische project wordt door Fichte niet verwaarloosd. In een door een kachel verwarmde kamer, sinds Descartes al een gaarkeuken voor revolutionaire filosofische ideeën, komt Fichte aan het eind van 1793 tot het inzicht dat het zichzelf stellende en kennende Ik het fundament van alle kennis moet zijn. Ook al is hij ervan overtuigd dat hij het transcendentaal-filosofische project van Kant voortzet, is het in feite een breuk, omdat Kant stelde dat het Ik zichzelf nooit volledig kan kennen. Deze en andere ideeën vinden hun volledige uitwerking in Über den Begriff der Wissenschaftslehre oder den sogenannten Philolosophie, geschreven tijdens zijn professoraat te Jena, waar hij in januari 1794 werd aangesteld. Samen met het werk van Kant was dit van grote invloed op Schelling en Hegel. Niet iedereen was echter te spreken over de manier waarop Fichte Kants project omboog. Schopenhauer, die aan het begin van de negentiende eeuw colleges volgde bij Fichte, sprak over ‘Wissenschaftsleere’ (wetenschapsleegte).

Kant stopte in 1796 met zijn colleges en hield zich vanaf dat moment bezig met het oplossen van enkele problemen die na de Kritik der Urteilskraft waren opgekomen. Zijn resultaten, later verzameld onder de titel Opus postumum, mogen op zijn minst opmerkelijk heten. Als een postkritische presocraat introduceert Kant ether als oersubstantie en drijvende kracht achter alle materie en tracht hiermee de principes van de natuurwetenschap te funderen. Daarnaast formuleert hij zinnen in bijkans fichteaanse terminologie: ‘Ik heb mezelf en mijn voorstellingen tot object. Dat er ook nog iets buiten mij is, is mijn eigen product. Ik breng mezelf voort. We brengen alles zelf voort.’ Het is echter niet waarschijnlijk dat Kant fichteaan was geworden, zoals Fichte eerder kantiaan.

In 1804 sluimert Kant definitief in. De laatste keer dat hij schriftelijk in de openbaarheid zou treden was in 1799: ‘Hierbij verklaar ik dat ik Fichtes Wissenschafstlehre als een volstrekt onverdedigbaar systeem beschouw. De zuivere leer der wetenschap is immers niets anders dan logica alleen, en de principes van de logica kunnen onmogelijk tot kennis van de materie leiden.’ De vijfenzeventig jaar oude Kant, die in hetzelfde jaar al had gezegd dat men hem inmiddels als kind moest beschouwen, werd door Fichte mild van repliek bediend. Als enige reactie laat hij een brief aan Schelling publiceren. Hierin citeert hij brieven van Kant, waaruit blijkt dat deze Fichtes werk nooit goed heeft gelezen en begrepen.
 
Dit is de zesde aflevering van een serie over ontmoetingen tussen grote denkers