Home Johannes Duns Scotus: leven en werk

Johannes Duns Scotus: leven en werk

Door Bert Bos op 20 maart 2014

Johannes Duns Scotus: leven en werk
Cover van 04-2008
04-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Aan velen, onder wie een groot aantal filosofen, is uit de middeleeuwse wijsbegeerte slechts Thomas van Aquino (1224-1274) enigszins bekend. Johannes Duns Scotus valt vaak achter Thomas weg. Ten onrechte: Duns Scotus is een briljant denker van de eerste orde. Weinig denkers uit oudheid en middeleeuwen zijn tegelijk zo constructief en kritisch als hij.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het werk van Duns Scotus is lastig te begrijpen. Hij argumenteert zeer subtiel en de zinnen die hij gebruikt zijn niet eenvoudig. Ver doorgevoerde onderscheidingen spelen een grote rol. De teksten brengen een wijsbegeerte tot uitdrukking, die voor ons lastig te begrijpen is. Hij werd door tijdgenoten doctor subtilis genoemd: ‘scherpzinnige professor’. Ieder die de werken van Duns Scotus leest, zal onder de indruk komen van zijn fijnzinnige argumentatie.

Duns Scotus levert kritiek op voorgangers zoals Thomas van Aquino. Hij verwerpt bijvoorbeeld diens opvattingen van de ziel en van het beginsel van individualiteit (op dit laatste kom ik hieronder nog terug). Tegenover een andere belangrijke denker, Hendrik van Gent († 1293) heeft hij een dubbele houding. Duns Scotus’ opvatting van de ‘formele distinctie’ (deze zal ik eveneens later behandelen) is geïnspireerd door Hendrik van Gents ‘intentionele distinctie’. Hij heeft echter ook kritiek op hem, bijvoorbeeld op zijn leer van de analogie van het zijn, dat wil zeggen dat de term ‘zijn’ toepasbaar is op God en schepsel, maar primair op God, want Hij is de oorzaak van de schepselen.
 
Duns Scotus maakte grote indruk op lateren. Er ontstond een school van scotisten, waartoe bijvoorbeeld Franciscus van Mayronnes (ca. 1285-1348) behoorde. Deze volgelingen stelden zich niet slaafs op. Zij verduidelijkten opvattingen van de meester, verbeterden hem op bepaalde punten en kritiseerden hem. Soms verbond hen nauwelijks meer dan Duns Scotus’ opvatting van de formele distinctie. Duns Scotus kreeg ook kritiek, met name van zijn medefranciscaan Willem van Ockham (1285-1348). Deze wees op fundamentele punten zijn opvattingen af, zoals zijn realisme in de kennisleer.
 
Duns Scotus’ opvattingen werken door in de eeuwen daarna, deels in combinatie met thomistische theorieën, deels zelfstandig. Van de filosofen die zich door Duns Scotus hebben laten inspireren, noem ik hier Christiaan Wolf en Leibniz.

Leven

Van Duns Scotus’ leven weten wij weinig. Zijn leerlingen vertellen niets over het leven van de meester, zij concentreren zich op de theorie. In zijn recente studie over de wijsbegeerte van Duns Scotus heeft Antonie Vos diens leven opnieuw in kaart gebracht in samenhang met zijn werken. Duns Scotus werd tussen november 1265 en maart 1266 geboren als Johannes, zoon van de Duns-familie in Berwickshire. De naam ‘Duns’ was niet voldoende om duidelijk te maken dat hij niet uit Engeland of Ierland kwam, maar uit Schotland, vandaar: Johannes Duns Scotus.

Hij volgde zijn opleiding bij de franciscanen. De orde der franciscanen, of minderbroeders, was in het midden van de dertiende eeuw sterk gegroeid en was in Oxford bij uitstek populair. Deze orde is gesticht op grond van het inspirerende optreden van Franciscus van Assisi, een charismatische figuur die als zijn taak zag de kerk te hernieuwen en het ideaal van volstrekte armoede verkondigde. Franciscus zelf kan men geen theoloog of filosoof noemen. Zijn houding wordt door anderen theologisch onder woorden gebracht. In eerste instantie gebeurde dat door Bonaventura (1217-1274), de ‘tweede stichter’ van de franciscaanse orde, en daarna door Duns Scotus.

Duns Scotus gaat eerst in Oxford filosofie studeren. Hij moet rond 1289, toen hij 22 jaar was, deze opleiding hebben afgesloten. Daarna begin hij zijn opleiding theologie. De theologische faculteiten van Oxford en Cambridge waren kleiner dan die van Parijs, maar kwalitatief konden zij zich met die van de Franse hoofdstad meten. Als student in de theologie hield Duns Scotus zich bezig met het opleiden van jongere studenten in logica en filosofie.

In 1291 werd Duns Scotus priester. Ondertussen vorderde zijn theologische studie. In 1300 werd hij volledig baccalaureus in de theologie. De komende jaren brengen Duns Scotus buiten Oxford. In 1301 schrijft hij zich in bij de Universiteit van Parijs en in 1302-1303 geeft hij daar colleges theologie. In 1304 ontstaan spanningen tussen vooren tegenstanders van koning Philip iv, die een conflict had met paus Bonifatius viii. Philip wilde het kerkelijk bezit belasten om zo geld te verwerven voor de legers in zijn strijd tegen Engeland. Sommige franciscanen kozen de kant van de koning, anderen verzetten zich juist. Duns Scotus behoorde tot de laatste groep. Hij moest in ballingschap en ging terug naar Oxford.

In 1304 vinden we hem in Cambridge, waar de franciscanen ook een studium generale hadden. Duns Scotus verwachtte in Cambridge een magister-titel in de theologie te halen, maar nieuwe gebeurtenissen in Parijs maakten mogelijk dat hij weer in Frankrijk terecht kon. Ten slotte, in 1304, behaalde hij in Parijs de graad van magister in de theologie. Hij was hoogleraar te Parijs in 1306-1307 en daarna te Keulen (1307-1308), waar hij overleed. Duns Scotus werd begraven in de franciscaanse kerk, dichtbij de kathedraal.

Werk
Zoals men kan verwachten van middeleeuwse denkers die hun opleiding begonnen met de studie van de zeven ‘vrije kunsten’ begint Duns Scotus zijn wetenschappelijke carrière met het becommentariëren van Aristoteles. Hij schreef commentaren op Categorieën, Perihermeneias, Sophistici Elenchi en De anima. Zeer belangrijk is verder zijn Commentaar op Aristoteles’ Metaphysica. Hij becommentarieerde ook de Inleiding van Porphyrius op Aristoteles’ Categorieën.

Van de (theologische) commentaren op de vier boeken van de Sententiën van Petrus Lombardus (ca. 1095-1160) bezitten wij de Lectura Oxoniensis i-ii (een lectura is een lezing om studenten in een gezaghebbende tekst in te leiden). Daarnaast zijn er de Reportatio Parisiensis i-iv (een reportatio is een tekst gebaseerd op aantekeningen van studenten), de Lectura Oxoniensis iii, de Lectura Cantabrigiensis i en de zogenaamde Ordinatio i-iv, die nooit voltooid is en dus niet een eigenlijke ordinatio is, want – zoals Vos met recht opmerkt – een ordinatio is een officieel onder de naam van de auteur gepubliceerd boek. Ten slotte is er een aantal werken rond een bepaald onderwerp, zoals De primo principio (het eerste beginsel) en de Questiones quodlibetales (‘problemen over verschillende onderwerpen’ – deze werden buiten de collegeperiodes gehouden om de belangrijke onderwerpen van de tijd te behandellen). Er bestaan vele edities, oude en nieuwe, van Duns Scotus’ werk. Het aantal handschriften is in sommige gevallen zeer groot (van de Ordinatio zijn er 103).

Nogal wat geschriften zijn in de geschiedenis ten onrechte aan Duns Scotus toegeschreven, bijvoorbeeld in de klassieke ‘editie Wadding’ (Lyon 1639). Een beroemd geval is de Grammatica speculativa, waarop Martin Heidegger zijn Habilitationsschrift schreef (Die Kategorien- und Bedeutungslehre des Duns Scotus, 1916). Dit is echter een werk van een zekere Thomas van Erfurt (eerste kwart van de veertiende eeuw).

Beginselen

De achtergrond van Duns Scotus’ leer is de herontdekking van Aristoteles in de dertiende eeuw. Allerlei problemen komen aan de orde. Is het object van de metafysica het hoogste zijnde of het zijnde qua zijnde? Hoe moet een christelijk theoloog daarop reageren? Kan de mens de geloofsgegeven met zijn natuurlijk verstand kennen, en zo ja, in hoeverre? In de beroemde veroordelingen te Parijs van 1270- 1277 komt dit probleem prominent aan de orde (zie het volgende artikel).

Duns Scotus zet het christelijk geloof op de eerste plaats. Hij wil echter ook ten volle rekening houden met het wetenschapsbegrip van Aristoteles en geen halfslachtige compromissen sluiten, zoals Thomas in zijn ogen deed. Hij ontwikkelt een nieuwe begrip van ‘zijnde’, dat hij opvat als een begrip dat eenduidig van toepassing is op God en de schepselen. Op deze wijze kunnen wij in natuurlijke taal spreken over God. We vinden bij Duns Scotus ook nieuwe begrippen van vrijheid en persoon.

Metafysica

Alles wat er is, bestaat onder God, is van God afhankelijk en is contingent, dat wil zeggen afhankelijk van Gods wil. Het had ook niet kunnen bestaan of het had anders kunnen zijn dan het is. Duns Scotus vat het ‘zijn’ op als het contradictieloze denkbare zijnde, dat primair in zijn geest bestaat en waaruit God bij de schepping een bepaalde selectie heeft gerealiseerd. Op deze wijze ontwikkelt Duns Scotus een metafysica als een transcendente wetenschap, ‘transcendent’ in de zin dat het formele object ervan, het zijn, een alles doorkruisende, ‘transcenderende’ term is. Dat betekent bij Duns Scotus een breuk in de traditie.

De logische begrenzing van wat we ‘zijnde’ noemen, is het contradictiebeginsel. Een mens die tegelijkertijd met rede begaafd is én rede mist, is geen zijnde en kan dat niet zijn. Dan zou er iets bestaan waarvan de definitie een tegenspraak inhoudt. Duns vat het zijn op als intelligibel in die zin dat het eenduidig gezegd wordt van wat eronder valt, namelijk God en de schepselen. Op deze wijze geeft hij een nieuwe opvatting van metafysica en laat hij de theologie, zoals wij die beoefenen en die bij hem tegelijk metafysica is, tot haar recht komen.

Er zijn de verschillen tussen de zijnden. Deze zien we in Duns Scotus’ leer van de intrinsieke of inwendige zijnswijzen. Het gaat hier om de innerlijke geleding van objecten. Het zijn valt in eerste instantie uiteen in eindig en oneindig zijnde, dat wil zeggen God en de schepping. ‘Eindig of oneindig’ is wat Duns Scotus noemt een ‘disjunctieve eigenschap van het zijnde’, eigenschappen die elkaar uitsluiten, zoals ‘a’ en ‘niet-a’. Andere disjunctieve eigenschappen zijn: noodzakelijk of contingent, actueel of potentieel.

De metafysica bestudeert het zijnde qua zijnde. Dit vak is theoretisch, niet praktisch, zoals de theologie volgens Duns Scotus. De metafysica houdt zich bezig met de werkelijkheid, maar dan in de zin dat zij het zijnde qua zijnde bestudeert en niet met de materiële zijnden in deze wereld. De studie van het zijnde qua zijnde sluit de studie in van de transcendente termen (een, waar, goed, enzovoort): termen die wij kunnen toepassen op alles wat is, of het nu een oneindig zijnde is, zoals God, of een eindig zijnde, zoals de schepselen.

Volgens Duns Scotus behoren tot de transcendente termen ook de ‘pure volmaaktheden’, bijvoorbeeld ‘wijsheid’. Niet alle zijnden zijn wijs, maar áls zij wijsheid bezitten, dan zij zij des te volmaakter. Op deze wijze is het fundamentele onderdeel van de wijsbegeerte, de metafysica, niet meer een studie van wezens, van kernen van de geschapen dingen, maar de studie van de transcendente termen. Zijnde is daarvan de eerste, de disjunctie ‘oneindig of eindig’ is daarvan de belangrijkste.

Eenheid
Een van deze transcendente termen is ‘een’. De werkelijkheid bestaat immers uit God en de schepselen en elk van deze is één. Er is één God, die volstrekt identiek is met zichzelf, maar ook de schepselen hebben een bepaalde identificeerbaarheid. We kunnen daarom zeggen: een mens, een boom, een stoel, enzovoort. Waaruit bestaat deze eenheid? De notie van eenheid, of één zijn, heeft een lange traditie in de wijsbegeerte. Na de notie van zijnde is het waarschijnlijk de meest bestudeerde. Als men weet wat eenheid is, kan men ook andere belangrijke begrippen begrijpen, zoals ‘wijs’, ‘goed’, ‘waarheid’ en ‘geest’, en het onderscheid tussen algemeen en individueel. De middeleeuwse denkers besteden hier bijzonder veel aandacht aan.

Er zijn in de antieke wijsbegeerte twee tradities over ‘eenheid’: de eerste komt uit Plato’s dialoog Parmenides. Plato zegt in wat hij daar ‘de eerste hypothese’ noemt dat als het ene wordt gedefinieerd als absoluut één, het op geen enkele wijze veel is of een geheel van delen. Dan is het zonder grens, nergens, kan het zelfs niet genoemd worden, is het niet hetzelfde als iets anders en verschilt het niet van iets anders; het kan überhaupt niet gekend worden. In wat hij een tweede hypothese noemt, zegt Plato dat als het ene zijnde heeft, het één zijnde is, met eenheid en zijnde. Een dergelijk zijnde is een geheel van delen, kan object zijn van kennis en het onderwerp van denken en spreken. De tweede traditie is die van Aristoteles. In zijn Metafysica zegt hij dat ‘zijnde’ op vele wijzen gezegd wordt. Omdat ‘zijnde’ en ‘eenheid’ qua dingen die gezegd worden altijd met elkaar verbonden zijn, moet de metafysica ook de soorten eenheid bestuderen.

Hier vinden we de klassieke leer van eenheid als omkeerbaar met en substitueerbaar door de term zijnde. In de middeleeuwen is Johannes Scottus Eriugena (achtste eeuw) een vertegenwoordiger van de eerste, platonische opvatting. De tweede opvatting, van Aristoteles, vinden we bijvoorbeeld terug bij Thomas van Aquino.

Vanzelfsprekend aanvaarden ook Duns en zijn leerlingen de realiteit van de concreet individuele substanties. Deze zijn ieder getalsmatig één. Maar er is een verschil tussen de denkers: sommigen aanvaarden ook een andere realiteit op, wat we kunnen noemen, metafysisch niveau, áchter de fysische werkelijkheid. Tot deze groep behoorden Duns Scotus en de scotisten. Het is niet eenvoudig zo’n realiteit te definiëren. Duns Scotus noemde deze ‘minder dan numeriek’. Ze is noch algemeen, want algemeenheid is een product van de geest, noch singulier, in de zin van concreet-individueel. Net zoals Thomas nam Duns Scotus het bestaan van een natuur aan die verschilt van het concreet individuele. We kunnen bij Duns Scotus deze natuur ‘indifferent’ of ‘geen verschil makend’ noemen, dus noch numeriek één, noch veel. De natuur is indifferent is ten opzichte van individualiteit zoals deze in de werkelijkheid buiten ons te zien is en ten opzichte van algemeenheid in het verstand. Duns Scotus’ begrip van ‘natuur’ is dus negatief: hij noemt deze ‘actueel onbepaald’. Natuur is wat mogelijk aan meerdere dingen kan toekomen.

Scotisten waren buitengewoon geïnteresseerd in het verschil tussen de dingen. Dit betekent dat zij ook belang stelden in de relatie tussen dingen en in de eenheid achter dingen die met elkaar in verband staan of met elkaar vergeleken worden. Een verschil kan volgens Duns Scotus niet gedacht worden zonder een eenheid die superieur is aan de verschillende dingen. Hij stelt dat we om een aantal redenen moeten aannemen dat er een ‘minder dan numerieke eenheid’ bestaat. Deze is vereist als we meten en vergelijken of gelijkenis, tegenstelling, de aard van het object van de zintuigen, verschil en ontstaan vaststellen. Noch een individueel bestaand ding, noch een intellectuele constructie kan de oorzaak zijn van meten, vergelijken, enzovoort.

De leer van de minder dan numerieke eenheid is ook zeer goed toepasbaar op de drie-eenheid. De drie personen hebben ook een gemeenschappelijkheid – al moeten we deze niet op dezelfde manier opvatten als bij schepselen, want een geschapen universale is niet één krachtens zichzelf, maar de ongeschapen universale is dat wel.

Ditheid
We hebben gezien dat de concrete werkelijkheid bestaat uit naturen, die een minder dan numerieke eenheid bezitten. Deze naturen kunnen, zoals gezegd, worden veralgemeniseerd in het verstand, maar ze kunnen ook individueel zijn. Duns Scotus’ opvatting over het beginsel van de individualiteit, het principium individuationis, is opmerkelijk in de geschiedenis van de wijsbegeerte.

Bij Thomas van Aquino is dit beginsel de materie, meer precies de materie die gekenmerkt is door kwantiteit. Heel helder is deze opvatting niet. Van Aquino ziet individualiteit als een primaire trek van het geschapene. Hij acht haar van groot belang; immers, elk individu is volgens traditioneel christelijke opvatting direct in verband met God, maar hij laat het beginsel van die individualiteit door het laagste zijnsprincipe ontstaan. Men kan dus zeggen dat individuatie volgens Van Aquino slechts een bijkomstige eigenschap van de kwantiteit van een ding is. Bovendien kunnen we individuatie dan niet uitleggen bij wezens die geen stof hebben, zoals bij engelen. Van Aquino’s opvatting heeft ook een ander theologisch probleem, namelijk bij de leer van de eucharistie, het belangrijkste sacrament. Daar verandert bij het uitspreken van de instellingswoorden door een priester (‘Dit is mijn bloed, dit is mijn lichaam’) de wijn in het bloed van Christus en het brood in diens lichaam. Dan is alleen de kwantiteit van de wijn en het brood aanwezig, niet de materie. Op deze wijze kan de filosofische analyse het mysterie van de eucharistie niet uitleggen.

Duns Scotus geeft een opwaardering van het individu. In de traditie van Aristoteles werd het individuele als onkenbaar beschouwd en kreeg het in de filosofische analyse een lage status. De stof was het beginsel dat een individu tot een individu maakte. De christelijke traditie, en zeker de franciscaanse, benadrukt het belang van dat individu. Immers, elk individu is gelijk ten opzichte van God, elk schepsel, zelfs het laagste, is voor het andere een broeder. Met name vanaf de veertiende eeuw wordt het belang van het individu benadrukt in de filosofie. Duns Scotus plaatst het beginsel van individuatie op formeel niveau. Het is een soort vorm. We moeten dit beginsel bij hem niet verstaan als een toegevoegde vorm, maar als laatste realiteit van een ding. Het is een laatste verschil ten opzichte van een ander individueel ding. Het is een formeel aspect, dat door lateren (zelden door Duns Scotus zelf) hecceitas (‘ditheid’) wordt genoemd. Deze formaliteit is als zodanig voor ons niet kenbaar (wel voor God). In Duns Scotus’ werken komen nogal wat abstracte woorden voor, bijvoorbeeld ‘entitas’ (‘zijndheid’) en ‘formalitas’ (‘formaliteit’). Deze woorden zijn niet nieuw, maar hecceitas lijkt wel een vinding van Duns te zijn.

Onderscheid: formeel en modaal
Middeleeuwse denkers munten uit in het maken van distincties, wat een lofwaardige eigenschap is. Maar we kunnen op vele manieren een onderscheid maken. Duns Scotus is beroemd geworden om de ‘formele distinctie’, maar daarom ook bekritiseerd, niet in het minst door Willem van Ockham. Het aannemen van de formele distinctie is de noodzakelijke en zelfs voldoende voorwaarde om zich scotist te noemen.

Om de ‘formele distinctie’ uit te leggen, wijs ik op twee andere soorten onderscheid: het logische en het reële. Een logisch onderscheid is wat uitsluitend door het verstand wordt gemaakt, dus door een kennend subject. We kunnen twee termen gebruiken die begrippelijk verschillen, bijvoorbeeld links en rechts. De een zegt dat een bepaalde tafel links staat, de ander dat hij rechts staat. In de tafel maakt dat niets uit, het verschil in termen hangt af van de positie en kennis van de beschouwers. We kunnen ook een reëel onderscheid maken, bijvoorbeeld tussen tafel en stoel. Dat zijn twee dingen die in de werkelijkheid verschillen. We geven ze ook twee verschillende namen. Hun definities verschillen en bestaan dus niet alleen doordat wij met behulp van onze geest een onderscheid maken, zoals tussen links en rechts.

Duns Scotus voert een derde en vierde soort in, namelijk het formele en het modale onderscheid. Allereerst de formele distinctie. Deze zien we in beginsel terug in de platonische traditie. Om dit onderscheid te begrijpen, kunnen we gebruikmaken van de definities van logisch en reëel onderscheid. Dan weten we wat een formeel onderscheid niet is. Met een formeel onderscheid definiëren we twee ‘realiteiten’ in de brede zin van het woord, dus de personen van de drieeenheid, of natuur en individualiteit, zonder dat we de reële eenheid van deze werkelijkheden ontkennen. Tussen de twee realiteiten in brede zin bestaat een wat Duns Scotus noemt ‘formeel’ verschil: ze hebben verschillende definities.

Deze opvatting is niet uniek, ook al formuleert Duns Scotus haar expliciet. In feite kennen we in de neoplatonische traditie ook zoiets. Bij Plotinus is alles één, maar dat wil niet zeggen een eenheid zonder verschil. Het ene waaiert uit in lagere lagen (geest, ziel, de concreet individuele dingen) die we verschillend moeten definiëren, maar de eenheid is in alle lagen aanwezig en gaat nooit verloren. Zelfs in een stoffelijk individu is de eenheid aanwezig en onvergankelijk.

Voor Duns Scotus was de impuls tot de leer van de formaliteiten de godsleer. Volgens het traditionele christendom is God drie-enig: Vader, Zoon en Heilige Geest, dat zijn drie personen die in wezen één zijn. Op het eerste gezicht leidt dit tot een contradictie: hoe kan iets tegelijk drie en één zijn? Immers, ‘God is één’ en ‘God is niet één’ zijn tegelijkertijd waar. In de werkelijkheid kunnen ze echter niet uiteen worden gehaald. De formele distinctie is primair van toepassing op het goddelijke en bewijst de theologie dan ook goede diensten. Hoe zijn de goddelijke personen anders onderling gescheiden en gescheiden van het wezen, de godheid? De formele distinctie werkt echter ook op het niveau van de creatuur. Neem het geval van een concreet individu, bijvoorbeeld Socrates. We kunnen een onderscheid maken tussen diens mens-zijn en diens individualiteit, en we kunnen een onderscheid maken tussen diens natuur en diens zintuiglijkheid. Wat is de aard van dat onderscheid? Is dit puur een onderscheid dat een buitenstaander, een kennend subject maakt, en heeft zij geen basis in de werkelijkheid? Of is Socrates eigenlijk geen eenheid?

Het modale onderscheid hangt met het voorgaande samen en was ook bekend in de veertiende-eeuwse fysica. Dit onderscheid is minder sterk dan het formele onderscheid en speelt zich af binnen een soort. Bijvoorbeeld: de ene kleur geel is helderder dan de andere. Het gaat om verschillende maten van intensiteit binnen een soort, dus om modaliteiten van de kleur geel. De kleur geel is aanwezig, maar de bijzondere helderheid van het ene attribuut maakt niet dat we moeten spreken van een andere realiteit. De kleur geel, dat wil zeggen de natuur, is onscheidbaar van de intensiteit waarin zij verschijnt.

Conclusie
Sommige denkers in de wijsbegeerte zijn vooral kritisch te noemen: zij zijn goed in tegenwerpingen tegen eerdere theorieën. Willem van Ockham is hiervan een voorbeeld. Andere denkers zijn vooral constructief: zij bouwen systemen, maar zijn daarbij wel eens wat minder kritisch. Denkers als Bonaventura en Thomas behoren tot deze groep – met alle voorzichtigheid gezegd. Duns Scotus was echter zowel geniaal in het construeren van theorieën als in zijn kritiek op anderen. Hij was een franciscaan, liet zich inspireren door Franciscus van Assisi en leidde tot een vernieuwing in de geschiedenis van de filosofie. Hierboven heb ik al gewezen op de nieuwe opvatting van metafysica die we bij Duns Scotus zien. Op het punt van de contingentie van het zijn en van de wetenschap zullen we deze in de volgende bijdragen nog nader beschreven zien.