Home Houellebecqs heimwee naar de mens

Houellebecqs heimwee naar de mens

Door Mark Coeckelbergh op 24 februari 2014

Cover van 01-2008
01-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In dit artikel onderzoek ik hoe Mogelijkheid van een eiland van Michel Houellebecq kan bijdragen aan de filosofische en maatschappelijke discussie over de technologische verbetering van de mens. Wat is de mens, en wat moet hij worden? Mogen we de mens veranderen? Hoe moeten we (samen)leven in de toekomst? Daarbij ga ik in op thema’s zoals emoties, liefde en de relatie tussen individu en samenleving. Uit mijn lezing besluit ik dat het boek niet zo misantropisch is als het op het eerste gezicht lijkt, maar begrepen moet worden als een lofzang op de mens.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Houellebecqs werk wordt niet door iedereen gesmaakt, zeker niet door de literaire kritiek. Ook zijn boek La Possibilité d’une île is controversieel. Zijn schrijfstijl zou niet te pruimen zijn en hij zou zich bezondigen aan misantropie, seksisme, racisme en nog heel wat andere -ismen. Mij interesseert in deze bijdrage noch de stilistische analyse, noch de vraag wat de auteur nu echt denkt en vindt (en hoe politiek incorrect zulke denkbeelden en opinies dan wel zijn). In plaats daarvan wil ik Mogelijkheid van een eiland vruchtbaar maken voor filosofische reflectie, in het bijzonder voor ethische, antropologische en sociaalfilosofische vragen rond nieuwe en toekomstige technologie. Ik herlees het boek als filosoof die bezig is met problemen rond de technologische maakbaarheid en verbetering van de mens. Bovendien onderzoek ik hoe sciencefiction een plaats kan krijgen in een methode voor ethisch denken over de technologische toekomst. Daarbij ga ik in op de thema’s die door het boek worden aangereikt, in het bijzonder levensfilosofische vragen (omgaan met emoties, de mogelijkheid van liefde) en sociaalfilosofische problemen (de relatie tussen individu en samenleving). Zo hoop ik zowel een inhoudelijke bijdrage te leveren als een methodologisch punt te maken over de relatie tussen literaire fictie en filosofie.

Een nieuwe mens en een nieuwe samenleving? Sciencefiction als methode
Zowel binnen als buiten de academische wereld en de filosofie woedt al een tijdje een discussie over human enhancement, wat ik definieer als het verbeteren van de mens door technologische middelen. Denk bijvoorbeeld aan de controverse rond Peter Sloterdijks lezing ‘Regels voor het mensenpark’. Er is daarbij een polarisatie ontstaan tussen zogenaamde ‘transhumanisten’ en technologiegoeroes enerzijds en verdedigers van de menselijke natuur en waardigheid anderzijds. Is de technologische verbetering van de mens een morele plicht of een groot moreel gevaar?

Om een dergelijk spanningsveld enigszins te ontmijnen, is het nuttig om te kijken naar de verschillen in probleemstelling. Waar gaat het precies over? Dikwijls praten mensen naast elkaar heen: het is immers niet helemaal duidelijk wat ‘verbetering van de mens door technologische middelen’ precies inhoud. Eugenetica bijvoorbeeld is slechts een van de technologische manieren om de mens te verbeteren, men kan ook denken aan nanotechnologie of – waarschijnlijker – een combinatie van verschillende technologieën (zgn. converging technologies). En wat is precies het probleem? De positie die men inneemt in het debat wordt sterk bepaald door hoe men zich de mens en de ‘verbeterde mens’ voorstelt. Daarbij zijn visies op mens en maatschappij onlosmakelijk met elkaar verbonden. De projecties die men maakt van de toekomstige, verbeterde mens steunen op het beeld dat men maakt van de huidige en de toekomstige mens en samenleving, en op een visie over wat menszijn, het goede leven en het goede samenleven inhouden.

Daarmee komt filosofische reflectie over technologische verbetering van de mens dichtbij sciencefiction, en vice versa. Dat is geen probleem, maar een noodzaak. We kunnen onmogelijk nadenken over de toekomst zonder ons die toekomst in te beelden, en goede sciencefiction stelt filosofische en maatschappelijke problemen aan de orde. Mogelijkheid van een eiland is een voorbeeld van dergelijke goede sciencefiction. Bovendien is er naast de thematische ook een methodologische winst. De structuur van het verhaal rust immers op voortdurende perspectiefwisseling tussen heden en toekomst. Het levensverhaal van Daniel 1 wordt afgewisseld met dat van zijn toekomstige klonen (Daniel 24 en 25). Door heen en weer te gaan tussen beide perspectieven biedt het boek een heuristiek aan voor ethisch-antropologisch onderzoek rond toekomstige technologie. Zo’n reflectie heeft nood aan een heen-en-weer tussen heden en toekomst, tussen wetenschap en sciencefiction, tussen realiteit en verbeelding. Onderstaande analyse plukt daarvan de vruchten.

Analyse van mensbeelden
In Mogelijkheid van een eiland worden twee contrasterende beelden geschetst, van de huidige en van de toekomstige mens en samenleving. De huidige mens is bij Houellebecq een tragische figuur die enkel liefde krijgt van zijn hond, die geplaagd wordt door zijn seksuele begeerte en emoties, die enorm veel moeite heeft met zijn verouderingsproces en die niet in staat is behoorlijk samen te leven met anderen. Bij de toekomstige mensen zien we begeerte en hevige emoties verdwijnen. Ze hebben het eeuwige leven doordat ze steeds opnieuw gekloond worden en leven volledig afgescheiden van elkaar. Deze mensbeelden corresponderen met bijpassende beelden van de samenleving. In de huidige samenleving ligt de nadruk op jeugd, seks en genieten. In de toekomstige samenleving wordt een heel ander leven ondersteund: fysiek contact wordt uitgesloten en de kalme nieuwe mensen zonderen zich af van de ‘wilden’ die nog wel door hun emoties gedreven worden. Laat me deze contrasten verder analyseren door in te gaan op specifieke thema’s rond menszijn en samenleven, zoals emoties, liefde, veroudering en menselijk contact.

Wat de mens betreft raakt het boek aan een eeuwenoud vraagstuk in de zogenaamde levensfilosofie. Al vanaf de oudheid houdt de filosofie zich bezig met de vraag naar het goede leven. Daarbij doet zich onder andere het probleem voor hoe we moeten omgaan met het emotionele en zinnelijke aspect van het menselijk leven. Moeten we genot nastreven, zoals het hedonisme wil, en ons overgeven aan een dionysische viering van de passies (het oudere woord voor emoties)? Of moeten we heer en meester trachten te worden van onze emoties, en praktijken van ascese beoefenen, zoals bijvoorbeeld de boeddhistische, platoonse, stoïcijnse en christelijke traditie die tot op zekere hoogte verdedigen? In het boek komen beide opties aan bod.

De eerste draaft in het boek op in de gedaante van het hedonisme van ’68 (en daarna) en het consumentisme van de ‘eeuwige kids’, waarvan Houellebecq in dit en andere werken genadeloos de weke plekken toont. Daarbij gaat de samenleving niet vrijuit, een samenleving die we zelf gemaakt hebben en die het ons zo moeilijk maakt: ‘De verlangens tot een ondraaglijk niveau opzwepen en de verwezenlijking ervan steeds onmogelijker maken, dat was het enige principe waarop de westerse samenleving berustte.’ De economie verlangt ook een ‘permanente verheerlijking van de wil en het ik’. Daniel 1 is een man die volledig door zijn seksuele lust en emoties wordt voortgedreven en daardoor de typische afwisseling van korte momenten van genot en eindeloos lange periodes van frustratie kent – kortom het mechanisme van het lijden dat het boeddhisme zo goed heeft geanalyseerd. Emotioneel gezien valt diezelfde man tegelijk ten prooi aan het wellicht iets minder zinnelijke verlangen dat we (mannen én vrouwen) van de romantiek hebben geërfd (iets wat niet expliciet door Houellebecq wordt gethematiseerd): het verlangen naar liefde, liefst de Liefde met de grote ‘L’. Ook hier botst Daniel 1 op tegen de muur van realiteit en onmogelijkheid, zonder het verlangen naar liefde op te geven. Tekenend is dat hij ook nadat zijn vriendin hem heeft verlaten ‘tegen alle feiten in, diep vanbinnen toch nog altijd in de liefde bleef geloven’. Het resultaat is een triest drama van vallen en opstaan, van hoop en wanhoop, van extase en frustratie – kortom: het drama van de hedendaagse mens volgens Houellebecq. Tegenover dit deprimerende schouwspel, door de auteur weergegeven in het harde, kille licht van zijn neonlampenstijl, plaatst Houellebecq de toekomstige mensen (zoals Daniel 24 en 25): ‘Het leven van de mensen (…) werd volledig gedomineerd door het lijden, met korte momenten van genot (…). Het leven van de nieuwe mensen heette bedaard en verstandelijk te zijn, ver verwijderd van zowel genot als lijden.’ Het is een kalm, contemplatief leven. Is een dergelijk leven niet de droom geweest van veel filosofen en religieuzen, die de redelijkheid van de mens als het hoogste goed begrepen? Toch is er hier een verschil. Ten eerste wordt het doel van de menselijke vrijheid opgegeven. Verstandelijkheid wordt losgekoppeld van vrijheid (Kant zou zich omdraaien in zijn graf ). Menselijk gedrag, zo laat Houellebecq met veel humor de nieuwe mensen schrijven, moet even voorspelbaar worden ‘als de werking van een koelkast’, waarbij ze zich laten inspireren door ‘de gebruiksaanwijzing van huishoudelijke apparaten van gemiddelde omvang en complexiteit, in het bijzonder die van de videorecorder jvc hr-dv3s/ms’. Alles moet bij voorbaat vastliggen, zoals bij een machine. Ten tweede is er een verschil in de methode die gebruikt wordt om het bedaarde, verstandelijke leven te bereiken. In plaats van de traditionele psychologische disciplineringtechnieken en de zelfdisciplineringtechnieken die ons door de boeddhistische, Griekse en christelijke traditie worden aangereikt (we moeten hier zeker denken aan het werk van Schopenhauer, Nietzsche en Foucault – slechts de eerste wordt door Houellebecq genoemd) is er gekozen voor de technologische verandering van de natuur van de mens zelf, onder meer door genetical engineering. Het gaat om een kunstmatige synthese van de volwassen mens, vertrekkende van het DNA. Deze technologie wordt wel gecombineerd met asceseoefeningen aangereikt door de Opperzuster (de religieuze connotatie is uiteraard niet willekeurig). Hier bestaat dus nog wel een band met de traditie: Houellebecq verwijst bijvoorbeeld expliciet naar het boeddhisme en zijn oefeningen. Maar bij de nieuwe mens is de begeerte al grotendeels verdwenen en hij lijkt geen behoefte te voelen aan lichamelijke aanraking of seksuele bevrediging door anderen (enkel masturbatie wordt aangeleerd). Was de oorspronkelijke functie van de seksualiteit al bijna niet meer ‘actief’ in de vroegere tijd door de loskoppeling van seksualiteit en voortplanting, dan is deze in de toekomstige tijd niet meer nodig. Er worden immers klonen gemaakt van volwassen mensen, waarmee meteen de lasten (maar ook de lusten) van de opvoeding worden vermeden. En ook de ouderdom hoeft niet meer, want die willen we niet: ‘vanaf een bepaalde leeftijd wordt het leven administratief – vooral.’

Analyse van samenlevingsbeelden
Wat de samenleving betreft komt in het boek de spanning tussen individu en samenleving ter sprake, de basisvraag van de sociale filosofie en gerelateerd aan de levensfilosofische vraag. Is het überhaupt mogelijk voor mensen om (goed) met elkaar sámen te leven? Als we de wereld van Daniel 1 bekijken, dan is het antwoord op deze vraag zonder meer negatief. Hel zijn de anderen, zoals de personages van Sartre ondervonden in Huis-clos, en Houellebecq gaat verder in die denkrichting, waarin Hegels meester-slaafdialectiek wordt geïnterpreteerd als wijzend op de onmogelijkheid van de intersubjectiviteit: we kunnen elkaar nooit als subject tegemoet treden, maar worden steeds door de andere tot object gemaakt. Zo vergaat het zeker de vrouwen die Daniel 1 ontmoet, maar ook hijzelf wordt door de anderen geobjectiveerd. Er zijn alleen nog lichamen, het is een feest waar genoten wordt maar waar geen vreugde heerst. Samen met zijn dromen over liefde wordt de mens zelf gedumpt. Daarbij komt ook nog een kloof tussen jongeren en ouderen. Aangezien de hedendaagse cultuur de jeugd vooropstelt – de jonge consument en de jonge seksueel actieve mens – komt de oude mens een stukje lager op de ladder te staan. Die consumeert immers wel goed, maar heeft heel wat minder seksueel kapitaal (vgl. Bourdieus notie cultureel kapitaal). Zoekend naar liefde en angstig voor de dood vindt de oudere zijn plaats niet meer op de kermissen van lust zonder bezieling.

De nieuwe mens pakt het anders aan. Hij sluit de hoerentent die de westerse samenleving geworden was en breekt meteen ook het samenleven zelf af. Eerst moet de bevolking drastisch inkrimpen, want de bevolkingsdichtheid wordt gezien als een barrière voor de oplossing van alle menselijke problemen. Daarnaast wordt fysiek contact tussen mensen afgeschaft. Er is ‘radicale individuele scheiding’, het sociale verkeer heeft zijn tijd gehad. Iedereen zit in zijn eigen ‘compound’, een soort gated community zonder gemeenschap, dat wil zeggen met slechts één individu erin. Veiligheid primeert. Terwijl buiten de verwilderde ‘oude’ mensen zich aan geweld te buiten gaan, is er binnen de omheining een oase van innerlijke rust. Angst als emotie is totaal afwezig en angst voor de dood is onnodig omdat de nieuwe mens telkens opnieuw gekloond wordt. In die zin is hij onsterfelijk geworden. Toch vallen wel enkele belangrijke restanten van het vroegere menselijk leven op.

Ten eerste wordt de continuïteit tussen de identiteit van de opeenvolgende klonen in stand gehouden door het actief schrijven van een levensverhaal en het lezen en becommentariëren van de voorgaande levensverhalen. Identiteit wordt dus narratief begrepen, en opnieuw zijn toch nog oefeningen nodig om deze in stand te houden en zelfs vorm te geven. Is Houellebecq daarbij een volgeling van de late Foucault, wiens aandacht van disciplineringtechnieken verschoof naar de zogenaamde ‘technieken van het zelf’? In elk geval lijkt hij aan te sluiten bij de gekende opvatting dat we onszelf gestalte moeten geven, dat we allemaal levenskunstenaars moeten worden en ‘aan onszelf moeten werken’. Houellebecqs nieuwe mens geeft aan die oproep gehoor: door te leren van hoe het vroegere ‘generaties’ is vergaan, probeert hij op een goede manier te leven. Door de biografie naar voren te schuiven als een techniek van het zelf verlaat Houellebecq wel de traditionele nadruk op literaire fictie en dan vooral de roman, zoals die bijvoorbeeld bij Martha Nussbaum te vinden is. Ook interessant met betrekking tot het levensverhaal is dat de nieuwe mensen geen chronologische volgorde aan hoeven houden: ‘waar het om gaat is dat geleidelijk aan het geheel weer tevoorschijn komt’. Ik neem aan dat Houellebecq daar het leven als geheel mee bedoelt: de gehele identiteit van die persoon volgens deze identiteitsopvatting.

Ten tweede, en daarmee keren we terug naar het vraagstuk rond technologie en haar invloed op ons bestaan, betekent de afwezigheid van lichamelijk contact in Houellebecqs verhaal nog niet de afwezigheid van elk menselijk contact. Er is immers nog de mogelijkheid om via een scherm met anderen te communiceren, al heeft die communicatie een vorm die anders is dan we vandaag gewoon zijn. Dat doet erg denken aan de vele manieren van elektronische communicatie die vandaag al mogelijk en gebruikelijk zijn, zoals chatten en virtuele ontmoetingen via internet. Het is niet duidelijk in het boek waarom deze mogelijkheid wel wordt gelaten, maar het brengt de nieuwe samenleving een stuk dichter bij onze hedendaagse samenleving en de bijbehorende ethische en sociale problematiek. Bijvoorbeeld: enerzijds is er de bezorgdheid dat elektronisch contact het ‘echte’ contact tussen mensen geheel zou gaan vervangen, anderzijds blijkt dit toch niet te gebeuren en hebben deze nieuwe communicatievormen ook heel wat sociale aspecten.

Ten derde is er in Houellebecqs toekomst nog steeds sociale ongelijkheid. Deze wordt echter niet meer gebaseerd op nurture en nature, zoals vandaag het geval is (je genen en je opvoeding bepalen voor een stuk je sociale positie), maar enkel op nature. De genetisch verbeterde nieuwe mensen domineren de ‘wilden’ (d.w.z. de oude mensen). Bovendien blijft ook binnen deze ‘wilde’ gemeenschappen een bepaalde cultuur bestaan, die onder meer sociale ongelijkheid bevordert op basis van fysieke en seksuele kracht. Binnen de nongemeenschap van nieuwe mensen (of toch ‘gemeenschap’ want elektronisch verbonden?) is er echter wel een zekere gelijkheid of wordt tenminste een deel van het probleem vermeden door de afschaffing van fysiek samenleven. Dat is een ander scenario dan bijvoorbeeld dat van de film Gattaca, waar sociale ongelijkheid bestaat op basis van genetische verschillen. In Mogelijkheid van een eiland maken de nieuwe mensen zich daar blijkbaar niet druk om.

Het poëtische oordeel. Het nostalgische humanisme van Houellebecq
Toekomstethiek houdt niet op bij een beschrijving van levensmogelijkheden, ook al is dat noodzakelijk als eerste stap. De volgende stap is een evaluatie. Wat is uiteindelijk het ‘poëtische oordeel’ – waarmee ik bedoel: het oordeel dat door het verhaal zelf wordt gesuggereerd?

In het boek wordt het hedendaagse hedonisme duidelijk negatief gewaardeerd, zoals bovenstaande analyse voldoende aantoont. Maar in tegenstelling tot wat een oppervlakkige lezing zou kunnen suggereren toont Houellebecq in dit boek niet enkel problemen, hij verkent ook oplossingen. Toegegeven, een goede maatschappijkritiek en ethiek zouden een minder éénzijdige kijk op de huidige mens en maatschappij moeten formuleren en meer scenario’s moeten onderzoeken. Een academicus zal dat uiteraard moeten doen op een meer systematische manier. Zo lijkt het in het boek alsof er geen tussenweg is tussen ascese en hedonisme, of tussen volledige isolatie en voortdurend samenzijn (de hel van Sartre). En wellicht staan we er niet zo slecht voor als het boek suggereert. Maar Houellebecq legt wel de vinger op de wonde van het westerse hedonisme.

Wat is de oplossing die voor dit probleem wordt aangereikt? De traditionele ascesetechnieken worden blijkbaar niet als een realistische optie gezien voor de hedendaagse ‘bevrijde’ en toch al te verslaafde mens; het lijkt erop dat deze weg in een op lust en consumptie gerichte samenleving te moeilijk is. Maar wat met het toekomstscenario dat de schrijver schetst? Dat krijgt eerst veel krediet, want in zekere zin verwezenlijkt de toekomstige mens hierin eindelijk de filosofische droom van pure redelijkheid en innerlijke rust, en wel door de mens en de samenleving radicaal te veranderen. Het determinisme en de bijbehorende aanvaardingsethiek van Spinoza worden technologische verwezenlijkt, met bijkomende ondersteuning door de oefeningen van de Opperzuster. Maar deze afwijzing van de mens-zoals-hij-is, met zijn vrijheid en zijn passies, moet in het verhaal uiteindelijk toch de duimen leggen voor een optimistischere kijk op de bestaande mens en het al te menselijke. Eigenlijk vertelt Houellebecq ons dat het altijd willen verbeteren van de mens – zoals voorgestaan door traditionele filosofen, religieuzen en opvoeders, maar ook door de huidige technologiegoeroes – de ware misantropie is; in plaats daarvan omarmen we beter de mens zoals hij is, de al te menselijke mens. Het boek kan gelezen worden als een waarschuwing: als we technologie gebruiken om de mens te veranderen, moeten we oppassen dat we daar geen te hoge prijs voor betalen, namelijk het verlies van het menselijke zelf.

Laat me deze conclusie ondersteunen door terug te keren naar het verhaal. Op het einde kiezen sommige nieuwe mensen ervoor om weer mens te worden. De nieuwe mensen worden immers overvallen door ‘dodelijke apathie’, waardoor Daniel 1, de mens, uiteindelijk wordt benijd. Marie 23, bijvoorbeeld, wil intenser leven en besluit te deserteren. Men heeft zowaar heimwee naar de mens. Dan gaat het bij Houellebecq dikwijls over de menselijke ervaring van seks, in het bijzonder penetratie en orgasme – en de daarmee gepaard gaande ‘metamorfose van zijn fysieke wezen’, ‘alsof hij naar een andere wereld werd vervoerd’. Maar het gaat ook over de liefde, die volgens de schrijver trouwens niet kan zonder de lichamelijke liefde en die een centrale rol speelt in het leven van de mens: ‘Liefde lijkt voor de mensen van de laatste periode het summum en het onmogelijke te zijn geweest, het gemis en de genade, het brandpunt waarin alle leed en alle vreugde konden samenvallen.’ Liefde gaat dus samen met leed: Houellebecq beschrijft de liefde in termen van wederzijdse verdrukking, marteling en dood – dat laatste vooral door een gebrek aan liefde, als we die überhaupt ooit hebben leren kennen. Hij ziet onvoorwaardelijke liefde als de mogelijkheidsvoorwaarde voor geluk, maar heeft geen illusies omtrent het bestaan daarvan: ‘Geluk was geen mogelijke horizon.’ Algemeen gaat de terugkeer van het menselijke gepaard met het opnieuw opduiken van allerlei menselijke emotionele en existentiële problemen. De boodschap lijkt te zijn dat bij de mens de mogelijkheid tot vreugde en de mogelijkheid tot leed aan elkaar gekoppeld zijn. Een nieuwe mens zegt nog in het begin van het boek: ‘de vreugde van de mens blijft voor ons onkenbaar, en omgekeerd kunnen we niet door zijn ellende uiteen worden gereten.’ Met hun desertie uit de rustige, perfect geregelde non-samenleving zullen enkele nieuwe mensen die ellende geleidelijk weer leren kennen, maar ook de vreugde. Het menselijke leven is tenminste ‘echt’. Mensen kunnen lachen en huilen, zijn in staat tot humor en compassie. En er is de mogelijkheid – en onvermijdelijkheid – om te dromen. Dromen van een ‘hypothetische gemeenschap’ en van een eiland van tijdloze en eindeloze ‘liefde, geluk zonder streven’. Daarom is dit boek niet minder dan een loflied op de mens.