Home Klassieke Oudheid Historisch Profiel Socrates: Zonder verwondering regeert al snel het vooroordeel
Klassieke Oudheid

Historisch Profiel Socrates: Zonder verwondering regeert al snel het vooroordeel

Door Sophie van Balen op 21 juni 2016

Historisch Profiel Socrates: Zonder verwondering regeert al snel het vooroordeel
07-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Uiteindelijk leidde het tot de dood van Socrates: zijn verwondering, die hem aanzette tot een zoektocht naar waarheid – een onwelkome waarheid.

Socrates praat recht wat krom is.’ Aan het woord is Socrates, en hij praat over zichzelf. De locatie: onbekend, misschien op een plein. Hij memoreert tegenover een jury hoe sommige Atheners over hem praten. Ze spreken kwaad over hem. Hij zou de jeugd corrumperen met zijn retorische trucjes en blasfemie. Uiteindelijk komt het tot een aanklacht, en een proces.

Vijfentwintig eeuwen later staat Socrates symbool voor precies het tegenovergestelde. Geen kromprater, maar juist een mens die staat voor de waarheid – ook als hij wordt bedreigd. De filosoof die vooroordelen en pseudokennis ontmaskert, en bereid is daarvoor een hoge prijs te betalen. De zoektocht naar waarheid en kennis krijgt met Socrates ook een morele betekenis. Ook al is de kennis die je opdoet in tegenspraak met geldende normen of de opvattingen van de heersende macht, je spreekt je uit. En er hoort een esthetische soberheid bij, wars van uiterlijk vertoon. Tijdens het proces spreekt hij de jury blootsvoets toe, gekleed in een tuniek van ruwe stof. Een beroemde redenaar uit die tijd had hem aangeboden om een schitterende verdediging te schrijven, maar hij wimpelt het aanbod af. ‘Mooie kleding past mij niet.’

Socrates is als het ware de schutspatroon van vele filosofen, wetenschappers en andere onderzoekers die vanwege hun zoektocht naar kennis en waarheid veel hebben opgegeven. Macht, roem en uiterlijk vertoon, maar bovenal veiligheid van lijf en leden. De waarheid is niet altijd gewenst, en zij die ernaar zoeken zijn door de eeuwen heen bedreigd, vervolgd, veroordeeld en soms zelfs vermoord. Het fascinerende is dat die zoektocht naar waarheid, die snel zo groots kan lijken, volgens Socrates juist heel klein begint. Met datgene wat een kind zelfs al doet, namelijk verwondering. Zonder oprechte verwondering voor de wereld om ons heen, regeert al snel het vooroordeel.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Marktplein

De plaats waar de zoektocht naar waarheid van Socrates (469–399 v.Chr.) zich afspeelt, is vooral de agora, het marktplein. De agora is in de Griekse stadsstaten het centrum van activiteit; de belangrijkste gebouwen zijn hier te vinden, maar ook markten en feesten nemen het marktplein als toneel. De agora vormt het middelpunt van de democratie, en als Atheens burger doe je er goed aan je er regelmatig te laten zien. Zodoende spreekt Socrates hier de bekende sofisten, bestuurders en wijze mannen, maar ook jongeren die aan zijn lippen hingen.

Socrates is absoluut een veeleisende gesprekspartner. De mannen weten Socrates te vertellen wat deugd, wijsheid, schoonheid of kennis is, maar hun opvattingen blijken in gesprek met Socrates niet levensvatbaar. Windeieren noemt Socrates ze. Een deel van Socrates’ gesprekken met de Atheense burgers kennen wij, omdat zijn meest fanatieke en begaafde leerling Plato (427–347 v.Chr.) – die dichter was geweest totdat hij Socrates ontmoette en zijn dichtkunst opgaf om filosoof te worden – ze opschreef. Het is door deze min of meer realistische literaire parels dat wij weten wie Socrates is en waarover hij filosofeert. Plato voert in deze teksten Socrates steevast op als protagonist.

Hoe verliep zo’n gesprek? Een voorbeeld. Vlak voor zijn proces sprak Socrates Theaetetus, een lelijke jongeman, die niet alleen uiterlijk, maar ook qua deugden veel op Socrates zou lijken. Ter sprake komt de vraag naar kennis. Kennis is waarneming, zegt Theaetetus de bewonderde wiskundige Protagoras na. Al pratend komen hij en Socrates tot de stelling dat iets daarom niet groter of kleiner kan worden zonder dat het waarneembaar verandert:

Socrates ‘We nemen zes bikkels. Wanneer je er daar vier naast legt, kunnen we zeggen dat het er meer zijn dan vier, anderhalf keer zoveel. Leg je er twaalf naast, dan zijn het er minder, een half keer zoveel. Een andere bewering is ontoelaatbaar, of laat jij die wel toe?’
Theaetetus ‘Natuurlijk niet.’
Socrates ‘En? Wanneer Protagoras of iemand anders je vraagt: “Theaetetus, kan iets op andere wijze groter of meer worden dan door te groeien?”, wat zou je dan antwoorden?’
Theaetetus ‘Als ik naar mijn gemoed op deze vraag antwoord gaf, Socrates, zou ik zeggen: nee. Maar gelet op de voorgaande vraag – ik wil mezelf niet tegenspreken – zeg ik toch: ja.’

Aan de hand van een simpel voorbeeld weet Socrates zijn gesprekspartner te overtuigen dat kennis niet per definitie waarneming is. Dat wij als lezer niet altijd even overtuigd zijn, neemt de Plato-lezer voor lief. Het is deze methode van weerleggen – die hij evengoed toepaste op de Atheense moraal of godenwereld – die hem niet geliefd maakt, en hem de beschuldiging van krompraten oplevert. Tijdens zijn proces maken de toekijkende burgers zoveel kabaal – ze roepen, stampen en protesteren, en Socrates moet ze meerdere keren tot stilte manen – dat zijn vertoog bijna onverstaanbaar is. Maar Socrates ziet het als zijn door God ingegeven taak om de stedelingen te ergeren. ‘Wanneer jullie mij doden, zullen jullie moeite hebben weer iemand te vinden die in opdracht van God letterlijk – ook al klinkt het belachelijk – als een stekende horzel de stad boven op het lijf zit.’

Dat steken, dat doet Socrates om kennis tot stand te brengen. Hij noemt het in gesprek met Theaetetus ook wel zijn maieutikè technè (vroedvrouwtechniek). Als zoon van een vroedvrouw vergelijkt hij het aanmoedigen, masseren en soms zelfs aanduwen van vrouwen in bevalling met zijn eigen conversationele getouwtrek. ‘Want wat ik ook met verloskundigen gemeen heb is dat uit mij geen wijsheid wordt geboren. Het verwijt dat velen mij al maakten – als zou ik aan anderen vragen stellen, maar zelf wegens gebrek aan kennis nooit ergens antwoord op kunnen geven – is een terecht verwijt.’ Dit zelfbeeld staat lijnrecht tegenover de aanklacht waarmee Socrates binnen afzienbare tijd geconfronteerd zou worden: dat hij de jeugd zou verpesten door valse kennis over te dragen. Maar tot op de dag van zijn proces houdt Socrates vast aan zijn onvermurwbare geloof in zijn eigen intellectuele onvruchtbaarheid.

Orakel van Delphi

Wie de onwrikbaarheid van Socrates beziet, is misschien verrast door wat hij ziet als de unieke filosofische kwaliteit: verwondering. Het Orakel van Delphi noemt Socrates de meest wijze man van Griekenland, juist omdat hij zegt niets te weten. Maar juist door niet te weten – dat wil zeggen, nooit overtuigd te zijn van je eigen kennis – blijf je je verwonderen over de wereld om je heen, en kan kennis verder groeien. Kennis is een zoektocht zonder einde; filosofie is weten te denken, en niet denken te weten.

Verwondering is volgens Socrates een pathos, een emotionele en cognitieve gemoedstoestand, iets wat je overvalt. Pathos heeft de betekenis van ‘voelen’ (denk aan het Nederlandse ‘empathie’: meevoelen), maar het is ook verbonden met de betekenis van ‘lijden’ of ‘verdragen’ – het pathetische. De verwondering is tegelijkertijd een eyeopener én iets wat je de afgrond in duwt. Kennis begint op fundamenteel niveau door alle zekerheden onderuit te halen. Dat drukt zwaar op de filosoof en is een overweldigende ervaring; de jonge Theaetetus, die het overkomt wanneer Socrates hem het voorbeeld van de bikkels voorlegt, zegt ervan te duizelen.

De socratische dialogen van Plato zijn dan ook doorweven met verbaasde uitroepen. ‘Bij de goden, Socrates’, ‘Ik zou het werkelijk niet weten, Socrates’, en: ‘Jazeker, je hebt gelijk, Socrates.’ Deze komen niet alleen van jonge knapen als Theaetetus, maar ook sofisten – retorici die zich in die tijd vaak lieten betalen voor hun eigen kunsten en de natuurlijke vijanden van Socrates – vallen in katzwijm.

Wanneer Socrates stelt dat verwondering het begin van de filosofie is, zien we waarom hij zijn eigen onwetendheid, zijn vruchteloosheid, begrijpt als wijsheid. De filosofie komt voort uit de gemoedstoestand van de filosoof. Verwondering is het archè, het begin van de filosofie, maar ook het archein: het leidende principe. De verwondering leidt de filosofie, of voert haar aan. Socrates’ manier van converseren brengt zijn wederhelft steeds opnieuw in een staat van verwondering. ‘En wie Iris de Hemelbode, het kind van Thaumas, de Verbazing noemde, was kennelijk geen slecht genealoog’, refereert Socrates aan een bekende Griekse mythe. Iris de Hemelbode, bij ons beter bekend als de regenboog, is het kind van Thaumas – de verwondering – en Electra: schijnen of verschijnen. Als een regenboog verschijnt, voelen we ons overvallen door verwondering. De regenboog is de verbinding tussen de hemel en het aardse, en Iris is niet voor niets een boodschapper. Ze vervalt niet in stilte, maar kent juist de gave van het woord om een zoektocht naar waarheid mogelijk te maken. Filosofie is daarom talig, maar taligheid is van begin af aan verbonden met verwondering.

Tenniswedstrijd

De dialogen van Socrates lezen als een tenniswedstrijd. Althans, eentje waarbij Socrates de agressieve netspeler is die de bal telkens terug smasht, tot verbazing van de tegenstander. Socrates heeft een dialectisch begrip van kennis. Dat betekent dat het heen-en-weren op zichzelf de vorm van kennis is. We lezen een gesprek waarin argumenten en tegenargumenten worden afgewisseld en komen tot een dieper inzicht. ‘Wanneer je iets groot of zwaar noemt, kan het ook als klein of licht ervaren worden enzovoort. Want niets is alleen dat éne, valt alleen onder één bepaalde term of één bepaalde karakteristiek. Uit de verplaatsing, de beweging, de onderlinge vermenging wordt alles wat in onze woorden is.’ Betekenis komt voort uit de dialectische beweging – vraag en wedervraag – en staat dus niet vast, maar ontstaat. Heel beschaafd, zou je zeggen, maar bij Socrates betekent het vaak dat hij zijn tegenstander volledig onderuithaalt, zijn intelligentie schoffeert en hem de meest denigrerende complimenten geeft. Socrates’ ongemanierde vragenvuur moest het gesprek op een hoger plan tillen. Het is geen betweterij. Juist een goede dialectiek zwiept je eerst op de grond, waarbij je een moment verwonderd en verbaasd achterblijft – en vervolgens kom je verder. Het ene kan niet zonder het andere: geboren worden is een pijnlijk proces.

Socrates laat bovendien met zijn dialectiek zien dat de waarneembare wereld ons op het verkeerde been kan zetten. Waarheid is geen uiterlijke schijn, maar introspectie. Wijsheid is niet een beweging vooruit – iets bijleren –, maar een beweging achteruit – herinneren of anamnese. Wat we ons moeten herinneren ligt al ergens in onze ziel besloten – onze ziel die steeds opnieuw geboren wordt in lichamen die hun kennis ‘vergeten’.

‘Wanneer’, vroeg Socrates, ‘krijgt de ziel dan vat op de waarheid? Want als ze samen met het lichaam probeert iets te onderzoeken, wordt zij er kennelijk volkomen door bedrogen.’
‘Dat is zo.’
‘Als het haar ergens mee lukt om iets van de werkelijkheid te achterhalen, moet dat met het denken zijn, nietwaar?’
Socrates’ jonge leerling Plato zou later dankbaar gebruikmaken van het idee dat we met het denken tot een hogere waarheid kunnen komen. Zijn zogeheten Ideeënleer is hier zelfs zo mee in overeenstemming dat we ons moeten afvragen welke uitspraken echt van de historische Socrates komen en welke Plato zijn grote voorbeeld in de mond legt.

Ook zien we hier opnieuw de rol die verwondering speelt. Elke dialoog eindigt zonder dat Socrates en zijn opponent tot een verlossend antwoord komen. We weten uiteindelijk nooit helemaal wat deugd, kennis of schoonheid is. De verwondering blijft ons verder leiden.

Doodstraf

De overlevering draait ons overigens een loer: als we kijken naar Socrates’ uitspraken over verwondering, dan zijn dit er in een conservatieve telling één en in een milde telling twee. Toch kennen we Socrates als de filosoof van de verwondering. Maar misschien is dat het geheim van verwondering: ze is geen vaststaand fenomeen, maar als leidend principe bepaalt ze de methode. Minder verbazingwekkend is Socrates’ veroordeling: hij krijgt de doodstraf. Na een speech waarin hij persoonlijke beledigingen niet schuwt – deze redevoering kennen wij als de Apologie, maar het is de vraag in hoeverre deze titel de inhoud recht doet – besluit Socrates dat hij echt niks verkeerd doet. ‘Ik heb mezelf en het orakel geantwoord dat ik er baat bij heb te blijven wie ik ben.’

Aan de vooravond van zijn sterven bezoekt zijn goede vriend Kriton hem. Kriton is naar de grot waarin Socrates gevangenzit gekomen om hem over te halen te ontsnappen 
en te vluchten. Hij heeft de bewaker al omgekocht. Bovendien maakt het de leiders niet veel uit, denkt hij – zolang Socrates maar verdwijnt. Socrates weigert. Zijn leven en denken waren één. Hij kon niet vluchten, omdat hij daarmee de Wetten die hem hebben voortgebracht en opgevoed als burger van Athene onrecht zou aandoen. Al hadden de rechters gefaald, Socrates kan niet zijn trouw aan de Wetten zélf, aan Athene zelf, breken. Niet het leven zelf, zegt Socrates, maar het goede leven is dat waaraan we belang moeten hechten. Kriton kan weinig anders dan toegeven.

In de laatste gesprekken aan zijn sterfbed, in de grot waar hij al een tijdje opgesloten zit, oogst Socrates nog de grootste bewondering. Zijn vrienden zijn gekomen om hem bij te staan of wellicht om te praten, maar in plaats daarvan stuurt Socrates zijn huilende vrouw weg en vertelt hij waarom hij vol goede moed de dood tegemoet treedt. Als filosoof heeft hij zijn hele leven de waarheid begeerd; hij heeft geprobeerd voorbij te gaan aan de beperkingen van de waarneming, die ons uiteindelijk bindt aan een materiële wereld. Hij zal daarmee ook zijn eigen materie – zijn lichaam – moeten afleggen. Want wanneer het uitgesloten is zuivere kennis op te doen met het lichaam erbij, zijn er slechts twee mogelijkheden: óf die kennis is in het geheel niet te verwerven, óf pas na je dood.

Ook op het einde blijft de verwondering intact. We weten niet of we na de dood toegang hebben tot zuivere kennis. De filosoof is principieel agnost. Maar we laten ons graag verrassen. In een laatste dialectische stap gaat Socrates het onbekende tegemoet. ‘Want bang zijn voor de dood, mannen, komt neer op denken dat je wijs bent zonder het te zijn. Het is denken iets te weten, hoewel je het niet weet.’