Home Historisch profiel: Comenius over het innerlijk licht in de mens

Historisch profiel: Comenius over het innerlijk licht in de mens

Door Jan Dirk Snel op 23 september 2015

Cover van 10-2015
10-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

De Moravische filosoof en pedagoog Comenius streefde naar universele verlichting van de menselijke geest. Daarvoor vond hij inspiratie in het zeventiende-eeuwse Amsterdam. 
 

In juni 1642 ging Jan Amos Comenius langs bij René Descartes, die op het kasteeltje Endegeest in Oegstgeest woonde. Het initiatief voor de ontmoeting kwam van Comenius’ gastheer Adriaan Heereboord, buitengewoon hoogleraar redeneerkunde aan de Leidse universiteit en een goede vriend van Descartes. Het werd een vriendelijk gesprek dat een uur of vier duurde, maar veel bijzonders leverde het niet op. Daarvoor waren de verschillen te groot.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Comenius en Descartes waren vrijwel leeftijdsgenoten. Comenius was in 1592 geboren in het Moravische dorpje Nivnice. Descartes zag vier jaar later het levenslicht in het Franse plaatsje La Haye en Touraine. Wat de twee niet konden weten, was dat Descartes al acht jaar later, in 1650, zou overlijden, op 53-jarige leeftijd in Zweden. En dat Comenius hem nog twintig jaar zou overleven en pas in 1670 de laatste adem zou uitblazen, in Amsterdam, op de gezegende leeftijd van 78 jaar. Comenius was in 1642 overigens op doorreis van Engeland, waar hij negen maanden was geweest om adviezen op het gebied van onderwijs en wetenschap te geven, naar Zweden, waar hij onder meer koningin Christina zou ontmoeten. Terwijl de jonge vorstin er later wel in slaagde Descartes naar Zweden te halen, sloeg Come-
nius een verzoek zich daar te vestigen af.
 
Comenius memoreerde later hoe Descartes probeerde hem ‘de geheimen van zijn filosofie uit te leggen’. Hij vond diens aanpak echter te beperkt: ‘Van mijn kant verdedigde ik mijn overtuiging dat alle menselijke kennis die uitsluitend door denken en beschouwen wordt verkregen, onvolkomen en gebrekkig is.’ Comenius moedigde Descartes aan de beginselen van zijn wijsbegeerte openbaar te maken, en inderdaad volgde spoedig ﷯de publicatie van de Principia philosophiae (1644). Descartes drong er bij zijn gast op aan haast te maken met zijn werk: ‘Ik treed niet buiten het terrein van de filosofie. Mijn werk betreft slechts een deel van het geheel dat in uw werk aan de orde is.’
 

Vervolging

Descartes probeerde zich uiteraard zo beleefd mogelijk uit te drukken, maar zijn typering was wel raak. Descartes was filosoof, Comenius pansoof. Descartes zette alles op de ene kaart van de rede, Comenius wilde alle menselijke capaciteiten ten volle benutten. Descartes begon bij de fundamentele twijfel, Comenius ging uit van een basaal vertrouwen. Descartes’ levenshouding was afstandelijk, die van Comenius geëngageerd. Descartes was een expat, die een land verkoos waar hij ongehinderd kon werken, Comenius leefde al twintig jaar als vluchteling buiten zijn geboortegrond.
 
Comenius’ leven werd bepaald door de slag bij de Witte Berg bij Praag op 8 november 1620, toen troepen van de Katholieke Liga het leger van de calvinistische Boheemse ‘winterkoning’ Frederik V versloegen. Het was het begin van de vervolging van protestanten in Bohemen en Moravië. In 1622 moest de dertigjarige Comenius Fulnek, waar hij predikant en rector van de Latijnse school was, ontvluchten. Spaanse en Italiaanse troepen plunderden de stad en op de markt staken ze de boeken in de fik die Comenius had moeten achterlaten. Het is niet duidelijk of Descartes echt bij de slag bij de Witte Berg betrokken was – waarschijnlijk niet – maar hij was op dat moment wel huurling in het leger van de deelnemende katholieke hertog Maximiliaan van Beieren. Daarvoor had hij trouwens aan protestantse kant gediend, in het leger van prins Maurits.
 
Zo veel vrijblijvendheid kon Comenius zich niet veroorloven. Hij maakte vanaf zijn geboorte deel uit van de Unitas Fratrum (Broedergemeenschap), volgelingen van Jan Hus die al sinds de vijftiende eeuw, vele decennia voor Luther, een eigen protestants kerkgenootschap vormden. Jan Komenský had theologie gestudeerd aan calvinistische faculteiten in Herborn – gesticht door Jan van Nassau, de broer van Willem van Oranje en initiatiefnemer van de Unie van Utrecht, wiens standbeeld op het Domplein staat – en Heidelberg. Zijn hele leven zou hij zich als onafhankelijk theoloog bewegen in een brede Europese protestantse cultuur. 
 

Droefenis

Descartes had met zijn vernieuwende ideeën aardig wat aandacht weten te trekken, maar destijds was Comenius in veel bredere kring bekend. Hij had al heel wat geschriften op zijn naam staan, over sociale gerechtigheid bijvoorbeeld (Brieven naar de hemel), of over de trieste lotgevallen van hem en zijn medegelovigen (Droefenis na droefenis, troost na troost), maar het beroemdst was hij vanwege zijn vele leerboeken en didactische en pedagogische geschriften. In Leiden vernam hij dat zijn introductie tot het Latijn, Janua linguarum reserata (De deur der talen ontsloten), inmiddels ook in het Arabisch, Perzisch en Mongools was vertaald.
Het is welhaast onbegrijpelijk hoe Comenius er ondanks alle droeve lotgevallen in slaagde een oeuvre van tientallen titels, duizenden bladzijden, bij elkaar te pennen. Nadat hij zich enkele jaren had schuilgehouden op een kasteel in Bohemen, woonde hij tussen 1628 en 1656 tijdens drie perioden in het Poolse Leszno. Maar tussendoor werkte hij ook in het onder Zweeds bewind staande Oost-Pruisische Elbing en het Hongaarse Sárospatak. In 1656 raakte hij voor de tweede keer alles kwijt toen Poolse katholieke troepen Leszno innamen. Het persklare manuscript van een woordenboek van de Boheemse taal (Tsjechisch dus), waar hij veertig jaar aan gewerkt had, ging verloren.
 
Met zijn derde vrouw vestigde de 64-jarige Comenius zich in 1656 in Amsterdam. Twee echtgenotes en de kinderen uit zijn eerste huwelijk had hij verloren. Hij werd opgevangen en financieel ondersteund door de zakenman Laurens de Geer, woonachtig in het Huis met de Hoofden op de Prinsengracht. Diens vader Lodewijk was eerder zijn mecenas geweest. De steenrijke familie De Geer bezat ijzergieterijen in Zweden, produceerde wapens en handelde op Afrika. Ook het stadsbestuur bood Comenius enige steun, maar een buitengewoon hoogleraarschap aan het Athenaeum Illustre weigerde hij. Hij had nog veel te doen. Wel leidde hij jongeren op aan een eigen Latijnse school en droeg hij de zorg voor de drukkerij van de verspreide Broedergemeenschap, waarvan hij sinds 1648 bisschop was.
 

Pansofie

In zijn woning aan de Egelantiersgracht in de Jordaan werkte de geleerde zijn ideeën verder uit. Binnen een jaar verschenen de ruim duizend bladzijden van de Opera didactica omnia. Daarna ging Comenius verder met zijn grote pansofische project. Dé vraag voor de pedagoog is: wat moet je mensen leren? Comenius’ antwoord luidde: omnibus omnia omnino – je moet aan alle mensen alle dingen onderwijzen en wel geheel en al. Comenius was een voorstander van levenslang leren. Hij schreef ook een boek over de moederschoot als leerschool. En de school moest een kwestie van spelen zijn. Comenius was tegen stampwerk, waarbij kinderen dingen memoriseerden die ze niet begrepen. Hij maakte veelvuldig gebruik van plaatjes met daarbij teksten in de moedertaal – Tsjechisch, Duits, et cetera – en Latijn, zodat kinderen van de dingen naar de woorden konden gaan en omgekeerd. Het stripboek was het beste leerboek.
 
Vol overgave werkte hij aan de Consultatio Catholica oftewel Algemeen beraad over de verbetering der menselijke dingen. Pas in 1966 zou het werk in Praag volledig gepubliceerd worden, maar onderdelen verschenen wel tijdens zijn leven. De titels van de zeven delen beginnen alle met het voorvoegsel ‘pan’, dat staat voor het streven het geheel te omvatten – en daarmee dacht Comenius ook aan gerichtheid op God, die immers de volmaaktheid in zichzelf is.
 
Comenius begon met de oproep tot een universeel reveil. Wetenschap, kerk en staat moesten uit hun verdorvenheid opgericht worden. Dat was waar mensen naar verlangden. Vervolgens ging het om universele verlichting van het menselijk verstand, waarvoor God drie lichtbronnen schonk: de wereld als werkplaats van Gods eeuwige wijsheid, de menselijke geest en het Woord van God, de Heilige Schrift. De metafoor van het licht speelde een prominente rol in Comenius’ denken. De uiterlijke wereld en het innerlijk van de mens waren als macrokosmos en microkosmos op elkaar betrokken en waren onderdeel van dezelfde harmonie. Zoals God in de zichtbare wereld eeuwig licht had geschapen, kon de mens ook over een innerlijk licht beschikken.
 

Verlichting

Terwijl gereformeerde theologen traditioneel twee kenbronnen hanteerden, de Heilige Schrift en het boek der natuur, voegde Comenius daar een derde aan toe: de menselijke geest. Vandaar ook dat Comenius grote belangstelling had voor profeten uit zijn Midden-Europese omgeving als Christoph Kotter, Christina Poniatowska en Nikolaus Drabík. God was volgens hem nooit opgehouden rechtstreeks tot mensen te spreken.
 
De wijze waarop wij het begrip Verlichting tegenwoordig gebruiken, als aanduiding voor een cultuurperiode die sterk vertrouwen stelde in de rede, zou Comenius veel te smal gevonden hebben, zoals al bleek uit zijn bedenkingen bij Descartes. Hij vond de menselijke rede een mooi ding, maar er was zoveel meer. Je moest uitgaan van de hele mens, ook van het menselijk gemoed, het gevoel, en vooral ook de zintuigen. En je kon niet bij analyse blijven staan. Ook niet bij synthese trouwens. Je moest bovenal de synkritische methode hanteren. Dat wilde zeggen dat je heel verschillende dingen of werkelijkheidsgebieden met elkaar vergeleek, zodat je tot dieper inzicht in de samenhang van de gehele werkelijkheid kon komen. Kortom, Comenius gebruikte ‘Verlichting’ nog in een veel bredere zin: die kwam wel van de rede, maar ook van de Heilige Geest en uit de natuur. En licht impliceerde ook altijd morele strijd tegen de duisternis.
 
Het derde deel ging over de universele wijsheid. Comenius onderscheidde acht werelden: de mogelijke wereld, de oerbeeldwereld, de wereld der engelen, de wereld der natuur, de wereld van de menselijke werkzaamheid, de zedelijke wereld, de geestelijke wereld en ten slotte als achtste de eeuwige wereld. Ware wijsheid bestond erin alle kennis onderling te verbinden. Comenius had al eens een inleiding in de natuurkunde geschreven. Kennis van de natuur stond in directe samenhang met kennis van de cultuur en de ethiek. Wie de dingen doorzag, begreep immers ook beter ﷯waartoe ze dienden en hoe de mens ermee moest omgaan.
 

Utopie

De Consultatio Catholica vervolgde met de universele vorming, de taalleer, de hervorming en de vermaning. Comenius had een wereldwijd samenwerkingsproject op het oog: een consultatio catholica, het algemene overleg uit de titel. Hij droomde van een soort Verenigde Naties en Wereldraad van Kerken bij elkaar: een (profetisch) College van het Licht (van geleerden), een (priesterlijk) Consistorie van de Heiligheid en een (koninklijke) Rechtbank van de Vrede, met zetels in alle werelddelen en een hoofdzetel in Londen. Dergelijke idealen hadden trekken van een utopie, waarbij wijzen uiteraard ook moest uitmaken wat waardevolle boeken waren.
 
Mogelijk maakt dit allemaal een wat ‘zweverige’ indruk. Dat kan kloppen. Comenius putte niet alleen uit antieke en christelijke bronnen, de bekendste twee westerse tradities, maar ook uit een derde, meer esoterische stroming, die aansloot bij het Corpus Hermeticum, dat oeroude Egyptische wijsheid van Hermes Trismegistus zou bevatten (maar in de eerste eeuwen na Christus geschreven was) en in de vijftiende eeuw door de neoplatonist Marsilio Ficino vertaald was. De opvattingen van de alchemist Paracelsus en de ziener Jacob Boehme, van de Rozenkruisers en Johan Valentijn Andreae, Comenius nam ze allemaal mee, al moest hij van magie niets hebben.
 
‘Alles geschiede zonder dwang. Geweld zij verre van ons’, luidde Comenius’ motto, wiens leven door grootschalig geweld werd vergald. En toch bleef hij een optimist, met grote verwachtingen omtrent de verbeterbaarheid van de mens. Wonderlijk genoeg sloot hij daarmee juist aan bij zijn calvinistische leermeesters. In Herborn had Johann Heinrich Alsted hem overtuigd van de oorspronkelijke harmonie in de wereld, tussen mens, God, kosmos, natuur, kunsten en wetenschappen. Alsted had zelf een encyclopedisch werk in zeven delen geschreven, een omvattend overzicht der menselijke kennis en vooruitgang.
 
Evenals Alsted geloofde Comenius dat het duizendjarige vredesrijk, waarin Christus (volgens Openbaring 20) de aarde regeerde, op het punt van aanbreken stond, of misschien al aangebroken was. Het zou een bloeitijd van vrede en vooruitgang zijn en de mens kon daaraan meewerken. Vandaar dat de oude Comenius in 1667 nog naar Breda reisde met zijn Angelus pacis, om Nederlandse en Engelse onderhandelaars aan het verstand te brengen dat het geen pas gaf dat christelijke naties vanwege handelsbelangen oorlog tegen elkaar voerden.
 

Amsterdam

In 1656 vluchtte Comenius eerst naar Hamburg. Wat moest hij? Naar Engeland of Zweden? Zich ergens in Duitsland vestigen? Toen kwam de uitnodiging uit Amsterdam. De stad bood relatief veel geestelijke ruimte. Veel originele geesten vestigden zich er. Maar voor Comenius was dat geen nieuwe ervaring. Het was een voorzetting van de wereld waarin hij opgegroeid was en waaraan de Dertigjarige Oorlog en de Habsburgse en Poolse Contrareformatie hardhandig een einde maakten. Bohemen, Moravië, Silezië, Polen, Litouwen, Zevenburgen en andere gebieden in Midden-Europa hadden anderhalve eeuw een tolerante cultuur gekend, waarin allerlei stromingen vreedzaam naast elkaar bestonden.
 
Ook lutheranen, calvinisten, socinianen en joden vluchtten naar Amsterdam. Kort nadat Comenius overleed, werden in de nieuwe oostelijke stadsuitbreiding twee grote synagogen geopend, een Hoogduitse en een Portugese. Autochtone dissidenten als katholieken en doopsgezinden mochten van het stadsbestuur wel samenkomen, zolang ze dat maar discreet deden, maar immigranten als lutheranen, joden en Armeniërs mochten hun kerkgebouwen openlijk tonen.
 
Comenius was een van de velen die de open cultuur van Midden-Europa meebracht naar Amsterdam. Hij was een verbindingsfiguur, tussen landen en culturen, maar ook tussen de tijden. Zijn pansofie was een product van de Entdeckungsfreude van de Renaissance, waarin boekdrukkunst en scheepvaart werelden openlegden. Maar met zijn poging al die kennis niet alleen te verzamelen, maar in een zinvol verband onder te brengen liep hij ook vooruit op de eeuw die zou volgen en door encyclopedische projecten gekenmerkt werd. Zijn kleinzoon Daniel Ernst Jablonski richtte in 1700 samen met Gottfried Wilhelm Leibniz in Berlijn de Königlich-Preußische Akademie der Wissenschaften op. Geheel in zijn geest. Comenius zou het prachtig hebben gevonden.