Home Het verre hunkeren

Het verre hunkeren

Door Ger Groot op 27 november 2015

Cover van 04-2015
04-2015 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

‘Revolutionair zijn is heulen met de vijand. Liberaal zijn is het vaderland haten. De moderne democratie is een orgie van verraders’, schreef Pessoa in 1919. Zestien jaar later heeft zijn patriottische positie heeft een mystieke wending ondergaan. Ger Groot geeft aan de hand van een aantal sleutelteksten inzicht in het politieke denken van Pessoa.
 

Fernando Pessoa heeft in zijn leven maar één bundel met Portugese verzen gepubliceerd, en dat was ook volgens hemzelf niet zijn meest fortuinlijke geschrift. Mensagem (Boodschap) verscheen in 1934 als deelnemer aan een door het Secretariaat van Nationale Propaganda uitgeschreven prijsvraag voor de beste poëziebundel met nationalistische inslag. Zo omineus als dat klinkt, was het ook. Acht jaar eerder had een generaalscoup in Portugal een einde gemaakt aan de democratische republiek, twee jaar eerder was António de Oliveira Salazar minister-president geworden; het jaar daarvoor had hij de nieuwe grondwet van zijn autoritaire Estado Novo ingevoerd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Pessoa’s dichtbundel kwam dus niet op een willekeurig moment. Dat maakt hem nog niet tot een aanhanger van de Estado Novo. Tegen de knevelingen van het bewind van Salazar verhief hij uitdrukkelijk zijn stem. Maar het nationalisme dat door het propagandasecretariaat van de ingezonden bundels werd verwacht is hem zijn hele leven eigen gebleven. Een democraat is hij bovendien nooit geweest. Wel geloofde hij hartstochtelijk in de suprematie van de geest, die volgens hem slechts bij een elite werkelijk tot wasdom kwam. Die geest was niet alleen een kwestie van intellectualiteit. Hij had mystieke en zelfs occulte trekken, die zich in Pessoa’s levenslange geloof in het ‘sebastianisme’ ook met de politiek verbonden.
           
Een dergelijk amalgaam van esoterische, elitistische en messianistische denkbeelden was in de eerste decennia van de twintigste eeuw niet vreemd. Overal in de westerse wereld kwamen mensen bijeen voor spiritistische seances, droomden zij van min of meer mystieke rijken en keerden zij zich af van de praktische banaliteit van het politieke handwerk, dat in democratieën zelden hemelbestormend is.
           
Pessoa was in dat opzicht geen buitenbeentje, maar meer dan vele anderen heeft hij zijn ideeën op- en uitgeschreven en soms onder eigen naam gepubliceerd. Zijn politiek en levensbeschouwelijk werk kan dan ook niet terzijde worden geschoven als een ‘krankzinnige droom’, zoals August Willemsen in zijn nawoord bij Boodschap doet. Hoe moeilijk te begrijpen en soms zelfs te aanvaarden Pessoa’s denkbeelden ook waren, voor hemzelf hadden ze grote betekenis en dreven ze zijn schrijven voort.
 
Dom Sebastião
Om op dat merkwaardige mengsel van occultisme en politiek elitisme meer zicht te krijgen, zullen we een paar sleutelteksten van Pessoa nader bekijken. Het zijn omstreden getuigenissen, waarvan de schrijver zich later soms zelfs gedistantieerd heeft, maar ze werpen niettemin licht op wat je het onderbewuste van zijn politieke denken zou kunnen noemen.
           
Om te beginnen gaan we terug naar het jaar van Pessoa’s geboorte: 1888. Veertig jaar later schreef hij daarover: ‘In het Derde Deel van zijn profetieën kondigt Bandarra de terugkeer van Dom Sebastião aan voor een van de jaren tussen 1878 en 1888. Welnu, in dat laatste jaar beleefde Portugal de belangrijkste gebeurtenis van zijn nationale bestaan sinds de Ontdekkingen; desondanks ging deze, vanwege de aard van de gebeurtenis, noodgedwongen onopgemerkt voorbij.’ (Crespo 1992: 11) Er valt aan dit korte citaat nogal wat op te helderen. Wie was Bandarra en wie was de Dom Sebastião die terug moest keren? Wat was, ten slotte, die hyper-belangrijke gebeurtenis in 1888, die voor Portugal kennelijk van nationale betekenis was?
           
Daartoe gaan we nog eens ruim drie eeuwen verder terug. In 1554 werd op het nippertje een Portugese troonopvolger geboren; diens vader was luttele weken eerder gestorven. Sebastião, zoals hij genoemd werd, ontpopte zich tot een even lichtzinnig als megalomaan vorst, die ter wille van het herstel van Portugals luister in Marokko een begin wilde maken met hernieuwde koloniale expansie. Het werd een faliekante mislukking. In 1578 werd het Portugese leger bij Alcácer-Quibir vernietigend verslagen. Ook de koning sneuvelde – maar zijn lichaam werd nooit gevonden. Daarmee was de mythe geboren dat ‘Dom Sebastião’, getransformeerd in een wijs en rechtvaardig vorst, ooit zou terugkeren om Portugal te herstellen in zijn vroegere luister. Plots kregen de messianistische verzen die de bevlogen joodse schoenmaker António Bandarra enkele decennia eerder geschreven had, een nieuwe betekenis. Daarin zou de wederkomst van de Langverwachte, zoals Sebastião intussen genoemd werd, op voorhand zijn aangekondigd. Het verlangen daarnaar had goede redenen. Na de dood van de vorst verviel Portugal aan de monarch van Spanje en zou tot 1640 zijn onafhankelijkheid verliezen.
           
Wat was nu de voor Portugal zo belangrijke gebeurtenis in 1888? Iets bijzonders leek er in dat jaar niet te zijn voorgevallen, zoals Pessoa zelf ook al constateerde. De verwijzing kan dan ook op niets anders betrekking hebben dan op diens eigen geboorte, zo constateert Pessoa’s biograaf Ángel Crespo. Niet als de reïncarnatie van Dom Sebastião. Maar wel als de evenknie van de dichter die als geen ander de Portugese ontdekkingsreizen en expansie over de aardbol bezongen had: Luis de Camões, die in 1572 zijn epische gedicht Os Lusíadas had gepubliceerd.
           
Gaandeweg begon Pessoa zichzelf, aldus Crespo, te beschouwen als de ‘super- Camões’ die Portugals nieuwe grootheid zou aankondigen: het ‘Vijfde Rijk’ – voorafgegaan door de Griekse, Romeinse, christelijke en Europese of Engelse imperia. Wat dat rijk precies zou moeten inhouden, is enigszins onduidelijk. Enerzijds berustend op spirituele waarden (de Geest, de poëzie, de kunsten), had het anderzijds ook een onmiskenbaar (geo)politiek karakter. ‘De zee Portugees’ heet het tweede deel van Mensagem, waarin die droom tot zijn hoogtepunt kwam en dat oorspronkelijk de titel Portugal droeg. En het eerste gedicht daarin, gewijd aan de nationale held Hendrik de Zeevaarder, eindigt met die hoop:

Hij die u [Hendrik] wijdde schiep u Portugees.
De zee én ons heft Hij in u omlijnd.
De Zeeën zijn voltooid, het Rijk is eens geweest.
O Heer, slechts Portugal dient nog voleind! (Pessoa 2001: 71)

 
In Pessoa’s eigen geboortebericht vallen een paar dingen op. Vanaf zijn geboorte ziet hij zijn leven staan in het teken van het sebastianisme. Hij is zelf een geroepene en leest de tekenen daarvan af aan de mystieke en occulte bronnen die hij zijn leven lang zal blijven bestuderen. Zijn roeping is nationaal, zo niet nationalistisch, en spiegelt zich aan het grootse verleden van de Portugese politieke en geestelijke wereldheerschappij: de ontdekkingsreizen en het dichtwerk van Camões. Zo eindigt hij in Mensagem zijn gedicht over het laatste schip waarmee ‘Dom Sebastião’ vertrok en waarin deze ooit, zoals voorzegd, zou terugkeren vanuit de mist:

Gij nadert in de zon in mij, de mist trekt op:
Het is hetzelfde schip, de vaan in top
Van het Imperium. (Pessoa 2001: 91)

 
Orde
Dat betekent niet dat Pessoa zich alleen met een mythologisch soort politiek bezighield. Hij sprak zich meermalen uit over de politieke actualiteit en de grondslagen van zijn denkbeelden daarover. Want, zo tekende hij ooit aan, op esthetisch vlak mag het dan immoreel zijn partijdig te zijn, op politiek vlak is het juist immoreel onpartijdig te zijn. In een biografische aantekening, gedateerd op 30 maart 1935, dus precies negen maanden voor zijn dood, omschreef hij zijn politieke ideologie als volgt:

Ik ben van mening dat de monarchie het meest geschikt zou zijn voor een organisch imperiale natie als Portugal. Tegelijkertijd beschouw ik de monarchie als volstrekt uitzichtloos in Portugal. Indien er derhalve een referendum dienaangaande zou worden gehouden, zou ik, helaas, voor de republiek stemmen. Conservatief op z’n Engels, dat wil zeggen liberaal binnen het conservatisme en absoluut antireactionair. (Pessoa 1995: 9)

 
Een monarchie, die vanuit het sebastianistische messianisme inderdaad het meest voor de hand zou hebben gelegen, was in het Portugal van de Estado Novo een hersenschim geworden. Maar ook al eerder had Pessoa fikse kritiek gehad op de ‘neomonarchisten’, die na de moord op de laatste Portugese koning in 1908 en de stichting van de Portugese republiek in 1910 niets anders wilden dan terugkeren naar de status quo ante en daartoe elke dissidente stem tot zwijgen zouden moeten brengen. Daaruit volgt dat zorg om de orde bij een politieke partij zal leiden tot de wil om te heersen en haar doctrine gewelddadig op te leggen…,’ zo schreef Pessoa in 1915 in het tijdschrift Eh real!. ‘Waaruit men kan concluderen dat (…) in een land waar alle partijen voortdurend bekommerd zijn om de orde, voortdurend wanorde en anarchie zullen heersen. Het is zelfs de enige manier om te komen tot sociale anarchie. Die komt voort uit overdreven bezorgdheid om de orde.’ (Pessoa 1995: 63)
           
Pessoa smulde van dergelijke paradoxen. Maar de kwestie was op dat ogenblik allerminst theoretisch. Vanaf het begin van de republiek streden partijen en facties wanordelijk om de heerschappij. Machtswisselingen waren aan de orde van de dag en verliepen nog al eens gewelddadig, politieke moord incluis.
           
Het was voor Pessoa dus van belang vast te stellen wat de werkelijke grondslag van de politieke orde moest zijn. In 1919 publiceerde hij daarover een verhandeling in het tijdschrift Acção, waarin hij zich afvroeg waarin nu eigenlijk de stem van het volk bestond. ‘Wat ons beleid ook is, wij [zijn] het er allemaal over eens dat dat overeen moet stemmen met de “publieke opinie”,’ zo stelde hij vast. Deze wortelt niet in de intellectuele, maar in de instinctieve vermogens van de mensen, zo vervolgt hij. Ze is in de eerste plaats sociaal; dat betekent dat het van wezenlijk belang is dat men dezelfde taal spreekt. ‘En hierdoor wordt onthuld wat het fundamentele sociale instinct is: het instinct genaamd patriottisme.’ (Pessoa 1995: 70)
           
Nu is de moedertaal een overgeërfde gewoonte, zo stelt Pessoa vervolgens vast. En hij leidt daaruit af dat de publieke opinie zich altijd vastklampt aan de traditie en net als ieder ander instinct conservatief is. Daarmee staat ze haaks op de ‘anti-egoïstische’ liberale opvatting van democratie, die hij dan ook kenmerkt als ‘volslagen anti-sociaal’, antivolks en antipatriottisch. Het probleem met het liberalisme is dat het steunt op ideeën, terwijl ‘het instinct, en dat is de publieke opinie, als wezenstrek [heeft] dat het geen ideeën heeft.’ (Pessoa 1995: 73)
           
Dat brengt vernietigende consequenties met zich mee voor een democratie die zich baseert op verkiezingen en parlementaire vertegenwoordiging. ‘Het kiesrecht vertegenwoordigt hooguit de politiek georganiseerde meerderheid,’ aldus Pessoa, ‘die, vergeleken bij de echte meerderheid van de samenleving, een minderheid is, en meestal een kleine minderheid.’ Vanwege haar intrinsieke hang aan de traditie kan wat pas veel later de ‘zwijgende meerderheid’ genoemd zou worden onmogelijk revolutionair zijn. ‘De enige revolutionaire bewegingen die werkelijk nationaal kunnen zijn, zijn de contrarevoluties.’ (Pessoa 1995: 73)
           
Aan het eind van zijn artikel vat Pessoa zijn stellingen nog een keer bondig samen: ‘Revolutionair zijn is heulen met de vijand. Liberaal zijn is het vaderland haten. De moderne democratie is een orgie van verraders.’ (Pessoa 1995: 85)
 
Het Eerste Signaal
Dat liegt er niet om en is bepaald niet ‘conservatief op z’n Engels’, zoals Pessoa zijn politieke positie zestien jaar later zou omschrijven. Dan noemt hij zich nog steeds ‘anticommunist en antisocialist’ maar zijn patriottische positie heeft een mystieke wending ondergaan. Nu omschrijft hij zich als ‘aanhanger van een mythisch nationalisme waaruit alle rooms-katholieke infiltratie verdreven is, die geestelijk (…) vervangen kan worden door een, indien mogelijk, te creëren nieuw sebastianisme.’ Hij noemt zich ‘gnostisch christen en derhalve volledig tegen alle georganiseerde kerken’ maar ‘trouw aan de Geheime Traditie van het christendom, welke nauwe betrekkingen onderhoudt met de Geheime Traditie van Israël (de heilige kabbala) en de occulte essentie van de vrijmetselarij.’ (Pessoa 1995: 9)
           
Voordat het zover is, zwenkt Pessoa echter nog één keer uit naar een hard rechts extremisme dat gewelddadig ingrijpen niet schuwt. Wanneer in 1926 hogere militairen met een staatsgreep een einde hebben gemaakt aan de democratische republiek, publiceert Pessoa twee jaar later het schotschrift O Interregno, waarin hij de daaruit voortvloeiende militaire dictatuur verdedigt.
           
Pessoa doet dat uitdrukkelijk op pragmatische gronden. Een verdediging van het fascisme wil het boek niet zijn, noch een pleidooi voor militaire regimes of staatsgrepen in het algemeen. Alleen in déze specifieke Portugese situatie was deze oplossing tijdelijk (‘interregnum’) de enig mogelijke, aldus Pessoa: ‘We moeten de Staat van Overgang creëren en de machthebbers van deze Staat moeten hun optreden tot het minimum, tot het onontbeerlijke beperken.’ (Crespo 1992: 247)
           
In zijn verdediging geeft Pessoa drie redenen voor de legitimiteit van de militaire coup. De eerste is de patstelling waarin de Portugese politiek terecht was gekomen. De ene helft van de bevolking was monarchist, de andere republikein, en dat leidde tot een latente staat van burgeroorlog. Daar kwam bij dat het Portugese volk op dat ogenblik geen echte, organische natie vormde. Instituties die in andere landen orde konden scheppen waren voor dit land (althans op dat moment) dan ook ongeschikt. Daarmee bleef alleen het leger over als de macht die in staat was een openbare orde in te stellen.
           
In zijn derde argument stelt Pessoa vast dat ‘er maar drie regeringsbases zijn: de kracht, het gezag en de opinie.’ (Crespo 1992: 248) Met dat laatste lijkt hij terug te grijpen op zijn Acção-artikel van bijna tien jaar eerder, maar de toepassing ervan is inmiddels veranderd. Brute kracht verandert in gezag op het moment waarop ze door de publieke opinie wordt aanvaard, aldus Pessoa. ‘Als wij (…) een beroep moeten doen op de kracht om het land te besturen, is de oplossing daarin gelegen dat wij duidelijk en beslist een beroep doen op die kracht die overeenstemt met de traditie en het verworven sociale leven,’ zo vervolgt hij. (Crespo 1992: 249) En die kracht is op dat ogenblik in Portugal het leger.
           
Pessoa schrijft in dit derde argument echter nog meer. De publieke opinie is gebaseerd op instinct of op intuïtie, zo stelt hij opnieuw in het verlengde van zijn eerdere artikel vast. Maar nu verbreedt hij de betekenis daarvan. Tot de intuïtie behoren ook bovennormale verschijnselen en de profetische geest. Daarmee trekt Pessoa, aldus Crespo, het politieke discours op het esoterische vlak; de eerder geciteerde opmerkingen over de mystieke betekenis van zijn eigen geboortedatum dateren uit hetzelfde jaar.
           
Niet alleen lijkt Pessoa nu zijn eigen rol als de opvolger en voltooier van Camões te verbinden aan het avontuur van de militaire coup, aan het slot van het boek plaatst hij deze opzichtig in het perspectief van het sebastianisme. ‘Dit is het Eerste Signaal, dat als beloofd is gekomen op het Uur waarop het was beloofd,’ zo besluit hij O Interregno. (Crespo 1992: 249) Het militaire regime lijkt de opmaat tot het Vijfde Rijk te zijn, waarvan Pessoa zoveel verwachtte.
 
Mijn droom, wanneer?
Pessoa werd daarin al snel bitter teleurgesteld en in zijn levensbericht van 1935, zeven jaar later, schrijft hij: ‘De brochure O Interregno (…) welke een verdediging bevat van de militaire dictatuur in Portugal, moet als niet-bestaand worden beschouwd.’ Pessoa 1995: 8) Dat het bewind niet alleen de politieke twisten maar ook de vrijheid van meningsuiting en de bloei van de Geest zou onderdrukken had hij wel kunnen, maar misschien niet willen voorzien.
           
Met enige ironie schrijft zijn biograaf Crespo dan ook: ‘Laten we registreren dat Pessoa altijd, zowel in zijn orthonieme als in zijn heteronieme schrijfwerk, blijk heeft gegeven van een nationalisme en een sympathie voor autoritaire regimes, waarvan pas zijn aversie van het Salazar-bewind hem genas, dat wil zeggen, toen hij zijn utopische ideeën verwezenlijkt zag.’ (Crespo 1992: 104v) Hij was in politiek opzicht (en misschien ook nog in vele anderen) allesbehalve een realist. ‘Hij liep alsof zijn voeten de grond niet raakten,’ heeft zijn kortstondige geliefde Ophélia Queiroz ooit over Pessoa gezegd – en dat was niet alleen in fysieke zin zo.
           
Pessoa leefde uiteindelijk voor het spirituele. ‘Vrijheid was voor hem de vrijheid van de menselijke geest,’ schrijft zijn vertaler Harrie Lemmens, ‘en die moest, nee, zou verwezenlijkt worden door het genoemde Quinto Império.’ (Pessoa 1995: 283) Wellicht kreeg de verwachting daarvan tegen het einde van zijn leven minder politieke en meer morele trekken. Wanneer hij zich in zijn levensbericht van 1935 bekent tot een ‘nieuw sebastianisme’, omschrijft hij dat slechts uiterst beknopt. Hij noemt zich dan een ‘nationalist geleid door de leus: “Alles voor de mensheid, niets tegen de natie”.’ (Pessoa 1995: 9)
           
Ik weet niet of je dat een loutering kunt noemen, maar een verschuiving is het wel. Kun je dat ook in de bij uitstek patriottische gedichten van Mensagem waarnemen? Gemakkelijk is dat niet; sommige ervan waren bij de publicatie van de bundel bovendien al bijna vijftien jaar oud en stamden dus nog uit Pessoa’s militantere jaren. Toch zijn er wel tekenen van een dergelijke verschuiving, zelfs al in het allereerste vers in de bundel. Pessoa beschrijft daarin de kaart van Europa, dat ‘rustend op de ellebogen,/Ligt van Oost naar West.’ Je moet er enige moeite voor doen om je het visueel voor te stellen: de ene elleboog is Italië, licht terugwijkend, de andere Engeland. Met de hand onder het hoofd staart Europa in de verte:

Zij kijkt, de blik vol raadsel en verval,
Naar het Westen, toekomst van ’t verleden.
 
’t Gelaat waarmee zij kijkt is Portugal. (Pessoa 2001: 21)

 
Hier is de heilsverwachting niet meer voorbehouden aan de Portugese natie alleen. Deze is wel de spil van de toekomst, maar uiteindelijk is Europa als geheel in het geding. Want, zo luidt het enkele gedichten verder, ‘Alle naties zijn mysteriën./Elk alleen is heel de aarde.’ (Pessoa 2001: 33) Dan krijgt ook de openingsstrofe van het eerder geciteerde gedicht over Hendrik de Zeevaarder een bredere betekenis:

God wilde dat de aarde één was, een geheel
Dat door de zee vereend zou zijn en niet verdeeld.
Hij wijdde u, en gij ontsloot de evenaar. (Pessoa 2001: 71)

 
Portugal is nog altijd het bevoorrechte instrument van het goddelijke heilsplan. ‘God wil, de mens droomt, en het werk is daar,’ zo luidt de openingszin van dit gedicht. Maar anders dan de eerste grootheid van Portugal lijkt deze nieuwe luister niet te steunen op verovering. ‘Een Nieuwe Aarde, een Nieuwe Hemel’ is het nu wat Pessoa van de terugkeer van Dom Sebastião verwacht.

O, wanneer zult gij, weergekeerd,
Mijn hoop tot liefde willen maken?
Uit heimwee en uit mist, wanneer?
Mijn Droom, wanneer? Wanneer, mijn Heer? (Pessoa 2001: 117)

 
Mystiek sebastianisme zet in Mensagem de toon. Van directe bemoeienis met de politiek lijkt Pessoa definitief genezen. Dat is winst, al is het in het licht van het verregaand esoterisme dat daardoor in de laatste jaren van Pessoa’s leven almaar sterker op de voorgrond treedt, een schrale winst.
           
Het feit dat Pessoa deze bundel al snel verloochende mag ons er niet toe verleiden de betekenis ervan terzijde te schuiven. Noch wat Pessoa in januari 1935 schreef aan de dichter en essayist Adolfo Casais Monteiro: ‘Ik ben inderdaad een mystiek nationalist, een rationeel sebastianist. Maar ik ben los daarvan, en zelfs in tegenstelling daarmee, vele andere dingen. En die dingen sluit Mensagem, vanwege de aard van het boek, niet in.’ (Pessoa 1992: 297) Nog minder mogen we deze wonderlijke en soms weerzinnige kanten van Pessoa negeren, eenvoudigweg omdat ze ons niet bevallen.
           
Daarvoor waren de constanten in zijn politiek-esoterische opvattingen te sterk en was de samenhang daarvan, in weerwil van alle tegenspraak en kromme redeneringen, te hecht en te hardnekkig. Pessoa’s politieke ideeën over autoriteit en democratie behoren tot de geest van zijn oeuvre, zijn occultisme is geen bijkomstigheid in zijn dichtersbiografie. Misschien is ook daarom op hemzelf van toepassing wat hij schrijft in het slotgedicht van Mensagem:

Niemand weet wat of het moet.
Niemand kent zijn diepst gemoed,
Noch ook wat kwaad is noch wat goed.
(Wat is dit verre hunkeren dat dichtbij schreit?) (Pessoa 2001: 131)

 
Literatuur

  • Crespo, Á. (1992). Het meervoudige leven van Fernando Pessoa. Vert. Barber van de Pol. Baarn: De Prom.
  • Pessoa, F. (1995). Mijn droom is van mij. Vert. Harrie Lemmens. Amsterdam/Antwerpen: Arbeiderspers.
  • Pessoa, F. (2001). Boodschap. Vert. August Willemsen. Amsterdam/Antwerpen: Arbeiderspers.