Home Het publieke karakter van de universiteit

Het publieke karakter van de universiteit

Door Jan Masschelein en Maarten Simons op 30 oktober 2014

Het publieke karakter van de universiteit
Cover van 04-2009
04-2009 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Kant en het publieke (wereldse) gebruik van de rede

In zijn beroemde essay ‘Wat is verlichting?’ verbindt Kant verlichting met de ‘onschadelijkste’ vrijheid: ‘de vrijheid om van zijn rede in alle opzichten een publiek gebruik te maken’ (vertaling lichtjes gewijzigd). En Kant verduidelijkt dat hij onder ‘publiek gebruik van de rede’ begrijpt: ‘het gebruik dat iemand als geleerde van haar maakt ten overstaan van het hele publiek van de lezende wereld’. Als geleerde die een ‘publiek in de strikte zin’ aanspreekt, beschouwt men zichzelf ‘als lid van een hele gemeenschap, ja zelfs van de maatschappij der wereldburgers’. Als geleerde is men een wereldburger, die geen leerlingen onderwijst, maar ‘publiekelijk zijn gedachten uit’. Een geleerde adresseert ‘het eigenlijke publiek, namelijk de wereld’, en spreekt ‘namens zijn eigen persoon’. Inderdaad, geleerden leggen hun gedachten openlijk aan de wereld voor zonder ‘vrees voor schimmen’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Kant contrasteert dit publieke gebruik van de rede met het private gebruik. Dat is het gebruik dat men ervan maakt wanneer men handelt ‘in een toevertrouwde burgerlijke post of in een ambt’, een ambt dat ook publieke doeleinden kan hebben. In dat geval handelt men ‘als deel der machine’. En als deel van een publieke institutie (een machine met publieke doelen) spreekt men ‘in de naam van een ander’ en wordt het spreken een lering of een instructie. Volgens Kant is het gebruik dat men maakt van zijn rede als deel van een sociale machine of institutie – en naast het leger en de staat heeft hij het over de kerk – zuiver privaat, omdat het steeds ‘slechts een huiselijke bijeenkomst [betreft], al is zij nog zo groot’. Dus Kant maakt niet alleen een onder- scheid tussen het private en publieke gebruik van de rede, maar ook tussen het publieke gebruik en het gebruik voor ‘openbare doeleinden’. Het publieke karakter is uiteindelijk niet verbonden met een institutie en haar doelen (d.w.z. met de plaats of de sfeer van het gebruik of met zijn verklaarde doeleinden: de dienst ten aanzien van een zekere gemeenschap), maar wordt verbonden met een figuur en met het ethos dat die figuur kenmerkt. De figuur is die van de geleerde, die volgens Kant om het even wie kan zijn. Deze figuur is een wereldburger, maar niet omdat hij deel uitmaakt van een bijzondere gemeenschap of met anderen een bepaald territorium deelt (bijvoorbeeld alle levende wezens die wonen of woonden op de planeet). Maar hij is een wereldburger wanneer hij zichzelf opvat (zich tot zichzelf verhoudt) als een lid van de wereld, die hij in het leven roept precies in en door het gebruik van de eigen rede, door en in de manier waarop men spreekt. Het publieke of wereldse karakter van dat denken en spreken is niet verbonden met een sfeer of domein (die duidelijke grenzen zou- den hebben en hun eigen regels van operatie – dan zou het precies een machine zijn – en niet enkel de staat (of de kerk), maar ook een wetenschappelijke discipline of een culturele gemeenschap kunnen in die zin opgevat worden als een machine). Integendeel, het publieke karakter verwijst naar het gebruik dat men maakt van zijn capaciteit om te redeneren of te denken, een bekwaamheid waarvan Kant aan het begin van zijn essay zegt dat iedereen haar heeft en dat de enige beperkingen ‘luiheid en lafheid’ zijn. Het publieke karakter heeft dus te maken met een specifiek gebruik: het gebruik dat we van de rede maken wanneer we ons niet onderwerpen aan de regels van een machine of institutie, en wanneer we een publiek aanspreken dat niet door die institutie en haar regels (en tribunalen) gedefinieerd is. Instituties, hoe ruim ze ook zijn, blijven ‘huiselijke bijeenkomsten’ die een privaat gebruik van de rede vereisen. Het publieke gebruik is het gebruik dat we ervan maken wanneer we het publiek in de echte zin aanspreken: het publiek dat bestaat uit iedereen die de capaciteit heeft om te denken – het publiek voorbij de machine of institutie (‘de wereld’).
 
Dat wil dus zeggen dat de geleerde gekenmerkt wordt door een bepaald ethos, waarbij men de ander toespreekt onder de vooronderstelling van gelijkheid (in bekwaamheid om te denken), spreekt in eigen naam en daarmee de zaak waarover het gaat en zichzelf op het spel zet. Dit kunnen we een experimenteel ethos of een experimentele houding noemen, omdat de geleerde zich blootstelt aan de grenzen (van de institutie of de machine) en omdat hij de kwestie die hij bespreekt tot een publieke kwestie maakt, haar publiek maakt, blootstelt (dat betekent ook accepteert dat hij niet de enige is die erover kan denken en spreken). Kant onderscheidt dit ethos zeer klaar en duidelijk van het ethos van gehoorzaamheid van diegene die handelt als deel van een machine, dat wil zeggen de figuur die de regels gehoorzaamt en zichzelf onderwerpt aan het tribunaal van een huiselijke bijeenkomst in naam waarvan de machine werkt of opereert (zelfs wan- neer het een machine is met publieke doeleinden). Kant opent hiermee de mogelijkheid – maar sluit haar weliswaar onmiddellijk weer in de mate dat hij het denken zelf begrijpt als een ‘onderwerping aan de voorschriften van de rede’ dat zo dus zelf een ‘ethos van gehoorzaamheid’ impliceert – om de idee te formuleren van een publieke of werelduniversiteit die bewoond wordt door geleerde individuen die wereldburgers zijn en een publiek vormen op grond van hun houding en het gebruik van hun rede.

De idee van een werelduniversiteit

In de lijn van Kant kan de universiteit opgevat worden als een architectuur (niet de enige, maar wel een specifieke) waar een ding de macht verwerft om ons te doen denken en zo een publiek in het leven roept en ‘vormt’. Dat publiek is niet gedefinieerd door bepaalde eigenschappen, maar bestaat precies uit een pluraliteit van singuliere individuen die elkaar als gelijken erkennen, niet op het niveau van de kennis of het weten, maar op het niveau van de bekwaamheid om te denken en te spreken. Een dergelijke werelduniversiteit is de plaats/tijd waarin onze gewone manier van denken en handelen vertraagd worden doordat we de uitroep horen ‘bedenk dat we verkeerd kunnen zijn’ of de vraag ‘waar zijn we mee bezig?’ en waarin deze uitroep en vraag niet onmiddellijk beantwoord en afgesloten worden. De universiteit is dan een plaats van aarzeling betreffende datgene wat het betekent om ‘waar’ of ‘goed’ te zeggen, betreffende de bepaling van wat ‘gemeen’ en/of gewoon is. Anders gezegd: een werelduniversiteit bestaat wanneer de grond van de goede redenen barst en we aan het denken worden gezet en we ons zelf niet toestaan te geloven dat we de betekenis van wat we kennen bezitten (Stengers 2005). Dat betekent dat het niet langer enkel gaat om ‘feiten’ (die immers voor zich spreken), maar ook om een ‘zaak’ of ‘kwestie’ die tot spreken wordt gebracht en een bekommernis wordt van een denkend publiek. Dit publiek maken vindt plaats in de modus van onbepaaldheid, de modus van een gebeurtenis waaruit niets volgt (geen ‘en dus’), maar die ons confronteert met de vraag hoe men van daar verder gaat. En in onze idee zijn de collegezaal en het college geven bij uitstek de plaats/tijd waar dat gebeurt of kan gebeuren en waar de universiteit (haar) plaats vindt. In die zin vormen ze de kern van de universiteit (Masschelein & Simons 2009).
 

Publiek maken en publiek vormen

Het specifieke publieke karakter van de universiteit, waardoor we haar een werelduniversiteit kunnen noemen, verbinden we hier dus noch met onderzoek (en het publiceren van onderzoeksresultaten), noch met onderwijs (als overdracht van kennis aan studenten), noch met dienstverlening (aan een bepaalde gemeenschap), maar met het publieke spreken en denken in colleges, auditoria en seminarieruimtes. In de publieke lezing of tijdens de discussie met studenten in de aanwezigheid van een ding (een tekst, een virus, een neuron, een rivier, ) kan de eenheid van de drie functies van de universiteit evenals het principiële recht en zelfs de plicht van de universiteit om vrij en vrank waarheid te spreken letterlijk (een) plaats vinden en vorm krijgen. Het is daar en op dat moment dat een zaak publiek wordt gemaakt (of kan worden gemaakt) en een publiek (van geleerden) in het leven wordt geroepen. Daar wordt, om een beeld van het publieke te gebruiken dat Hannah Arendt zo dierbaar was, een zaak op tafel gelegd en de bescherming (door gevestigde methoden en theorieën) opgeheven. Het gaat niet om onderricht, maar om college geven: letterlijk iets geven om samen te lezen. In plaats van om les te geven (over hoe de wereld in elkaar zit en begrepen moet worden) gaat het in het college geven om het openen van een wereld door dingen publiek te maken, ze een aanwezigheid te geven die een denkend publiek in het leven roept, ze bloot te stellen aan een nieuwe generatie, ze tot spreken te brengen, ze te presenteren.

Het college wordt niet gegeven door deskundigen die ons informeren, en ook niet door docenten die iets bekendmaken of ambtenaren van een instituut of dienaren van een goede zaak, maar door ‘professoren’ die spreken vanuit liefde voor de waarheid en voor de wereld (en niet vanuit een bezorgdheid om excellentie of studentvriendelijkheid) en die een publiek in het leven roepen rond een zaak. Ze doen dat door iets (een tekst, een virus, een neuron, ) aanwezig te stellen en te denken in aanwezigheid van die zaak. Het college is dan de plaats waar men te denken geeft omdat men het eigen denken geeft, de eigen gedachten toont (en ook in die betekenis is het een publiek spreken). Het is wellicht slechts in de mate dat men demonstreert wat het denken is als onderzoek van de waarheid, in de mate men demonstreert dat het geen zuiver gedachtespel is, maar dat in het denken ook altijd een zaak in het spel is en men bij de zaak moet zijn (daar moet zijn, aanwezig moet zijn en dus zelf in het spel moet zijn), dat men anderen te denken kan geven, dat men voor anderen inspirerend kan zijn en dus vormend.

Zoals Von Humboldt zei, is de professor er niet voor de student, en ook omgekeerd is de student er niet voor de professor, maar beiden zijn er omwille van de zaak en de waarheid van de zaak. De professor geeft stem aan iets wat niet uit zichzelf spreekt. Hij heeft dan ook iets van een geleider, een getuige en een diplomaat, rollen die te maken hebben met het aanwezig stellen of doen weerklinken van dingen op een manier waardoor zaken (opnieuw) overwogen worden. Waardoor studenten een betrokken publiek worden, en daardoor minstens moeten overwegen of hun gewone (favoriete of op evidentie gebaseerde) manier van denken en doen (omgaan met de zaak) niet een act van immunisering is en wel recht doet aan de zaak. College geven is dus niet enkel iets bekendmaken, maar een zaak aanwezig stellen, tot leven wekken en mensen uitnodigen om nieuwe manieren te exploreren om zich tot de zaak te verhouden. Hier worden wij en onze relatie tot de zaak op het spel gezet, we moeten opnieuw, en zelf, kijken en denken. Colleges in die zin zijn verbonden met het opduiken van een nieuw bewustzijn, waarbij de eigen private aan- gelegenheden overstegen worden en in een publieke kwestie veranderen.

De bewoners van universiteiten zijn dan ook geen onderzoekers en lerenden, maar professoren en studenten die geleerden zijn (in de betekenis van Kant), mensen die een publiek gebruik maken van hun rede en ook anderen aanspreken als mensen die bekwaam zijn van hun rede gebruik te maken. De universiteit in deze zin berust op het ethos van geleer- den, dat wil zeggen van mensen die zich tot zichzelf en tot anderen verhouden als wereldburgers, en wereldburger is men voor zover men spreekt in eigen naam, in de aanwezigheid van een ding en in confrontatie met een publiek. Het bestaan van de universiteit is verbonden met het in praktijk brengen van een dergelijk experimenteel en aandachtig ethos.
 

De ondernemende universiteit

De wijze waarop universiteiten vandaag vorm krijgen, verhindert in toenemende mate dat ze een plaats kunnen zijn waar een publiek van geleerden/wereldburgers gevormd wordt rond een kwestie. Op twee dingen willen we wijzen. Vooreerst op het ethos dat van- daag gevraagd wordt en vervolgens op de (elektronische) leerplatformen die in toenemende mate het onderwijs vormgeven.

Alhoewel men in Europese beleidsdocumenten nog vaak referenties aantreft naar de moderne universiteit (en meer bepaald naar Von Humboldt), is het duidelijk dat het zelf- verstaan van onderzoekers, professoren en studenten en het ethos dat van hen gevraagd wordt een heel ander ethos is. De moderne universiteit begreep zich vanuit een transcendente idee (de universele rede, humaniteit of burgermaatschappij) en had in feite de nationale staat en de nationale cultuur als belangrijkste referent. Vandaag gaat het niet meer om ‘cultuur’, ‘rede’, ‘humaniteit’ of ‘burgerlijke maatschappij’, vandaag is de oriëntatie ‘excellentie’ met het doel om de meest competitieve en dynamische kenniseconomie te worden in de wereld (Commission of the European Communities, 2003). Niet wat onderzocht of onderwezen wordt, niet welke diensten verleend worden, maar dat het excellent onderzoek, excellent onderwijs en excellente dienstverlening zijn is van belang. Omdat excellentie elke externe referent mist, gaat het bij excellentie om het beter presteren dan anderen op basis van bepaalde kwaliteitsindicatoren. Universiteiten en hun staf richten zich dus naar het kwaliteitstribunaal dat een obsessie met kwaliteit installeert die samengaat met een dictaat van vergelijking en verbetering. Zoals een voormalige Vlaamse minister van Onderwijs het formuleerde was het verbeteren van kwaliteit en het verhogen van excellentie de meest belangrijke sociale doelstelling van de universiteit. Aangezien de kwaliteit in toenemende mate gemeten wordt op basis van allerlei soorten rankings en vergelijkingen is de boodschap aan de bewoners van de universiteit duidelijk: vergelijk uw prestatie met die van anderen, verbeter uw performantie, verbeter uw input-outputratio. Wat vandaag gevraagd wordt, is dan ook een ondernemende hou- ding, waarbij men voortdurend zichzelf (zijn onderzoekscentrum, universiteit, onder- wijs) beoordeelt op basis van kwaliteitsindicatoren in termen van zwaktes en sterktes. Men moet zichzelf voortdurend mobiliseren en proactief zijn. De universiteit is vandaag een ruimte die op een permanente manier onderzoekers, professoren en studenten mobiliseert met het oog op (internationale) excellentie. En wat dit zoeken naar excellentie motiveert is angst: angst voor lage rankings, verkeerde percepties en negatieve beoordelingen.

De universiteit die beleidsmakers op het oog hebben, vraagt met andere woorden een hou- ding van gehoorzaamheid en onderwerping ten aanzien van een permanent kwaliteitstribunaal. Deze houding impliceert ook een oriëntatie op een global city (de kennismaatschappij of kenniseconomie). Maar die globale stad kan in Kants termen gezien worden als een machine die bewoond wordt door private, ondernemende burgers, die geleid door de wet- ten van het kwaliteitstribunaal een privaat gebruik maken van hun rede (ook als ze maat- schappelijke dienstverlening opnemen). Die globale stad, hoe omvattend ze ook is, blijft immers een ‘huiselijke bijeenkomst’, die een domesticatie inhoudt van het burgerschap en een privatisering van het gebruik van de rede.

En niet alleen vraagt de universiteit een ondernemend ethos, maar ook de wijze waarop haar onderwijs vandaag gestalte krijgt maakt dat haar publieke karakter bedreigd is. Inderdaad, dat onderwijs krijgt in toenemende mate vorm als (elektronisch) leerplatform dat de mogelijkheid installeert om nooit bij een zaak en bij iemand aanwezig te zijn (al zijn er pogingen om via elektronische weg zaken publiek te maken en een publiek in het leven te roepen). De aanwezigheid bij een gemene zaak (die een eenheid van tijd en ruimte impliceert waardoor ook iets wordt meegedeeld) wordt opgeheven of uitgesteld (zowel voor de professor als voor de student). Het college en het seminarie worden vervangen door de leeractiviteiten van een community of learners die eigenlijk een collectief is van individuen die niets anders delen dan hun permanente poging om individuele leerbehoeften te voldoen en individuele keuzes (trajecten) te realiseren. In een der- gelijke community is de aanwezigheid vervangen door een grenzeloze ‘online’-bereik-baarheid (en bereidheid) van het individu. Een elektronisch programma verzamelt de leden en de relevante kennis, met inbegrip van de gegevens die de vigerende positie van de enkeling aangeven en op elk moment raadpleegbaar en printbaar zijn (syllabi, credits, opdrachten, examenresultaten, enzovoort): een naadloze opvolging en tegelijk permanente controle. Natuurlijk weten we dat er nog altijd (veel) colleges en seminaries bestaan. De vraag is echter of precies colleges/seminaries vandaag niet zelf als een community of learners worden georganiseerd, waar studenten met de computer voor zich en de gsm bij zich onderwijsleeractiviteiten bijwonen (en dus letterlijk een scherm tussen hen en de zaak die op tafel ligt instellen). Of waar PowerPoint en rechtstreeks internet de mogelijkheid bij uitstek vormen voor de docent om zichzelf uit het spel te houden, en de colleges te transformeren in een spektakel of performance. De omtrekken van een heel nieuwe massa-universiteit verschijnen hier. Eén waar de massa is verdwenen, omdat ze niet meer zichtbaar is, en vervangen is door een community (een ‘huiselijke bijeenkomst’) die gedefinieerd wordt door individuele en private leerbehoeften en waarvan de toegang wordt verzekerd door elektronische kaarten waarvoor men studiegeld betaalt. Er kan zich dan ook geen publiek meer vormen, omdat er geen zaak is wier aanwezigheid wordt (mee-)gedeeld.

Een ondernemende universiteit die niets meer publiek maakt en geen publiek meer vormt, dreigt dan ook niet veel meer te zijn dan een private mobilisatiemachine en een ‘huiselijke bijeenkomst’, hoe groot haar netwerk en community ook mogen zijn.