Home Het persoonlijke is politiek

Het persoonlijke is politiek

Door Henk Procee op 03 september 2014

Cover van 03-2014
03-2014 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

‘Met Marcuse wordt een marxist beschreven die geen marxist, een heideggeriaan die geen heideggeriaan, een freudiaan die geen freudiaan, een hegeliaan die geen hegeliaan, en een utopist die geen utopist was.’ Henk Procee herlas zijn werk bijna vijftig jaar na zijn eerste kennismaking met Marcuse: ‘Ik vond het veel interessanter dan toen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In 1965 begon ik aan de Rijksuniversiteit Groningen met de studie scheikunde. Een paar jaar later kwam daar filosofie bij en ook nog eens het voorzitterschap (‘praeses’ heette dat destijds) van een grote studentenvereniging. Het toeval wilde dat ik in 1968/1969 ook nog eens voorzitter werd van de ‘Contractus’, het overlegorgaan van alle studentenverenigingen in Groningen. In die positie zat ik in het hart van de studentenrevolte. Achteraf (destijds was ik daar te naïef voor) waren daarin twee groepen te onderscheiden. De ene groep ging het voornamelijk om de macht. Vanuit een sterkere positie zouden zij in staat zijn de werkelijkheid naar hun hand te zetten. Tot deze groep behoorden naast opportunisten veelal orthodoxe marxisten en communisten. De andere groep was moreel gemotiveerd. Tot die groep behoorde ik en met mij vele anderen. We deelden een diepe zorg over de dreiging van de kernbewapening, de uitputting van de grondstoffen, de armoede in de Derde Wereld. Ook hadden we een verlangen naar een betere en interessantere cultuur dan die waaruit we voortkwamen, waarin het om Marx te variëren mogelijk zou zijn ’s ochtends te werken, ’s middags te filosoferen, ’s avonds aan kunst te doen en ’s nachts te vrijen.

Kritisch waren we, zo kritisch dat we ‘krities’ schreven. En om daar handen en voeten aan te geven studeerden we. We lazen Marx, bij voorkeur de jonge Marx, we lazen Mao, we lazen Mandel, en voerden daarover heftige discussies. We hadden destijds een enorm vertrouwen in theorie, we zochten dan ook naar een intellectuele hefboom om de wereld te veranderen.

Daarom meteen maar een reflectie. Een uiterst merkwaardig effect van die jaren is dat gevoelens in plaats van denken de prioriteit kregen, dat emoties de plaats van theorie gingen innemen. De studerende orde in die tijd baarde de romantische orde (de bekende boektitel van Maarten Doorman). Ook al is in de woorden van Helmuth Plessner Nederland nooit romantisch geweest, iets wat het volgens hem als een van zijn zegeningen kon beschouwen, in die jaren werd de basis gelegd voor een enorme culturele inhaalslag.

Maar wij studeerden, wij waren nog onderweg naar de Romantiek. En zo werd ik gewezen op een andere belangrijke denker die met de letters MA begint, Marcuse geheten. Ik kocht daarom twee boekjes van die filosoof en las die. Mooie, fijnzinnige boekjes, waarvan een ging over pessimisme en het andere over geluk. Maar veel revolutionairs kon ik er niet in vinden. Ze bleken afkomstig van de verkeerde Marcuse, ene Ludwig, en het had Herbert moeten zijn. Herbert was kennelijk minder bekend dan de andere kritische denkers. Na deze verkeerde start begon ik hem toch te lezen en kwam tot de ontdekking dat ik weinig antenne voor hem en zijn denken had. Ja, de eerste pagina sprak mij aan. De eendimensionale mens begint met de woorden: ‘Doet de dreiging van een atoomramp waardoor het menselijk ras vernietigd zou kunnen worden niet tevens dienst om juist die krachten te beschermen die dit gevaar doen voortbestaan?’ Het lijkt zo rationeel, die Koude Oorlog, maar ze is eigenlijk volstrekt irrationeel. Daarin kon ik meegaan, maar daarna kwamen er de geslotenheid van zijn wereldbeeld, het dialectische gegoochel met begrippen, het schuldig verklaren van wetenschap en techniek – voor een student in de natuurwetenschappen was dat niet zonder meer overtuigend. Toch wist hij woorden te geven aan ons onbehagen (ook al begrepen we die niet goed) en gaf hij een soort theoretische goedkeuring aan ons optreden (en zoiets wilden we natuurlijk graag).
 

Een interessant denker

Met Marcuse wordt een marxist beschreven die geen marxist, een heideggeriaan die geen heideggeriaan, een freudiaan die geen freudiaan, een hegeliaan die geen hegeliaan, en een utopist die geen utopist was. Door rechtse criticasters werd hij gekarakteriseerd als een destructief en negatief denker die geen enkel oog had voor de positieve resultaten van de moderne cultuur, technologie en economie, door linkse tegenstanders als zo vol van de positieve belofte van geluk dat hij een romantische utopist zou zijn. Zo vele tegenstellingen maken nieuwsgierig. Kennelijk heeft Marcuse al de intellectuele invloeden die hij ondergaan heeft op een creatieve en speculatieve manier met elkaar in verband proberen te brengen. Bij herlezing van zijn werk na bijna vijftig jaar maakten vooral deze spanningsbogen zijn denken voor mij interessant.

Het woord ‘interessant’ leidt tot een volgende reflectie. Het is een typisch academisch woord. Het betekent de moeite waard om te bestuderen. Het appelleert aan intellectuele nieuwsgierigheid, niet aan betrokkenheid. Het is onbelangrijk voor de weg die je moet inslaan of voor de opvattingen die je erop na moet houden. En daar ligt een groot verschil met mijn positie nu en toen. Destijds was ik op zoek naar de waarheid voor het leven, nu kan ik ook genieten van opvattingen die ik niet deel. Is die verschuiving te beoordelen als pluralistische vooruitgang, of negatiever, als relativistische onverschilligheid, of nog erger, als een vorm van repressieve tolerantie? Ik laat het in het midden.

De achterliggende inspiratie van Marcuse kan het beste in zijn eigen woorden op formule worden gebracht: ‘[T]he need for radical change must be rooted in the subjectivity of individuals themselves, in their intelligence, and their passions, their drives and their goals.’ Centraal staat voor hem de subjectiviteit van individuen, zowel waar het hun intelligentie, hun passies als hun doeleinden betreft. Die subjectiviteit is in groot gevaar, erger nog, zozeer afgekalfd dat ze niet eens meer herkend wordt. De eendimensionale mens bevat van deze situatie de diagnose. Kritiek is in de hedendaagse kapitalistische samenleving verlamd, ‘eendimensionaliteit’ is de norm, de toestand is totalitair zonder terroristisch te zijn. De combinatie van kapitalisme met technologische rationaliteit heeft deze situatie veroorzaakt. Hoewel die technologische rationaliteit een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de welvaart blijft er een logica van overheersing in zitten, niet alleen van de natuur maar ook van de maatschappelijke werkelijkheid en zelfs van het innerlijk ervaren. Wil die overheersing tot een einde komen om waarlijk een bijdrage te leveren aan de menselijke vrijheid, dan is er een kwalitatieve sprong nodig. Theoretisch wordt die sprong voorbereid door het kritische, negatieve denken (al is dat vrijwel verdwenen uit de hedendaagse filosofie), praktisch lijkt ze nauwelijks nog mogelijk.

Op dit punt gekomen is weer een reflectie mogelijk. Door de nadruk te leggen op zaken als individualiteit, passies en authenticiteit appelleerde Marcuse aan personalistische ideeën. Door de schuld bij het kapitalisme te leggen wist hij marxisten aan zich te binden, en door zijn technologiekritische noties wist hij ook niet-marxisten in het kritische kamp te krijgen. Een hele prestatie voor een therapeutisch gezien weinig opwekkend geschrift.
 

Marcuse en zijn bronnen

In het werk van Marcuse treft de lezer onverwachte en interessante combinaties aan van Marx, Freud, Hegel, Heidegger en elementen van het utopische denken. Bij elk wil ik kort stilstaan, om iets te zeggen over de bronnen van Marcuse en zijn verhouding daartoe.

Marcuse heeft een merkwaardige relatie met de utopie. Om te beginnen is hij een zwartkijker en bepaald het tegendeel van de utopist. Ook zou hij als geschoold dialecticus zich tegen elke utopie moeten verzetten, want die kan uiteraard weer in haar tegendeel omslaan. Tegelijk is hij gevoelig voor het utopische denken, filosofisch doordat hij een theoretisch ijkpunt in ‘the subjectivity of individuals’ neemt en feitelijk wanneer hij door de opkomst eind jaren zestig van de studentenbeweging en de feministische beweging weer (maatschappelijke) mogelijkheden ziet om zijn basisproject te realiseren. In zijn grote boek De erfenis van de utopie analyseert Hans Achterhuis vele pagina’s lang Marcuse als utopisch denker. Hij chargeert zelfs dat hij als eerste achter de tralies van een opvoedingskamp zal verdwijnen wanneer Marcuses ideale maatschappij zal worden gerealiseerd, omdat Achterhuis ook in die maatschappij zich de vrijheid wil voorbehouden om kritisch te blijven. En dat kan dan niet meer door het onderscheid dat Marcuse maakt tussen ware en onechte behoeften. Door tegenstanders op te zadelen met onware behoeften is het niet meer nodig die behoeften serieus te nemen. Integendeel zelfs, ze zullen heropgevoed moeten worden om hun ware menselijkheid te leren kennen. Achterhuis staat niet alleen met deze kritiek. Ook in dit nummer wordt door Boomkens (p. 6), Celikates en Talachian (p. 14) vergelijkbare kritiek geuit. Niet om Marcuse af te zweren maar juist om mogelijke gevaren te voorkomen, zodat niet het kritische kind met het utopische badwater weggegooid hoeft te worden. Dat is niet zo eenvoudig overigens en dat komt door de Hegeliaanse manier van denken en redeneren bij Marcuse.

Over Hegel heeft Marcuse al vrij jong een boek geschreven waarin hij diens ideeën vermaatschap­pelijkt. Waar Hegel de rede met hoofdletters schrijft concretiseert Marcuse zijn ideeën voor de sociale en politieke ontwikkelingen. In zijn eigen woorden: ‘His (=Hegel) system brought philosophy to the threshold of its negation and thus constituted the sole link between the old and the new form of critical theory, between philosophy and social theory.’ Deze opstap tot de kritische sociale theorie was voor hem niet alleen theoretisch belangrijk maar leverde ook heel concreet het lidmaatschap van de zogenaamde ‘Frankfurter Schule’ op. Het leverde hem ook termen als ‘negatie’ en een intellectueel instrumentarium op. De term ‘negatie’ heeft twee uiteenlopende betekenissen bij Marcuse. Het betekent zowel de ontkenning van de menselijke vrijheid en het goede leven door een onderdrukkend sociaal of economisch systeem, als ook de ontwikkeling van een kritisch, revolutionair bewustzijn dat zulke onderdrukkende maatschappelijke structuren probeert teniet te doen. Negatie in deze tweede betekenis ziet Marcuse als een alternatief voor eendimensionaal denken. Van het aan Hegel ontleende intellectuele instrumentarium noem ik twee zaken. In de eerste plaats het denken in tegenstellingen (we zagen al het verschil tussen ware en onechte behoeften). In de tweede plaats de neiging om de gehele werkelijkheid in een grote conceptuele greep te pakken te krijgen. Termen als het kapitalistische systeem en het technologische systeem zijn daar voorbeelden van. Door deze aanpak worden natuurlijk wel kleine onderscheidingen binnen het systeem aan het oog onttrokken. Overigens is op dit punt de invloed van Heidegger nog groter, maar daarover later.

Voor Marx had Marcuse grote bewondering. Hij heeft hem dan ook diepgaand bestudeerd. Vooral heeft hij er werk van gemaakt de jonge Marx onder het stof van het orthodoxe marxisme weg te halen. En van die jonge Marx heeft de term ‘vervreemding’ voor hem grote betekenis gekregen. Binnen het kapitalisme zijn mensen vervreemd van (de vruchten van) hun arbeid. Tot Marcuses ergernis heeft de latere marxistische orthodoxie aan dit goede inzicht een draai gegeven die opnieuw tot vervreemding leidt. Binnen het orthodoxe marxisme kan alleen het proletariaat revolutionair zijn, met uitsluiting van alle andere mogelijkheden. Voor Marcuse droeg deze interpretatie van Marx ertoe bij dat individuen gereduceerd werden tot hun klassepositie en als zodanig ‘verdinglicht’. Op die manier wordt aan zijn meest wezenlijke inspiratie getornd, de subjectiviteit van individuen. Voor marxisten was Marcuse daarom geen goede marxist, volgens Marcuse hadden zij Marx niet goed begrepen. Marcuse was dan ook buitengewoon kritisch niet alleen over het kapitalisme maar ook over het reëel existerende socialisme. Om niet in hun reducerende valkuil te stappen wendde hij zich tot Freud en Heidegger.

Het is niet verbazingwekkend dat Marcuse met Freud in aanraking kwam. De psychoanalyse (niet de praktijk maar de filosofie ervan) was een belangrijk en geaccepteerd thema binnen de Frankfurter Schule. Marcuse probeerde Freud en Marx met elkaar in verbinding te brengen, zowel om conservatieve elementen uit de psychoanalyse alsook om reducerende tendensen binnen het marxisme tegen te gaan. Het resultaat kan freudo-marxisme genoemd worden, door sommigen ook als pseudo-marxisme beschouwd. Hoezeer Marcuse Freud bewonderde laat het volgende citaat zien: ‘During the twenty years of its development prior to the First World War, psychoanalysis elaborated the concepts for the psychological critique of the most highly praised achievement of the modern era: the individual. Freud demonstrated that constraint, repression, and renunciation are the stuff from which the “free personality” is made; he recognized the “general unhappiness” of society as the unsurpassable limit of cure and normality. Psychoanalysis was a radically critical theory.’ Marcuse werkte dit uit in zijn boek Eros and Civilization. Dit boek is een reactie op Das Unbehagen in der Kultur, waarin Freud een pessimistisch beeld schetst van de menselijke beschaving die steeds repressiever wordt. Marcuse probeert het pessimisme van Freud tegen te gaan door het volgens hem emancipatoire potentieel ervan uit te werken. Dat doet hij door twee stappen te zetten. Ten eerste, door aan te tonen dat menselijke instincten en driften niet uitsluitend biologisch zijn vastgelegd, maar eerder sociaal, historisch en kneedbaar zijn. Ten tweede, dat een repressieve samenleving ook het vermogen heeft, hoe beperkt vaak ook, om die repressie af te schaffen (zie hiervoor ook het artikel van Pieter Lemmens, p. 22). In deze context introduceert hij twee termen waarvan de laatste overbekend is geworden: Basale repressie die hij met Freud nodig vindt om een beschaving in stand te houden, en surplus repressie, waar niet beheersing maar overheersing aan de orde is. En dat laatste is het geval in de kapitalistische samenleving, waardoor Freud en Marx op elkaar betrokken kunnen worden.

Hoewel het bijna niet te geloven is heeft vooral  Heidegger een enorme invloed op Marcuse uitgeoefend. ‘Gelassenheit’ versus activisme. Het lezen van Sein und Zeit had Marcuse zeer aangegrepen, eindelijk trof hij een filosoof die de menselijke praktijken zelf onder de loep nam in plaats van alleen maar conceptueel te redeneren. Hij vertrok naar Freiburg om bij Heidegger te studeren en een Habilitation te schrijven. Zijn doel was aanvankelijk een heideggeriaans of fenomenologisch marxisme (kom er maar op) uit te werken. Na verloop van tijd nam Marcuse afstand tot Heidegger. Inhoudelijk omdat hij vond dat deze onvoldoende concreet op de menselijke praktijken inging. In het werk van Heidegger komen wel hamers voor, maar geen fabrieken. Politiek wendde hij zich van hem af toen Heidegger zich bij het nationaal-socialisme aansloot. Op twee manieren is evenwel de invloed gebleven, in de notie van ‘oneigenlijkheid’ en in de wetenschaps- en techniekkritiek. Het onderscheid dat Heidegger maakt tussen een ‘eigenlijke’ en ‘oneigenlijke’ wijze van bestaan loopt als een rode draad door het werk van Marcuse. Het komt bijvoorbeeld terug in het onderscheid tussen echte en onechte behoeften. De kritiek op wetenschap en techniek in De eendimensionale mens is bijna letterlijk aan Heidegger ontleend. Marcuse schrijft daarin over technologie als het geheel van voorwaarden voor techniek die onderdrukkend want beheersend zou zijn. Het is niet duidelijk of hij daar het gehele maatschappelijke systeem mee bedoelt of meer de transcendentale voorwaarden die techniek mogelijk maken. Wanneer die voorwaarden voor de technologie zelf gehouden worden (Peter-Paul Verbeek noemt dat in zijn boek De daadkracht der dingen transcendentalisme) is technologie alleen maar in één smaak te krijgen: de onderdrukkende. Voor Heidegger klopte dat wel, maar Marcuse zat ermee. Wat te doen met de kennelijke ‘Technikfreudigkeit’ van Marx, toch zijn belangrijkste inspiratiebron? En hoe een technologie te formuleren die qua karakter niet repressief is? Het antwoord kan hier achterwege blijven omdat Pieter Lemmens er in zijn artikel op ingaat.
 

Nieuwe reflecties

Dit overzicht leidt tot een aantal nieuwe reflecties. Wat opvalt is dat de bronnen van Marcuse nog recht overeind staan (al zijn Freud en Marx wat uit de mode) en dat het werk van Marcuse al vrij snel in de vergetelheid is geraakt. Het is kennelijk voor filosofisch succes beter om niet te filosoferen over de concrete maatschappelijke situatie van nu, om niet aan te sluiten bij de actualiteit. Wil je als filosoof beklijven dan verdient het de voorkeur om monomaan een eigen lijn uit te zetten. Moet daarom geconcludeerd worden dat Marcuse geen succes had? Zo’n conclusie lijkt mij te gemakkelijk. Het is ook een succes wanneer er voor lezingen van iemand op de zwarte markt kaartjes worden gekocht. Je kunt ook van succes spreken als iemands werk overbodig is geworden. In een sombere observatie van René Boomkens elders in dit nummer klinkt dat ongeveer zo: De eendimensionaliteit is zo sterk geworden dat Marcuse nu zelfs meer gelijk heeft dan destijds, met als gevolg dat zijn werk niet meer gelezen hoeft te worden, of erger nog, niet meer begrepen kan worden. Er lijkt geen alternatief te zijn voor het kapitalisme, terwijl de financiële en economische crisis wereldwijd maar al te zeer aantoont dat er naar alternatieven gezocht moet worden. Het feit dat Marcuse naar zo’n alternatief zocht, en hier ben ik optimistischer dan Boomkens, maakt hem filosofisch nog steeds relevant, ook al hoeft niemand het eens te zijn met zijn aanpak en uitkomsten. Op dit punt past een kleine toelichting bij de titel van dit artikel: Het persoonlijke is politiek. Deze uitdrukking is te danken aan de feministische beweging en werd in de jaren zestig en lang daarna een slogan. Ze kan op verschillende manieren begrepen worden. De huidige interpretatie is dat de persoon van de politicus belangrijker is dan de inhoud van zijn politiek; spindoctors en pr-managers maken daarbij in feite de dienst uit. Niets ligt verder van Marcuse vandaan dan deze interpretatie. Voor hem is het persoonlijke politiek, omdat de politiek zou moeten draaien, zowel aan de kant van het subject als aan dat van het object, om de subjectiviteit van individuen, om hun intelligentie, hun passies, hun drijfveren en hun doeleinden. Die diepe basisintuïtie verdient het mijns inziens om gekoesterd te worden.

Bijna vijftig jaar na mijn eerste kennismaking met Marcuse heb ik hem weer gelezen. En ik vond het veel interessanter dan toen. Natuurlijk omdat ik het een en ander bijgeleerd heb waardoor ik zijn ideeën nu veel beter kan plaatsen. En ook zijn evocerende, weinig argumentatieve schrijfstijl kan ik inmiddels retorisch waarderen. En stel dat er tijdmachines zouden bestaan, dan zou ik graag met de kennis die ik nu heb een kleine vijftig jaar in de tijd terug reizen om met Marcuse te praten. Mijn advies aan hem zou dan zijn door te gaan met zijn programma, de nadelen van Hegel weg te werken, en Heidegger in zijn geheel te vervangen door Helmuth Plessner. Waarom? Omdat Plessner beter dan wie ook uitdrukking heeft gegeven aan de basisintuïtie van Marcuse, culminerend in niets minder dan de ‘Unergründlichkeit’ van de mens.