Home Het oppervlak bestaat niet

Het oppervlak bestaat niet

Het ondergrondse heeft een slechte naam. We associëren het met het sub​versieve en het illegale. Onterecht, vindt Maria Karssenberg. Onder de oppervlakte ontstaan nieuwe culturele, politieke en wetenschappelijke praktijken die in directe verbinding met het bovengrondse staan.

Door Maria Karssenberg op 24 november 2022

Het oppervlak bestaat niet
Wijsgerig Perspectief 04 2022 WP
Wijsgerig Perspectief nr 4/2022 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

De Zweedse wetenschapper en milieuactivist Andreas Malm (1977) begon zijn carrière als milieuhistoricus met de publicatie van Fossil Capital (2015), een uitvoerige geschiedenis van onze op fossiele brandstoffen gebaseerde maatschappij. In 2020 publiceerde hij How To Blow Up A Pipeline, een beknopte analyse van milieuactivisme waarin hij zijn wetenschappelijke werk doortrekt naar een kritiek op de huidige maatschappij en een oproep doet tot politiek activisme.

Tijdens een bijeenkomst van het Nederlandse onderzoekscollectief The ARCHAIC (Anthropocene Research Collective for Human, Animal and Interspecies Collaborations) vertelde hij hoe zijn academische werk zich vertaalt in politieke inzichten die om actie vragen. Hoe lang kunnen we klimaatwetenschap, kritische theorie of politieke filosofie nog beoefenen zonder de barricade op te klimmen? Dat gaat niet meer, volgens Malm, een overtuiging waar eigenlijk alle deelnemers zich in konden vinden, ondanks de grote diversiteit aan vakgebieden en achtergronden in de groep.

Wetenschap alleen lijkt steeds minder toereikend voor de grote problemen van nu. ­Denken in rigide vakgebieden, objectieve vormen van kennis en een artificiële afstand tussen de maatschappij en natuur, is niet langer voldoende om de wereld te begrijpen en te beïnvloeden. Kortom, de grenzen tussen vakgebieden en tussen wetenschap, maatschappij en natuur staan onder druk.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Grenzen, onderscheidingen en afbakeningen zorgden lange tijd voor verduidelijking. Ze maakten zeer specialistische kennis mogelijk. Maar steeds vaker wordt het duidelijk hoe deze afgrenzingen ook voor veel problemen zorgen. Verschillende filosofen hebben zich hierover gebogen, op zoek naar een ontologie en epistemologie die passen bij de complexe wereld van nu, en die mens, wetenschap, maatschappij en aarde met elkaar in verband brengen en onze verantwoordelijkheid vooropzet. Wat betekent dit voor mij als filosoof, als wetenschapper? Moet ik politiek activist worden om mij voor een leefbare toekomst in te zetten? Moet ik het riskeren gearresteerd te worden, een strafblad te krijgen en vervolgens niet meer te kunnen onderwijzen en nieuwe generaties voor te bereiden op diezelfde toekomst waar we hart voor hebben? Wie bepaalt er nog wat geaccepteerde methoden zijn om bij te dragen aan een betere maatschappij?

Klimaatwetenschap wordt veelal geprezen, maar de onheilspellende uitkomsten ervan vertalen in de enige actie die volgens Malm nog voor verandering kan zorgen, namelijk het saboteren van de productiemiddelen die de ecologische verwoesting mogelijk maken, wordt gezien als onacceptabel. Er is sprake van een breuk tussen de geoorloofde bovengrondse praktijken en het ongeoorloofde ondergrondse: een oppervlak dat als de demarcatie van het normale en het professionele fungeert.

In ons gesprek met Malm werd duidelijk hoe ingewikkeld het is rond deze grens te navi­geren. Moeten we twee gescheiden levens leiden, één politiek en één academisch? Of kunnen we beter net zo stellig zijn als Malm en de twee sferen met elkaar verbinden, politieke kritische geluiden normaliseren en tonen hoe zowel wetenschap als activisme het resultaat zijn van kritisch denken en zorgen om de staat van de wereld? Hoe bekritiseren we het bestaan van zo’n tweedeling zelf? Wat is ondergronds (activisme) en wat is bovengronds (wetenschap)? En hoe geeft de ordening van de werkelijkheid in termen van bovengronds en ondergronds richting en vorm aan ons handelen en denken?

Twee filosofen die hulp kunnen bieden bij deze grote vragen zijn Michel Serres en ­Thomas Nail. Beiden vertalen hun politieke kritiek in een filosofie die poogt een fundering te leggen voor een denken over de wereld waar ons handelen deel van uitmaakt.

De Franse filosoof Michel Serres (1930-2019) studeerde eerst wiskunde en werkte als ­officier bij de marine, voordat hij zich volledig aan de filosofie wijdde omdat hij niet kon leven met de belangenverstrengeling tussen wetenschap en politiek zonder daarop te reflecteren. Zijn voornaamste beweegreden is de atoomaanslag op Hiroshima in 1945, wat hem aanzet tot het bekritiseren van de integriteit van een wetenschap die wordt ingezet voor zulke wrede doeleinden. In reactie hierop vormt zijn filosofie zich als een project tegen dualisme, tegen de verdelende werking van de wetenschap en voor een denken dat niet over de wereld denkt, maar plaatsvindt in de wereld en verbanden legt.

De Amerikaanse filosoof Thomas Nail (1979) beantwoordt de vraag wat hem motiveerde om filosoof te worden als volgt: politieke punk (zoals de band Propagandhi, die vaak teksten van Chomsky aanhaalt) spoorde hem aan tot politieke filosofie en specifieker tot anarchisme. Betrokken bij de punkscene en bij activisme werd het hem duidelijk dat we theorie nodig hebben om over de problemen in de wereld na te denken en activisme aan te sturen.

Aan de hand van de filosofie van Serres en Nail, via de thema’s wet, aarde en politiek, en met behulp van literaire en historische voorbeelden, zal ik illustreren hoe een verdeling in onder- en bovengrond tot stand is gekomen. Vervolgens vraag ik me af, aan de hand van voorbeelden uit de natuurwetenschap en politiek, of deze onderscheiding gegrond en nog langer houdbaar is.

De wet: de grens tussen het boven- en ondergrondse

Terreinen in tweeën delen, zowel het fysieke terrein van de aarde als een denkbeeldig moreel terrein zoals religie, in een ondergronds deel en een bovengronds deel, is wellicht zo oud als de mensheid zelf. De begrippen bovengronds en ondergronds spelen niet enkel als metafoor maar als sociaal construct een rol in de realiteit. Bijvoorbeeld ondergrondse kranten of radiozenders in tijden van repressie van de vrije pers: het ondergrondse staat voor verzet tegen een regime. Maar ook nu in onze huidige neoliberale democratieën komen stemmen tegen de dominante machtsverhoudingen vanuit ondergrondse kanalen.

Het onder- en het bovengrondse weerspiegelen het geaccepteerde versus het ongeaccep­teerde, de mainstream versus het subversieve, het gehoorzame versus het ongehoorzame, het obscure versus het heldere, en meer letterlijk: de diepe ontoegankelijke aarde versus de toegankelijke en begrijpelijke wereld boven het aardoppervlak. Het lijkt vanzelfsprekend in zulke tweedelingen te denken, alsof deze er altijd al geweest zijn, en voor iedereen hetzelfde zijn. Echter, wanneer wijzelf aan de onderkant van een dergelijke tweedeling worden geplaatst, merken we dat dit helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Het komt dan veeleer over alsof deze onderscheiding ‘van bovenaf’ wordt opgelegd.

In ‘Voor de wet’ (1925), een kort verhaal van Franz Kafka, staat een man van het platteland voor de poort van een stadsmuur en vraagt om toegang. De poort staat weliswaar open, maar de man van buiten wordt er tot op zijn oude dag niet doorgelaten. De muur staat symbool voor de wet en duidt haar artificiële natuur aan: een construct door mensen gemaakt en bewaakt. En bovendien, zo blijkt aan het einde van het verhaal, is niet iedereen gelijk voor de wet. Deze poort in de muur is er namelijk alleen voor deze man.

De wet, laat Kafka zien, werkt verdelend. Zij besluit wie erbinnen en wie erbuiten valt. Ze verdeelt de maatschappij in een binnen en een buiten, een boven- en een ondergrondse. Ze beschermt de een, maar benadeelt de ander. Ze vormt de grens tussen het geaccepteerde en hetgeen dat als gevaar voor de samenleving wordt gezien: het politieke dat als radicaal, activistisch of zelfs terroristisch bestempeld wordt, wordt tot het ondergrondse verbannen. De wet creëert aldus een samenleving die bestaat bij de gratie van uitsluiting.

En al schetst Kafka zijn verhaal absurdistisch, en al doet het aan als een ouderwets tafereel, het blijkt pijnlijk accuraat en relevant vandaag de dag. Wereldwijd zien we hoe grenzen, die soms letterlijk de vorm van een muur aannemen, door staten en hun wettelijke instituties worden bewapend. Mensen op zoek naar een veiliger thuis, naar familie of naar werk, worden buiten deze muren gehouden zoals de man van het platteland in de parabel van Kafka. Ook zij bekopen deze poging tot toegang vaak met hun leven.

Zo’n muur staat er niet alleen op de Mexicaans-Amerikaanse grens, maar ook rondom Europa loopt een soms tastbare, zoals rond de Spaanse enclave Melilla, en soms minder tastbare grens, bewaakt door het Europese grensleger Frontex. Wie zich kritisch uitspreekt over dit grensleger, zoals de actiegroep Abolish Frontex, Stop the War on Migrants en andere groepen, wordt gezien als bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Dergelijke kritische politieke geluiden worden verbannen tot het ondergrondse, omdat zij in het bovengrondse op hevige repressie van de politie kunnen rekenen. Wie ervoor pleit dat iedereen gelijk zou moeten zijn voor de wet komt ook aan haar onderkant terecht.

Het beeld van de wet als een muur die de stadsstaat beschermt tegen wat daarbuiten ligt, kent zijn oorsprong in het Romeinse recht. De Amerikaanse filosoof Thomas Nail legt in een interview (2022) uit hoe wat vaak vertaald wordt als ‘wet’ uit het Latijn een veelbetekenende voorgeschiedenis heeft: ‘nomos’ betekende ooit niets anders dan de ‘commons’, hetgeen wat niet verdeeld kan worden, het gemeenschappelijke van een community dat niet toegeëigend maar enkel vrij betreden en gebruikt kan worden. Zoals de velden waar het vee graast, de bossen om de velden heen, de zee en de lucht. Met de komst van Romeinse stadsrechten is het woord van betekenis veranderd: het gemeenschappelijke heeft plaats gemaakt voor eigendom. Zoals een muur die het landschap verdeelt en beheerst, verdeelt de wet dat wat eerst onverdeelbaar was. De verandering in betekenis van het woord ging gelijk op met de sociaal-politieke veranderingen die de wereld verdeelden in eigendommen. En zo werd een wet mogelijk die enkel betrekking heeft op afgebakende eenheden zoals eigendom en zodoende degenen met bezit beschermt.

De constructie van het ondergrondse

Afbakening is nodig om de dingen te kunnen benoemen, nodig om te begrijpen waar het ene eindigt en het andere begint, nodig voor onze taal en logica, en lijkt aldus iets oorspronkelijks. Afbakening berust echter op een beslissing, zo legt Michel Serres ons uit in zijn boek ­The Natural Contract (1990). Deze beslissing tot het maken van grenzen en markeringen is oorspronkelijker dan de afbakening zelf, en de Engelse term ‘decision’ (beslissing) wijst op het afsnijden, op de constructie van een afgrond. ‘Wie beslist’ vraagt Serres ons, ‘de wetgever of degene die de wet oplegt of toepast?’ Het beslissen en opleggen van de wet is etymologisch gelinkt aan het creëren van afscheidingen.

De wet zorgt dat we als maatschappij samen kunnen leven in relatieve orde, de wet stabiliseert en zorgt voor een zekere vorm van eenheid. Deze eenheid die gewaarborgd wordt door de wet, geschreven of ongeschreven, is wat door Rousseau het ‘sociale contract’ genoemd werd. Na dit contract zouden onderlinge sociale banden duidelijk zijn en zou er niet langer ruimte zijn voor de natuur, zo haalt Serres de woorden van Rousseau aan. ‘Behalve voor de eenzame dromer’, schrijft Rousseau: wie anders denkt, werd reeds uitgesloten.

Het contract is als de stadsmuur die de maatschappij omsluit: niet alleen sluit deze de ene mens buiten en de andere binnen, bovendien sluit zij de natuur buiten. Onze wetten die betrekking hebben op het menselijke handelen vergeten dat dit handelen zich afspeelt te midden van alles om ons heen: de natuur, de aarde, de wereld. En daarom pleit Serres voor een nieuw contract: een contract met de natuur. Een contract zoals dat van Rousseau, ongeschreven en zonder letterlijke oorsprong, een contract dat altijd al daar was, namelijk de connectie tussen denken, politiek en de aarde.

De wet en het analytische denken staan aan het begin van het recht en de wetenschap. Ze zijn gebaseerd op het onderscheiden van eigenschappen en eigendom. Afbakenen en toe-eigenen zijn essentieel voor zowel de westerse maatschappij als de westerse wetenschap, stelt Serres. Hij beschrijft hoe aan het begin van het westerse wetenschappelijke en technologische tijdperk via de filosofie van onder anderen Descartes eigendom en overheersing centraal kwamen te staan, die de mogelijkheidsvoorwaarde boden voor vernietiging en vervuiling:

‘Beheersing en bezit: dit zijn de hoofdtermen die Descartes lanceerde aan het begin van het wetenschappelijke en technologische tijdperk, toen onze westerse rede eropuit ging om het universum te veroveren. We domineren en eigenen toe: dat is de gedeelde filosofie die ten grondslag ligt aan de industriële ondernemingsgeest, evenals aan de zogenaamde belangeloze wetenschap – beide zijn in dit opzicht niet te onderscheiden. Cartesiaanse beheersing reguleert het objectieve geweld van de wetenschap en maakt het tot een gecontroleerde strategie. Onze fundamentele relatie met objecten komt uiteindelijk neer op oorlog en eigendom.’ (Serres 1990: 32)

Van eigendom komt uitbuiting, dat is een gegeven volgens Serres. Het toe-eigenen van land leidt tot de vervuiling en vernietiging ervan. En het toe-eigenen van de natuur als geheel waardoor haar objectivering en dus haar uitbuiting mogelijk werd, stond aan het begin van de westerse natuurwetenschappen. Galileo schiep de mogelijkheidsvoorwaarden voor een wetenschap die los van de wereld staat, pleit Serres, door de natuur af te grenzen en door te zeggen: ‘Dit behoort de wetenschap toe.’ Zo richtte Galileo de wetenschap op door haar eigendomsrecht te geven, en zo legde hij de fundering voor de moderne maatschappij.

De aarde: voorbij het oppervlak

We stellen ons de wereld weliswaar voor als sfeer, maar op een wereldbol beelden we enkel hetgeen af wat we van de oppervlakte weten. Landkaarten, zowel topologische als geologische, laten alleen het aardoppervlak zien. Maar, zo stelt Thomas Nail in zijn boek Theory of the Earth (2021), de aarde is niet slechts haar oppervlak. Onze beperkte blik op de aarde komt door de beperkte toegang die we hebben tot haar binnenste. Als bewoners van het aard­oppervlak lijkt het van een zekere logica te getuigen om ons te focussen op deze regio van de planeet. Echter, vergeleken met al het filosofische en wetenschappelijke denken over de hemel boven ons, is er bijzonder weinig aandacht voor de grond onder onze voeten. Nail verklaart dit als volgt:

‘We beschouwen de diepe aarde, planetair vulkanisme, meteoorinslagen, zonneritmes en kosmische gebeurtenissen niet graag als ecologische kwesties, vanwege een impliciete menselijke vooringenomenheid die de voorkeur geeft aan zichtbare objecten en gebeurtenissen op ‘menselijk niveau’, vooral diegene die we direct kunnen manipuleren.’ (Nail 2021: 92)

Niet alleen spreekt deze afkeer van de diepe ondergrond van desinteresse, het levert ons ook een vertekend beeld van de aarde op. Door de aarde alleen te beschouwen als het statische aardoppervlak waarop de mens en de natuur zich tot elkaar verhouden, zien wij over het hoofd hoe begrensd onze blik is. We definiëren de aarde als een zeer kleine regio (het oppervlak), een zeer kleine tijdsperiode (het Holoceen) en een zeer klein deel van de activiteit op aarde (die van de mens).

Deze begrenzingen hebben grote consequenties, niet alleen voor ons geografisch of geologisch inzicht, waar ik als geoloog overigens heus het belang van inzie, maar ook voor ons begrip van ons eigen bestaan, onze ontologie en onze politiek (waarover in de volgende twee paragrafen meer).

De begrenzing in ruimte en in tijd hangen met elkaar samen, in die zin dat het oppervlak niet alleen als definiërend voor het geheel van de aarde wordt beschouwd, maar ook voor een statisch geheel wordt gehouden. Dit is wellicht typisch voor het Holoceen, het meest recente geologische tijdperk in de geschiedenis van de aarde, dat een hoge mate van stabiliteit kent. Maar schijn bedriegt: al was de zeespiegel relatief constant, het klimaat zeer mild, en kende deze tijd geen grootschalige vulkanische activiteit of meteorietinslagen, de aardse processen die voor continue beweging zorgen zijn niet verdwenen. Het aardoppervlak is dan ook niet statisch, maar onder invloed van inwendige en uitwendige processen.

Geologen zien het aardoppervlak als een momentopname, een dynamisch temporeel evenwicht tussen gesteente dat door beweging in de mantel omhoog wordt gestuurd en onder invloed van chemische en fysische processen aangestuurd door de atmosfeer, biosfeer en hydrosfeer wordt afgebroken, verplaatst en opnieuw omhoog wordt gedreven vanuit de diepte. Deze cycli van elkaar beïnvloedende processen zijn op meer manieren met elkaar verstrengeld dan wij reeds weten. Wat wel duidelijk is, is dat het niet de huidige vormen aan het aard­oppervlak zijn die de aarde typeren, maar de oneindige fluxen aan materie die door dit oppervlak heen stromen. We krijgen een betere voorstelling van dit oppervlak als we ons idee van een rigide oppervlak vervangen door dat van een doorgeefluik, of een poreus membraan, waar elementen zich continu doorheen bewegen, nieuwe samenstellingen vormen, en een nieuw deel uitmaken van het continuüm dat de geosfeer-hydrosfeer-biosfeer-atmosfeer-cryosfeer is.

Deze continue processen van metamorfose zijn niet alleen tekenend voor de aarde, maar voor de gehele kosmos. Nail stelt dat er geen ontologisch of transcendentaal verschil is tussen binnen en buiten, diepte en oppervlak, materie en vorm; slechts wat hij noemt ‘kristallisatie, de-kristallisatie en her-kristallisatie’, de voortdurende processen van materiële metamorfose. Het oppervlak verliest zo haar statische positie, en het is duidelijk geworden dat we enkel inzicht in de aard van onze planeet kunnen krijgen als we oog hebben voor haar dynamische karakter en het ondergrondse in ons denken kunnen betrekken.

Als we op een dynamische wijze denken over de aarde, verliest zelfs het oppervlak (die we kennen als vaste grond, harde rotsen, vertrouwde kustlijnen) zijn statische hoedanigheid. De implicaties daarvan reiken verder dan de geologie of de ecologie. Nail omschrijft hoe dit in wezen een radicale omkering is van de transcendentale filosofie die altijd naar een stabiele grond heeft gezocht.

Wanneer die grond niet meer absoluut is maar dynamisch, wanneer haar vorm niet het meest tekenend blijkt, maar de processen die haar vormen, dan blijkt de stabiele grond die het menselijke denken zou moeten funderen niet meer zo vanzelfsprekend. Een dergelijk ­dynamisch begrip van de ondergrond bedreigt de fundering van ons denken en handelen; als de achtergrond van het menselijke spektakel namelijk mee gaat doen, verdwijnt de mens uit het middelpunt. De mens blijkt geen uitzonderingspositie te hebben, en het menselijke denken en handelen blijken niet het enige dat onze wereld in beweging zet.

Dit besef vraagt om een nieuwe ontologie, een ontologie waarin alles in beweging is: de mens, de natuur, de bergen, de zeeën en kusten, alles wat lang als een gegeven werd gezien, blijkt in continue transformatie. Volledig nieuw is dit echter niet. Nail wijst ons op de klassieke denker van beweging en proces: Lucretius. Lang genegeerd of verkeerd geïnterpreteerd omdat al die beweging maar aanstoot gaf. Recent pogen zowel Nail als Serres zijn gedachtegoed een hernieuwde plaats in een ontologie van beweging te geven.

Het politieke: het spektakel aan het oppervlak

In een tijd dat erkend wordt dat de aarde een toenemende rol speelt in het menselijke spek­takel aan het oppervlak, een tijd die ook wel het Antropoceen genoemd wordt, kunnen we het ons niet langer permitteren deze aarde verkeerd te begrijpen.

In de openingspassage van The Natural Contract beschrijft Serres het schilderij Men ­Fighting with Sticks van de Spaanse schilder Francisco Goya waarop twee vijanden met knuppels in gevecht verwikkeld zijn. Het is een aangrijpend tafereel, maar Serres wijst ons niet op de figuren die als eerste onze aandacht trekken, maar op de setting van het duel: beiden vechters staan tot hun knieën diep in het drijfzand. Het is dus plausibel dat nog voor een van de vechters wint, beide door de aarde opgeslokt zullen worden. Volgens Serres is dit tekenend voor westerse narratieven: onze cultuur focust op het menselijke spektakel, en is zich zo­doende onbewust van de natuurlijke wereld waarin dit zich afspeelt. En dat in een tijd waarin het drijfzand niet meer enkel een paar duellisten bedreigt, maar de dreigingen van de natuur zich op wereldwijde schaal afspelen. Het ondergrondse dringt zich aan ons op.

Serres schreef in 1990 al dit manifest als een reactie op de ecologische crisis, legde zijn vinger op de historische processen die ons in deze toestand gebracht hebben en omschreef de kenmerken van het Antropoceen nog voor deze term geopperd was. Dit manifest is een oproep tot het aanpassen van onze verhouding tot de materiële wereld om ons heen. Het legt de geschiedenis van het westerse denken en haar verwikkeling met imperialisme bloot. En het daagt ons uit het denken terug in de wereld te plaatsen, om de relaties tussen ons denken, het landschap en onze cultuur te zien. Serres pleit voor een uitweg uit de destructieve verhoudingen tot de natuur, door deze natuur beter te begrijpen, haar niet van buitenaf maar van binnenuit te bestuderen, zoals een zeeman of een boswachter. Overgeleverd aan haar grillen leren wij haar pas kennen, niet al peinzend van achter een raam naar buiten starend. En deze kennis van de natuur dienen we weer in verband te brengen met de geesteswetenschappen, vrij van belang, macht of instituties, niet uit passie voor een natiestaat of eigendom maar uit passie voor de aarde en de mensheid als geheel.

Nails Theory of the Earth kun je lezen als een uitstekend voorbeeld van hoe Serres’ raad ter harte genomen is. Op zijn manier heeft Nail gedaan wat Serres ons opdraagt te doen: het opstellen van een natuurlijk contract. Wellicht niet als zeeman, maar door zich in de materiële wetenschappen zoals geologie, kosmologie en kwantumfysica te begeven. Zodoende betrekt hij de studie van de aarde en de kosmos in zijn filosofie en poogt hij naturalisme en humanisme bij elkaar te brengen.

Ook voor Nail is dit geen apolitieke kwestie. Zijn ontologie van beweging (die hij uiteenzet in een reeks van zes boeken waarvan bovengenoemde de laatste is), is doordrongen van impliciete en expliciete kritiek op het westerse denken en de sociale en ecologische relaties die dit heeft opgeleverd. De historische denkfout van het Westen – dat de aarde stabiel en voorspelbaar is – is, zo concludeert hij, een van de meest desastreuze fouten in haar geschiedenis geweest, met de destructie van zowel sociale als ecologische diversiteit tot gevolg. Hij sluit zijn boek af met een toekomstvisie, een kritiek op het kapitalisme vanuit het denken over een bewegelijke aarde, redenerend hoe kapitalisme tegen alle natuurwetten ingaat, hoe het thermodynamisch onhoudbaar is, en dat als we willen overleven we onze sociale wetten zullen moeten aanpassen opdat ze in overeenstemming raken met de aarde.

Politiek is, aldus Serres, een inaccurate term geworden. Op het spel staat namelijk niet langer enkel de polis (stadstaat). De wereld van buiten is binnengevallen en kan niet langer los gezien worden van het menselijke handelen. De bestuurder wordt gedwongen buiten de stadsmuren te treden, buiten de sociale wetten, het domein van de natuurwetten in. Ons voortbestaan zal afhangen van dit contract met de natuurlijke wereld, die niet langer ons eigen­dom kan zijn, maar ons in een web van relaties plaatst met alle dingen om ons heen, zoals elke vorm van contract een collectie verbintenissen creëert.

Dit contract hoeft echter niet opgesteld te worden, net zoals het sociale contract van Rousseau nooit letterlijk is opgesteld. Het is er namelijk al. Ons handelen en denken is altijd al verstrengeld geweest met de wereld waarin we ons begeven. Ons denken is niet iets wat aan een kant van een cultuur-natuur-onderscheid plaatsvindt, maar iets waar de natuur, organisch en anorganisch, van doortrokken is. De mens bootst de natuur na in haar denken en haar ­creatie van wetten en contracten die de samenhang en onderlinge communicatie van de dingen om ons heen beschrijven.

De wet, zegt Serres, is een construct dat niet zozeer wetgevend is maar omschrijvend. Zij volgt de realiteit, niet andersom. Een natuurwet is een door de mens geobserveerde trend die we herkennen in een regelmatig patroon in de processen om ons heen. De juridische wet kan niet de werkelijkheid opleggen, maar enkel haar verbanden omschrijven en haar relaties voorschrijven. De echte realiteit wordt gecreëerd van onderaf, ­‘bottom-up’, net als in de natuur. Het ondergrondse staat in directe verbinding met het bovengrondse: aardse processen vormen ons landschap, onze atmosfeer en het leven dat zich daar afspeelt. Een harde grens tussen deze domeinen is niet te bepalen. Zo ook zijn het de sociale en politieke processen die op kleine schaal ontstaan, de concrete relaties tussen mensen, hun ideeën en hun omgeving, die zich verspreiden, aan de oppervlakte van de maatschappij komen en sociale en politieke verandering teweegbrengen. Categoriseren welke politieke ideeën ondergronds dan wel bovengronds zijn, berust op een imaginair onderscheid, dat wordt opgelegd door de heersende macht met als agenda diens eigen ‘bovengrondse’ macht veiligstellen.

Het nut van het ondergrondse

Valt er dan geen onderscheid meer te maken tussen het onder- en het bovengrondse? Blijven we achter met een reductionisme dat stelt dat alles een gradueel proces van onderop is, in beide verstrengelde domeinen van het natuurlijke en het sociale? Nee, we kunnen wel degelijk domeinen van elkaar onderscheiden, maar de grenzen ertussen zijn wellicht minder concreet dan we denken. De onderlinge verschillen zijn minder normatief.

Het sociale ondergrondse heeft vooralsnog een belangrijke plaats in onze maatschappij. Zodra we de veroordelende bril afzetten en het ondergrondse niet enkel associëren met het subversieve en het illegale, zoals de wet ons aanspoort te denken, dan zien we dat de verborgenheid van het ondergrondse ruimte biedt die aan de oppervlakte ontbreekt. Zowel op het gebied van cultuur, politiek en wetenschap kan men zien hoe bepaalde ruimtes plaats bieden voor nieuwe ideeën en praktijken die aan de oppervlakte van de mainstream niet getolereerd worden.

De geschiedenis van de westerse wetenschap, zo laat ook Serres zien, bestaat uit ideeën die uit het ondergrondse kwamen, aan de verkeerde kant van de wet stonden en waarvoor de ­creatieve geest het met zijn leven heeft moeten bekopen (Serres noemt een hele reeks, van Zeno tot Anaxagoras tot Galileo en Lavoisier). De afgelopen eeuw aan muziekgeschiedenis toont iets zeer vergelijkbaars: zowat alle hedendaagse populaire genres zijn begonnen in een soms letterlijk ondergrondse ruimte. Ze werden in eerste instantie verafschuwd of zelfs verbannen. Toch kon vanuit het ondergrondse hun invloed groeien en is hun populariteit tot het bovengrondse doorgedrongen.

Ook veel politiek gedachtegoed ontstond in kleine groepen en bewegingen die initieel als radicaal bestempeld werden. Hoewel de bijdragers onderdrukt of vervolgd zijn, hebben deze bewegingen alsnog groots effect bereikt en zijn ze in sommige gevallen tot de mainstream toegelaten. Denk aan de klimaatbeweging of dekolonisatie. De klimaatbeweging, eens vrij radicaal en bestaand uit een kleine groep activisten is nu uitgegroeid tot een beweging die een groot deel van de nieuwe generatie aanspreekt en zelfs positieve aandacht in de mainstream media krijgt. De dekolonisatiebeweging maakt een vergelijkbare transitie door, van de Black Panthers en de FLN in Algerije tot een partij in de Tweede Kamer die deze thema’s op nationale schaal in Nederland aankaart, BIJ1, en musea die eindelijk de koloniale geschiedenis van de objecten vertellen of hun eens uit de koloniën gestolen objecten teruggeven.

We hebben het ondergrondse nodig, zou je kunnen stellen, voor de vernieuwing en kritiek die ze voortbrengt. In onze huidige maatschappij zijn plekken die als ondergronds bestempeld worden vaak broedplaatsen voor nieuwe ideeën, kunst en cultuur. Zulke plekken kennen een inclusieve cultuur die het bovengrondse niet kent. Het zijn plekken waar het veilig vertoeven is voor hen die zijn uitgesloten door de mainstream. Het zijn plekken waar zaadjes kunnen ontkiemen (muziek/politiek/wetenschap). Maar zolang de gevestigde orde het oppervlak dichtmetselt, wordt het doorbreken naar het bovengrondse bemoeilijkt. En daarom bieden allianties tussen wat als onder- en bovengronds beschouwd wordt, zoals we besproken met Malm in de bijeenkomst van de ARCHAIC, een kans dit onderscheid te overstijgen.

Literatuurlijst
• Barthes, R. (1957), Mythologies. Hill and Wang
• Dolphijn, R. (2018), The world, the mat(t)er of thought. In: Michel Serres and the Crises of the ­Contemporary. Bloomsbury
• Nail, T. (2022), Interview with Machinic Unconscious. Online beschikbaar: https://soundcloud.com/podcast-co-coopercherry/thomas-nail-marx-and-motion
• Nail, T. (2021), Theory of the Earth. Stanford University Press
• Serres, M. (1990), The Natural Contract. University of Michigan Press