Home Het onbehagen van mannen

Het onbehagen van mannen

Door Alex Thinius en Veronica Vasterling op 05 september 2018

Cover van 03-2018
03-2018 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine
De moderne mannelijkheid verkeert in crisis, betogen Alex Thinius en Veronica Vasterling. Het gevolg: er is sprake van een hedendaags mannelijk onbehagen. Welke processen liggen er aan die crisis ten grondslag? En hoe gaan mannen met dit onbehagen om? 
Een paar maanden geleden betoogde de invloedrijke Indiase schrijver en denker Pankaj Mishra in The Guardian dat er sprake is van een wereldwijde crisis van de moderne mannelijkheid, een crisis die gepaard gaat met hernieuwd seksisme, nationalisme en racisme. Met name de politieke wereld levert veel voorbeelden van deze crisis, variërend van Trump en de alt-rightbeweging tot Poetin en de Indiase premier Modi, volgens Mishra een Hindoe-supremacist, en in eigen land Thierry Baudet en de nieuwrechtse groepering De Nederlandse Leeuw.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Is er sprake van onbehagen bij mannen? Is er een mannelijkheidscrisis? Het #MeToo-debat zaait twijfel onder mannen: wat mag er nog? Worden vriendelijk bedoelde gebaren niet als seksistisch opgevat? Sommigen vragen zich af of iedereen tegenwoordig te puriteins, te gevoelig, om niet te zeggen hysterisch, is geworden: kunnen we niet allemaal weer een beetje normaal doen? Anderen zijn geschokt door de verhalen over seksueel geweld en door de misogynie die publiekelijk getoond kan worden zonder sociale sancties of imagoschade. 

Ons uitgangspunt is dat er inderdaad sprake is van mannelijk onbehagen. Wij vragen ons af hoe dit onbehagen te verklaren valt en waar het vandaan komt. Wij, dat zijn: een witte 63-jarige vrouw, feminist en filosoof en een witte 30-jarige man, promovendus in de filosofie. Gaat het om een narcistische krenking van de man zoals Abram de Swaan (2017) voorstelt? Of ligt het aan een feminisering van de cultuur? Hoewel beide punten hout snijden, willen we wat dieper graven en laten zien dat moderne mannelijkheid zelf fragiel is. Ons argument is ten eerste dat crisis inherent lijkt aan mannelijke identiteit, vanwege onoplosbare spanningen en tegenstrijdigheden in (opvattingen van) mannelijkheid. Ten tweede hebben feministische (en antiracistische) bewegingen veranderingen teweeggebracht die mannelijkheid onder druk zetten. Vervolgens kijken we naar de wijze waarop met het onbehagen wordt omgegaan. Tot slot bespreken we het toekomstperspectief.
 

Mannelijkheidsideologie

Op het noordelijk halfrond en tot op zekere hoogte op het zuidelijk halfrond heerst er een bepaalde mannelijkheidsideologie. Wij zullen eerst de ideeën, waarden, normen en verhalen van en over mannelijkheid beschrijven, om vervolgens te beoordelen of en in welk opzicht deze ideologie problematisch is. Ideologie bepaalt hoe we mannelijkheid en mannen begrijpen, wat we ons feminisme als mannelijke identiteit voorstellen, en wat onze verwachtingen en houdingen zijn ten aanzien van mannelijkheid, mannelijke identiteit en mannen. Ideologieën zijn altijd materieel verankerd. Als we het over ideeën, verhalen en verwachtingen van en over mannelijkheid hebben, betekent dit dus dat het ook gaat over gedrag, gewoontes, instituties en individuele mensen. 

De eerste reden voor de fragiliteit van moderne mannelijkheid is dat mannelijke identiteit gebaseerd is op twee double binds, dat wil zeggen, tegenstrijdige verwachtingen en voorschriften over wat het betekent om een echte man te zijn. Deze double binds hebben betrekking op de tegenstrijdigheid van eergevoel en misogynie – waarover in de volgende paragraaf meer – en van beest en gentleman. De man wordt sinds de moderne tijd geassocieerd met het amorele en asociale. Tegelijkertijd wordt van mannen verwacht dat ze het beest in henzelf civiliseren, het liefst met behulp van vrouwen die van nature als morele wezens beschouwd worden. Deze tegenstrijdigheid wordt zichtbaar in een groot aantal verhalen en praktijken, bijvoorbeeld in het verhaal van Belle en het beest. 

Susan Bordo stelt in The male body dat Belle de gentleman in het beest ontdekt en zichtbaar maakt, en zo het beest tot prins transformeert. De prins die als gentleman zijn driften beheerst, staat tegenover vormen van mannelijkheid die niet genoeg beest in zich hebben of niet genoeg beheersing vertonen. Tegelijkertijd verliest de prins daardoor wat van de erotiek van het beest. Dit plot is niet uniek voor Belle en het beest. Ook Christoph Kucklick laat in zijn historische studie Das unmoralische Geschlecht zien dat het verhaal van de man als gevaarlijk, asociaal, egoïstisch en dominant een belangrijk deel uitmaakt van een bepaalde versie van de mannelijkheidsideologie. Het idee ‘eigenlijk een klootzak te zijn’ bevat in feite de verwachting en zelfs de legitimatie van misdragingen in het algemeen, en seksueel geweld in het bijzonder. Wanneer de beheersing van het beest niet lukt en het misgaat, is het zijn natuur, want boys will be boys. Hoe essentieel deze tegenstelling wordt gemaakt voor mannelijkheid blijkt uit het feit dat mannen zonder beest in henzelf niet meer duidelijk herkenbaar zijn als (wat wordt gezien als) echte man. Mensen die zich moeten of willen identificeren als man moeten dus aan twee contrasterende verwachtingen voldoen: een beest zijn en dat beest controleren. 

De tweede double bind betreft ideeën van eer en edelmoedigheid. Wat dit idee inhoudt, maakt de standaard interpretatie van het Oude Testament duidelijk. Daarin wordt de man als evenbeeld van God voorgesteld met als implicatie dat de man enerzijds als het andere van de vrouw door God geschapen is, maar anderzijds – als evenbeeld van God – een hogere natuur of aanleg heeft dan de vrouw. Men kan het ook zo uitdrukken: de man is onderdeel van het seksuele onderscheid én representeert tegelijk de volmaakte en universele mens. Om die reden werden, en worden, mannen als voogd en beschermer van vrouwen en kinderen beschouwd. 

In De tweede sekse beschrijft filosoof Simone de Beauvoir de spanningen en problemen die door dit idee ontstaan. In feite is natuurlijk geen enkele man de volmaakte mens. Vanwege de verwachting dat hij het universele personifieert, is intimiteit al voldoende om de status van een man te ondergraven. Om dezelfde reden wordt de belichaming van seksueel onderscheid aan de vrouw toegeschreven, alsof de man geen hormonen en geslachtsorganen heeft, zo schrijft De Beauvoir ironisch. De kern van de tegenstrijdigheid is gelegen in het feit dat de man als representant van de hogere en universele natuur van de mens enerzijds geen sekse en geen lichaam heeft, terwijl hij anderzijds niet zonder lichaam kan. Hoe moet hij zich anders kwijten van de taken die volgen uit zijn hogere natuur, namelijk beschermer van vrouw en kinderen te zijn? 
 

Afhankelijkheid

De verwachting van eer en edelmoedigheid levert ook spanningen op tussen mannen. Volgens de socioloog Raewyn Connell, die veel onderzoek heeft gedaan naar mannelijkheid en het standaardwerk Masculinities schreef, is er sprake van meerdere mannelijkheden die in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan en waarbij één invulling van mannelijkheid het overwicht heeft. Samen met de verwachting mannelijke eer te belichamen, levert deze hiërarchische structuur van mannelijkheden competitie, onzekerheid en instabiliteit op. De belangrijkste manier om met deze situatie om te gaan, is dat mannen elkaar in hun mannelijkheid bevestigen door afgrenzing en verwerping van dat wat als vrouwelijk geldt. 

Neem bijvoorbeeld de televisieserie The big bang theory. Terwijl het verhaal een hiërarchie van mannelijkheden presenteert, kunnen hoofdpersonen Sheldon, Leonard, Raj en Howard door genormaliseerde – dat wil zeggen, geaccepteerde – misogyne en homofobe grapjes elkaar bevestigen in hun man-zijn: ze zijn tenminste geen watjes. De hiërarchie wordt dus door onderlinge verbroedering gerelativeerd en onzekerheid wordt door verwerping van vrouwelijkheid bestreden. Connell legt uit dat hoewel mannen enerzijds dit spel mee moeten spelen, het anderzijds een ‘patriarchaal dividend’ oplevert. Dat wil zeggen: zelfs de meest gemarginaliseerde man kan nog altijd van de sociale macht profiteren die door de dominante mannelijkheid van de Donald Trumps, Vladimir Poetins of Harvey Weinsteins van deze wereld gegenereerd wordt. De double bind houdt in dit geval dus in dat van mannen verwacht wordt dat ze eer en edelmoedigheid belichamen, een verwachting waaraan ze alleen op misogyne wijze kunnen voldoen. 

De tweede reden voor de crisis van moderne mannelijkheid heeft te maken met de verhouding tot reproductie. Mannelijkheid wordt geassocieerd met creativiteit, inventiviteit, productiviteit en strijdlustigheid. Deze en andere connotaties van mannelijkheid hebben gemeenschappelijk dat ze complementair zijn aan reproductiviteit in de zin van het baren, zorgen, ondersteunen en in stand houden van het leven. Zoals Tom Digby in zijn boek Love and war uitlegt: om soldaat of strijder te zijn moet je tijdens het gevecht geen last van mededogen hebben. Voor een maatschappij die met oorlog rekening houdt, is het dus functioneel om een bepaalde groep van mensen al vroeg tot emotioneel gereduceerde vechtmachines op te leiden. Ook de studies van soldateske mannelijkheid in Männerfantasien van Klaus Theweleit laten op overtuigende wijze zien hoe door onderdrukking van alles wat als zwak, vloeiend, zacht en levend opgevat wordt niet alleen een harde, vaste, stoere en sterke, maar zelfs een dodelijke mannelijkheid geconstrueerd wordt. Digby schrijft over de Verenigde Staten en Theweleit schrijft over fascistisch Duitsland, feminisme maar het feit dat in de Nederlandse film-top tien van 2017 zes films over oorlog en superhelden staan, suggereert dat dit type stoere mannelijkheid ook in het Nederland van nu populair is. 

Deze onderdrukking betekent niet dat mannen geen gevoelens of emotionele behoeftes meer hebben. Het betekent veeleer dat mannen vrouwen niet louter voor reproductie in de zin van nageslacht nodig hebben, maar ook voor zaken als emotionele ondersteuning en lichamelijke verzorging. Reproductieve taken kunnen niet door mannen uitgevoerd worden zonder hun mannelijke status te riskeren. Precies omdat ze de met vrouwelijkheid geassocieerde reproductiviteit onderdrukken, voelen mannen vaak een ambivalent verlangen naar vrouwen. Deze haat-liefde-verhouding tot vrouwen vormt wellicht een deel van de verklaring van pornografische fantasieën over het vermoorden en verscheuren van geërotiseerde vrouwelijke lichamen. Maar volgens Digby en anderen is het doel van misogyne fantasieën en daden vaker vrouwen, die de rol van reproductieve ondersteuning van mannen weigeren, op hun plaats te wijzen. Anders dan in het geval van het ambivalente verlangen waar het om onderdrukking van (eigen) vrouwelijkheid gaat, is het in dit geval de reproductieve afhankelijkheid van mannen ten aanzien van vrouwen die genegeerd en tegelijk gegarandeerd moet worden. Alleen door reproductiviteit te delegeren en onzichtbaar te maken, kunnen mannen aan de verwachting voldoen op eigen kracht onafhankelijk te zijn. 
 

Gender trouble

Naast de spanningen en tegenstrijdigheden die gepaard gaan met de moderne mannelijkheidsideologie zorgen maatschappelijke veranderingen voor extra druk. Twee veranderingen zijn met name interessant in dit verband: de veranderingen op de werkvloer en de opkomst en het succes van het feminisme. In de zogenaamde postindustriële samenleving van het noordelijk halfrond ligt het accent van economische productiviteit niet meer op het maken van dingen, maar op informatieverwerking, diensten en entertainment. Deze economische verschuiving verandert ook de aard van arbeid: emotie, passie, taalvaardigheid, dienstbaarheid, zorg en vergelijkbare waarden die met vrouwelijkheid geassocieerd worden, zijn belangrijker geworden. 

Men zou verwachten dat deze verandering impact heeft op de mannelijke houding ten aanzien van arbeid, en op mannelijkheid in het algemeen. Maar uit sociologisch onderzoek naar mannelijkheid, van bijvoorbeeld Michael Kimmel en Michael Meuser, blijkt dat niet het geval te zijn. De veranderingen zijn marginaal. Zelfs in het geval van heteroseksuele paren die zichzelf als geëmancipeerd identificeren, blijven er duidelijke verschillen in het verrichten van reproductieve taken; het ideaal van 50/50 wordt zelden gerealiseerd. Ook cultuursociologisch onderzoek naar andere aspecten van mannelijkheid – zoals zelfbeeld en humor – suggereert dat centrale aspecten van mannelijkheid verbazingwekkend immuun zijn voor de veranderingen van de laatste zestig jaar, zowel thuis als op de werkvloer. Hoe kan deze stand van zaken verklaard worden? 

Hoewel sommige banen wat ‘vrouwelijker’ in hun eisen zijn geworden, past de arbeidsstructuur nog steeds goed bij de moderne mannelijkheidsideologie. Flexibilisering van werkplekken, overwerk, nomadische levenswijze, werken als zzp’er: deze kenmerken van de postindustriële economie berusten nog steeds op de vooronderstelling dat de sociale reproductie van de werker die de ‘productieve’ arbeid mogelijk maakt simpelweg gegeven is. Werknemers die reproductieve taken thuis of op de werkplek kunnen negeren, hebben voordelen. Ondanks de toenemende waardering van zogeheten feminiene waarden in het werk of op de werkplek, blijft de structuur van werk in de postindustriële economie hetzelfde, voor zover reproductieve arbeid lager gewaardeerd wordt dan productieve arbeid in termen van status, tijd en geld. Met andere woorden: het oude kostwinnersmodel staat nog steeds overeind. Dat mannen met een goed betaalde baan tegenwoordig soms minder uren gaan werken, verandert weinig aan dit structurele probleem, evenmin als het inhuren van anderen (meestal vrouwen uit andere landen) om het reproductieve werk thuis of op de werkvloer te verrichten. De onderwaardering van reproductieve taken verklaart waarom de mannelijke habitus ten aanzien van werk niet veranderd is. Omdat deze erop gebaseerd is dat anderen het reproductieve werk verrichten, maakt die habitus het makkelijker om reproductieve taken thuis en op werk aan anderen te delegeren of er geen verantwoordelijkheid voor te nemen. Het hebben van een mannelijke habitus lijkt in de huidige economie dus voor individuele werknemers een voordeel.

En dan nu het feminisme. De vanzelfsprekendheid dat vrouwen de verantwoordelijkheid voor deze reproductieve taken nemen, brokkelt zienderogen af. Voor mannen betekent dit dat hun wereld in veel opzichten is veranderd: op school, op het werk, in de politiek en in hun vrije tijd concurreren en werken ze met vrouwen, en steeds vaker hebben ze een vrouw als leidinggevende. Vrouwen hebben het recht bevochten om zich de van oudsher mannelijke beroepen, manieren en symbolen toe te eigenen. Maar terwijl een vrouw in een broek geen gender trouble meer oproept, geldt dat wel voor een man in een jurk. De ideologie van mannelijkheid is nog vrijwel onveranderd en het niet belichamen van deze mannelijkheid is nog steeds een nadeel in de huidige maatschappij. Tegelijkertijd zet de onveranderde mannelijkheidsideologie mannen onder druk. Onder invloed van het feminisme wordt het negeren en delegeren van reproductieve taken steeds moeilijker, terwijl mannen nog steeds geconfronteerd worden met het dilemma dat een echte man zich niet inlaat met deze vrouwelijke bezigheden. 
 

Slachtofferschap

Het onbehagen van mannen is goed te begrijpen. De moderne mannelijkheidsideologie maakt mannelijkheid fragiel en afhankelijk van het delegeren en negeren van existentiële, zogenaamd vrouwelijke zaken – een afhankelijkheid die tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend functioneert. Deze situatie leidt tot verschillende reacties. Zo is er de telkens weer terugkerende klacht dat de samenleving feminiseert, dat niemand meer weet wat eigenlijk nog moet, kan of mag, maar ook dat alle mannen klootzakken zijn. Soms wordt ook opgemerkt dat de betekenis en verwachtingen rondom mannelijkheid dringend aan verandering toe zijn. Het spreken over een crisis van mannelijkheid kan dus enerzijds tot een versterking van mannelijke superioriteit leiden, anderzijds een kans bieden voor serieuze veranderingen.

Restaurerende reacties zijn gericht op het stabiliseren of herinterpreteren van traditionele sekseverhoudingen. Dit kan op diverse manieren, variërend van de romantische mythe van een verloren archaïsche mannelijkheid die teruggevonden moet worden tot pogingen om de moderne mannelijkheidsideologie op wetenschappelijke wijze te naturaliseren. Met naturaliseren doelen we op de tendens om als natuurlijk voor te stellen wat in feite sociaal en cultureel beïnvloed of geconstrueerd wordt. In het kader hiervan wordt het feminisme bekritiseerd als het tot mislukken gedoemde project van seksegelijkheid: het verschil tussen mannen en vrouwen is immers door de evolutie in de menselijke hersenen vastgelegd (hardwired). 

Deze kritiek wordt soms ook uit naam van het feminisme naar voren gebracht, met name door evolutionair psychologen zoals Griet Vandermassen. Hun argumentatie is dat het feminisme als het streven naar gelijkheid van mannen en vrouwen op evolutionaire gronden misplaatst is en ingeruild moet worden voor een feminisme dat rekening houdt met het evolutionair bepaalde verschil tussen mannen en vrouwen. Deze visie is op eveneens wetenschappelijke gronden zeer betwistbaar. Ze gaat niet alleen uit van een simplistisch begrip van genen, maar negeert ook het feit dat empirisch onderzoek naar gedrag, verreweg de belangrijkste causale factor van man-vrouwverschillen, slechts enkele verschillen en vooral heel veel gelijkenis tussen mannen en vrouwen laat zien (Vasterling 2007: Hyde 2014). Desondanks is deze visie heel populair, met name onder hoogopgeleiden. Zo heeft Jordan Peterson, een Canadese hoogleraar psychologie die een variant op dit verhaal vertelt, voor veel studenten een goeroestatus.

Een andere restauratieve reactie op het onbehagen zien we in discussies over slachtofferschap. Mannenrechtenbewegingen in Europa en Noord-Amerika strijden niet alleen voor gelijke rechten van mannen bij scheidingen, ze houden zich ook bezig met kwesties als de slechte schoolprestaties van jongens, de lagere levensverwachting van mannen en hun grotere blootstelling aan geweld. Op grond van wereldwijde genderstatistieken van instituten als de Verenigde Naties en de Wereldbank kan aangetoond worden dat het met het slachtofferschap van mannen wel meevalt. Maar een dergelijke repliek op het geclaimde slachtofferschap van mannen is naar onze mening niet wenselijk. Ten eerste omdat de mannelijkheidsideologie natuurlijk ook mannelijke slachtoffers kent. Ten tweede mondt het uit in de doodlopende weg van het opbieden in slachtofferschap. Een solidaire focus op de structurele bronnen van slachtofferschap, bijvoorbeeld genderideologieën waaronder mannen en vrouwen lijden, lijkt ons een betere aanpak.

Een onder intellectuelen veel voorkomende reactie op het onbehagen wijst (feministische) identiteitspolitiek aan als een van de oorzaken hiervan. Spraakmakende intellectuelen zoals Jordan Peterson in Canada, Mark Lilla in de Verenigde Staten, Slavoj Žižek in Europa en Ewald Engelen in Nederland betichten feministen van een symboolpolitiek waarin het alleen nog maar gaat om de erkenning en politiek correcte bejegening van miskende identiteitsgroepen. Hoewel ze hun kritiek op verschillende manieren invullen, is het opmerkelijk dat rechtse en linkse intellectuelen deze kritiek delen. 

Een linkse intellectueel als Engelen of Žižek stelt dat het feminisme het werkelijke probleem van deze tijd negeert, namelijk de toenemende sociaaleconomische ongelijkheid, ten gunste van neoliberale doelstellingen ter ondersteuning van vrouwen die sowieso al geprivilegieerd zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan meer vrouwelijke CEO’s. Deze critici ontgaat niet alleen dat er in het feminisme al sinds het laatste decennium van de vorige eeuw een debat gevoerd wordt over neoliberalisme, maar ook dat het feminisme al sinds het begin ervan in de negentiende eeuw pluralistisch is. Naast het (neo)liberale feminisme is er bijvoorbeeld ook marxistisch, ecologisch en intersectioneel feminisme. 

De rechts-conservatieve Peterson linkt zijn kritiek op feministische identiteitspolitiek aan wat hij ‘cultuurmarxisme’ noemt. Volgens Peterson hebben marxisten na de ineenstorting van de Sovjet-Unie hun aandacht verplaatst naar onderwijs en cultuur, waar ze sindsdien westerse waarden bekritiseren en vervangen door een identiteitspolitiek die zal uitmonden in een nieuw totalitarisme. De critici van het cultuurmarxisme, waartoe ook Baudet behoort, lijken geen onderscheid te kunnen of willen maken tussen het blijvende belang van Marx als theoreticus voor sociologie, politicologie en filosofie en de, in naam marxistische, realpolitik van de Sovjet-Unie. 
 

Identiteitspolitiek

De kritiek op identiteitspolitiek lijkt in de huidige context steeds vaker te fungeren als een stok om de feministische hond te slaan. Tot op zekere hoogte is feminisme altijd identiteitspolitiek geweest, omdat het opkwam voor een groep met een duidelijk herkenbare identiteit, namelijk vrouwen. Maar tevens is identiteit ook altijd ter discussie gesteld. Al sinds de negentiende eeuw hebben zwarte vrouwen en transgendervrouwen als Sojourner Truth, Anna Julia Cooper en Marsha P. Johnson de discussie aangezwengeld door erop te wijzen dat feminisme geen zaak is van louter witte ‘cisgendervrouwen’: vrouwen van wie de seksuele identiteit overeenkomt met het biologische geslacht. 

De feministische discussies van de laatste dertig jaar hebben een genuanceerd beeld opgeleverd van de dynamische en interactieve complexiteit van zowel identiteit, als van misogynie en mannelijke superioriteit, dat allengs ook in het publieke debat doorsijpelt. De huidige inzichten kunnen als volgt samengevat worden: identiteit, misogynie en mannelijke superioriteit komen tot stand in en door de interactie van maatschappelijke structuren en mechanismen die in het dagelijks leven verankerd zijn enerzijds en individuele geleefde ervaring anderzijds. Een fenomeen als mansplaining kan dit samenspel van structurele en individuele factoren verduidelijken. Mannen die vrouwen minzaam uitleggen hoe de vork in de steel zit in de vanzelfsprekende veronderstelling dat ze er geen verstand van hebben, lijken op het eerste gezicht louter een kwestie van individuele arrogantie. Maar het gaat hier om meer dan individuele karaktertrekken. Mansplaining is bovenal een symptoom van een historische ‘systeemfout’ in westerse maatschappijen, namelijk seksisme. 

Dat wil niet zeggen dat identiteitspolitiek geen problematische uitwassen kent. Die zijn er ontegenzeggelijk, met name wanneer identiteitspolitiek tot een soort identiteitsfundamentalisme verwordt. Dan wordt een persoon volledig bepaald door diens identiteit, met als gevolg dat mannelijke en vrouwelijke identiteit homogene en allesbepalende categorieën worden: een man staat feminisme dan voor alle mannen, een vrouw voor alle vrouwen. Een ander gevolg van identiteitsfundamentalisme is het idee dat transvrouwen geen ‘echte’ vrouwen zijn, stelt de Engelse feminist Germaine Greer. Het getuigt onzes inziens ook van identiteitsfundamentalisme wanneer feminisme gezien wordt als louter een zaak van, voor en door vrouwen omdat mannen de geleefde ervaring van onderdrukking en seksisme missen die ten grondslag ligt, of moet liggen, aan het feminisme. Dan wordt gedaan alsof mensen eilandjes zijn in een oceaan die niet bevaren kan worden, alsof we niet kunnen communiceren over onze geleefde ervaring en niet kunnen leren van wat anderen ons vertellen. Als dat waar zou zijn, zou de wereld er nog veel slechter aan toe zijn.
 

Mannelijke feministen

Mannelijk onbehagen heeft niet alleen geleid tot negatieve of backlash-achtige reacties. Tot slot willen we een, in onze ogen, overwegend positieve reactie op het mannelijke onbehagen benoemen, namelijk dat mannen het feminisme serieus nemen. De combinatie feminisme en man is geen gemeengoed. Integendeel, als feministische vrouwen vaak onbehagen oproepen bij mannen, dan worden feministische mannen meestal met argwaan en scepsis bejegend door feministische vrouwen. Vrouwen hebben goede redenen om sceptisch te zijn, bijvoorbeeld omdat mannen het voortouw gaan nemen, met een feministische houding hun status of aantrekkelijkheid (denken te) verhogen of doof worden voor kritiek omdat ze al feministisch zijn. Maar in veel maatschappelijke contexten is het geen voordeel om feministisch te zijn en kan het voor mannen tot verlies aan status leiden. Aan de andere kant is het nog steeds zo dat wanneer meer mannen zichzelf publiekelijk neerzetten als feminist, het de status van het feminisme zal verhogen. 

Wanneer mannen feminisme serieus nemen, bestaat de hoop op een vernieuwing van mannelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer mannen vrouwelijk geachte eigenschappen als empathie en sensibiliteit toelaten en cultiveren, of meer zorgwerk verrichten thuis. Dergelijke veranderingen zijn al bezig en er is een goede kans dat deze verder doorgaan, maar de situatie is minder simpel en onschuldig dan ze lijkt. Dit soort positieve veranderingen, bewerkstelligd door feministische mannen, kan ook een vernieuwing van de moderne mannelijkheidsideologie tot gevolg hebben. De feministische man is dan niet alleen eervol en edelmoedig, maar ook empathisch, sensibel enzovoorts. Kortom: nog steeds de meest volmaakte belichaming van de menselijke natuur. Wat in deze situatie onveranderd is gebleven, is de structurele misogynie. 

We kennen al enige tijd het fenomeen van vrouwen die mannelijk geachte eigenschappen met succes gecultiveerd hebben, met name in politiek en bedrijfsleven. Maar gezien de opstand, ondermijning en regelrechte haat waarmee machtige vrouwen als Hilary Clinton, Theresa May en Angela Merkel te maken krijgen, lijkt de constatering legitiem dat we niet in een wereld leven waarin vrouwen de volmaakte, normatieve belichaming van de menselijke natuur kunnen representeren. Dit effect van louter een quasi-feministische update van de moderne mannelijkheidsideologie laat zich alleen vermijden wanneer veranderingen die feministische mannen in hun persoonlijke leven (kunnen) bewerkstelligen, gepaard gaan met structurele sociale, economische en culturele verbeteringen ten aanzien van, met name, ongelijkheid en misogynie. 

De spanningen die inherent zijn aan de moderne mannelijkheidsideologie veroorzaken onbehagen. Dit onbehagen roept, op zijn beurt, weer ambivalente reacties op. Dat is in het kort onze diagnose van de situatie in de samenlevingen van Europa en Noord-Amerika. Er bestaat geen tien-puntenlijstje van hoe deze situatie verbeterd kan worden. Maar één ding lijkt ons wel duidelijk: hoewel de feministische betrokkenheid van vrouwen natuurlijk nodig blijft, is die van mannen doorslaggevend voor structurele verbeteringen, die verder gaan dan mannelijke identiteit een aantrekkelijk feministisch vernisje te geven. 

Hoe moeilijk ook, positieve verandering is niet onmogelijk. De reeds bereikte verbeteringen en het onbehagen van mannen kunnen ook hoop geven. De redenen die een verandering welhaast onmogelijk doen lijken, verwijzen tegelijkertijd ook naar processen die al bezig zijn: een kritische deconstructie van de westerse traditie, maatschappelijke veranderingen onder invloed van een hernieuwd feminisme, en persoonlijke bewustwording van met name die jonge mannen die niet meer bang zijn voor feminisme en die zich zelfs aan feministische verandering committeren.
 

Literatuur

• Beauvoir, S. de (2011). The second sex. Vert. C. Borde & S. Malovany-Chevalier. Londen: Vintage Books.
• Bordo, S. (1999). The male body: a new look at men in public and in private. New York: Farrar, Straus & Giroux.
• Connell, R. (2005), Masculinities. Berkeley, Los Angeles: University of California Press.
• Digby, T. (2014). Love and war: how militarism shapes sexuality and romance. New York: Columbia University Press.
• Hyde, J. (2014). The Gender Similarities Hypothesis. American Psychologist (60) 6: 581-592.
• Kucklick, C. (2015). Das unmoralische Geschlecht: Zur Genese der negativen Andrologie. Berlijn: Suhrkamp.
• Manne, K. (2017). Down girl: the logic of misogyny. Oxford: Oxford University Press.
• Swaan, A. de (2017). De strijd der geslachten. Amsterdam: De Balie 26 september 2017. https://www.debalie.nl/agenda/podium/abram-de-swaan%3A-de-strijd-der-geslachten/e_9782907/p_11768970/
• Theweleit, K. (1977). Männerphantasien. Frankfurt am Main.: Verlag Roter Stern.
• Vasterling, V. (2007). Evolutionaire psychologie: Het reductionisme van een genenverhaal. Tijdschrift voor Genderstudies 10 (4): 2-15.